Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2973

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
11950875 \ MC EXPL 25-6014
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:231 BWArt. 6:233 onder a BWArt. 7:405 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument wint geschil over oneerlijke kostenbeding in overeenkomst van opdracht met juridisch dienstverlener

De zaak betreft een consument die door een juridisch dienstverlener werd bijgestaan in een procedure tegen ASR, waarbij de dienstverlener een deel van het door ASR betaalde bedrag heeft ingehouden zonder voorafgaande prijsafspraken. De consument vordert terugbetaling van dit bedrag omdat er geen duidelijke en transparante afspraken over het honorarium waren gemaakt.

De kantonrechter stelt vast dat de dienstverlener en consument geen schriftelijke overeenkomst met prijsafspraken sloten en dat de dienstverlener geen informatie heeft verstrekt over de totale kosten of een raming daarvan. Dit is in strijd met het transparantievereiste uit de Richtlijn oneerlijke bedingen en het arrest van het Europees Hof van 12 januari 2023.

De rechter oordeelt dat het kostenbeding oneerlijk is en vernietigt dit, waardoor het gehele beding vervalt. De dienstverlener heeft geen recht op vergoeding en moet het ingehouden bedrag terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens wordt de dienstverlener veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van de consument tot terugbetaling van € 9.599,32 wegens een oneerlijk kostenbeding wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11950875 \ MC EXPL 25-6014
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.M. Punt,
tegen
[gedaagde] B.V., H.O.D.N. ' [handelsnaam] ',
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: [handelsnaam] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 28 januari 2026 met de daarin genoemde producties,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5,
- de conclusie van repliek met productie 6.
1.2
[handelsnaam] heeft daarna, hoewel wel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet voor dupliek geconcludeerd.
1.3
Tot slot heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.

2.De kern van de zaak

2.1
[handelsnaam] heeft [eiser] als gemachtigde bijgestaan in een gerechtelijke procedure tegen ASR. Deze procedure heeft [eiser] gewonnen en ASR heeft een bedrag van € 19.643,98 aan [handelsnaam] uitbetaald. Hiervan heeft [handelsnaam] een bedrag van € 9.599,32 zelf gehouden voor de werkzaamheden die zij in dat dossier heeft verricht. [eiser] wil dat [handelsnaam] dat bedrag alsnog uitbetaalt. Hij stelt dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst geen prijsafspraken hebben gemaakt. Dit had [handelsnaam] volgens [eiser] wel moeten doen, omdat hij een consument is. [handelsnaam] heeft daarom geen recht op een vergoeding. [handelsnaam] vindt dat zij recht heeft op het bedrag van € 9.599,32, omdat dit een redelijk loon is voor de werkzaamheden die zij heeft verricht.
De kantonrechter is het eens met [eiser] en wijst zijn vordering toe.

3.De beoordeling

[handelsnaam] is contractspartij
3.1
Mr. [A] heeft [eiser] bijgestaan in een procedure tegen ASR. Mr. [A] is bestuurder van [handelsnaam] . [eiser] heeft [handelsnaam] daarom betrokken in deze procedure. [handelsnaam] stelt echter dat zij geen partij is bij de door [eiser] gestelde overeenkomst, omdat [handelsnaam] pas nadat de overeenkomst tot stand is gekomen, is opgericht. Mr. [A] of [organisatie] is volgens haar de gemachtigde van [eiser] in zijn zaak tegen ASR. De kantonrechter volgt [handelsnaam] in beide argumenten niet. Tussen partijen is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld, zodat [eiser] daaruit niet kon opmaken wie zijn contractspartij was. [handelsnaam] is vervolgens in het vonnis van 20 augustus 2025 van de rechtbank Midden-Nederland in de zaak tegen ASR als gemachtigde genoemd. [handelsnaam] heeft de volgens haar kennelijke verschrijving niet laten aanpassen waardoor aan [eiser] de indruk is gewekt dat [handelsnaam] zijn gemachtigde was. Die indruk werd voor [eiser] bevestigd toen [handelsnaam] haar een factuur in die zaak aan [eiser] stuurde. De akte van oproeping (productie 2 [handelsnaam] ) waaruit volgens [handelsnaam] volgt dat niet zij, maar mr. [A] of [organisatie] de gemachtigde van [eiser] was, doet daar niets aan af. Het door [handelsnaam] overgelegde stuk is een conceptstuk en nergens volgt uit dat [eiser] dit stuk heeft gezien. Dit stuk kan dan ook niet als aanwijzing voor [eiser] dienen dat iemand anders dan [handelsnaam] zijn gemachtigde was. [eiser] mocht er dus van uitgaan dat hij een overeenkomst met [handelsnaam] had. [eiser] heeft de juiste partij gedagvaard.
[eiser] vordert betaling van het door [handelsnaam] verrekende bedrag van € 9.599,32
3.2
[eiser] vordert een bedrag van € 9.599,32. Hij stelt dat [handelsnaam] hem heeft bijgestaan in een procedure tegen ASR, maar dat partijen geen prijsafspraken hebben gemaakt bij aanvang van de overeenkomst. Volgens [eiser] heeft [handelsnaam] alleen aangegeven dat ASR haar honorarium zou betalen voor de door haar in dat dossier uitgevoerde werkzaamheden. ASR is door de rechtbank Midden-Nederland op 20 augustus 2025 veroordeelt tot betaling van € 19.643,98, te vermeerderen met rente en kosten. [handelsnaam] heeft vervolgens op dat bedrag een bedrag van € 9.599,32 ingehouden op basis van verrekening van een factuur. [eiser] betwist deze factuur verschuldigd te zijn. [handelsnaam] brengt daar tegenin dat partijen een no cure no pay-regeling zijn overeengekomen en dat zij recht heeft op een redelijk loon. Dat is volgens haar het uurtarief waarmee het bedrag is berekend dat genoemd is op de factuur.
(Ambtshalve) toetsing oneerlijke bedingen
3.3
De afspraken tussen [eiser] en [handelsnaam] zijn te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. [eiser] is een consument.
De afspraken die in dit geschil ter discussie staan (werkzaamheden en uurtarief) zijn kernbedingen van een overeenkomst. Over deze bedingen is niet afzonderlijk onderhandeld. De kantonrechter zal daarom onderzoeken of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 van Pro Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn oneerlijke bedingen). Deze Richtlijn is geïmplementeerd in artikel 6:231 en Pro verder BW.
3.4
Op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW is een beding vernietigbaar wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (de consument). Dit is het geval indien voldaan is aan artikel 3 lid 1 richtlijn Pro oneerlijke bedingen, waarin is bepaald dat een beding als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Volgens artikel 4 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen moet de rechter bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid van een beding toetsen naar het moment van sluiting van de overeenkomst en moet hij onder meer alle omstandigheden rond de sluiting ervan in aanmerking nemen. Op grond van artikel 5 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen moeten schriftelijke bedingen duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn opgesteld.
Transparantievereiste
3.5
In het arrest van het Europees Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) heeft het Europees Hof zich uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin, samengevat, de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het Europees Hof heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder heeft het Hof overwogen dat een advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
3.6
Vaststaat dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst geen prijsafspraken hebben gemaakt. [eiser] wist dat er op basis van een honorarium gefactureerd zou worden, maar er is geen uurtarief vastgelegd en [handelsnaam] heeft geen ureninschatting gegeven. Uit de correspondentie tussen partijen volgt dat aan mr. [A] een enveloppe contant zou worden gegeven. Maar over welk bedrag in die enveloppe moest zitten hebben partijen geen afspraken gemaakt. [handelsnaam] voert aan dat er op basis van een no cure no pay-regeling is gewerkt, maar licht niet toe of partijen hebben afgesproken wat verschuldigd zou zijn en wanneer. [handelsnaam] heeft dus geen informatie verschaft bij het aangaan van de overeenkomst over de precieze hoogte van de kosten voor de consument en over de mogelijke risico’s als wordt overgegaan tot het voeren van een gerechtelijke procedure. Op basis van het arrest van het Hof had [handelsnaam] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in ieder geval informatie moeten verstrekken met daarin aanwijzingen om de mogelijke totale kosten bij benadering te ramen. [handelsnaam] heeft dat niet gedaan. Er is dus niet voldaan aan het transparantievereiste.
Toets oneerlijkheid
3.7
Het Hof heeft in het arrest ook overwogen dat het enkele feit dat het kostenbeding niet transparant is, niet betekent dat het als oneerlijk moet worden beschouwd. Niet is gebleken dat [handelsnaam] op een andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en [eiser] duidelijk heeft gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn, dan wel andere maatregelen heeft genomen om een overschrijding van kosten te voorkomen, om het evenwicht tussen partijen te herstellen. Het kostenbeding is dan ook oneerlijk.
De consequenties
3.8
Artikel 6:233 onder Pro a BW bepaalt dat een oneerlijk beding vernietigbaar is. De kantonrechter vernietigt het kostenbeding omdat het oneerlijk is. Dit heeft als gevolg dat het kostenbeding geacht wordt nooit te hebben bestaan. Omdat het kostenbeding bij een overeenkomst van opdracht met een opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf niet kan bestaan zonder loon, betekent dat dat de hele overeenkomst vervalt.
3.9
Volgens [handelsnaam] is in dat geval alsnog een redelijk loon verschuldigd in de zin van artikel 7:405 BW Pro. De in rekening gebrachte kosten zijn gebruikelijk en redelijk in de zin van dat artikel, zodat alsnog de gehele factuur betaald moeten worden. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Herziening van een vervallen overeenkomst in een andere overeenkomst of in een overeenkomst met andere inhoud is immers alleen mogelijk indien de consument door het vervallen van de overeenkomst zou worden blootgesteld aan bijzonder nadelige gevolgen en dus zou worden benadeeld. Dat is hier niet het geval. Bovendien zou omzetting naar een redelijk loon in de zin van artikel 7:405 BW Pro onvoldoende doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn in het licht van de doelstellingen van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
3.1
Uit het voorgaande volgt dat [handelsnaam] geen recht heeft op vergoeding. Zij mocht het bedrag van € 9.599,32 niet verrekenen met het bedrag dat ASR volgens het vonnis van 20 augustus 2025 aan [eiser] moest betalen. De vordering van € 9.599,32 zal dan ook worden toegewezen.
3.11
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 17 oktober 2025, omdat [handelsnaam] pas vanaf die datum in verzuim was. [eiser] heeft [handelsnaam] immers in zijn brief van 29 september 2025 gesommeerd het bedrag van € 9.599,32 binnen zeven dagen na 10 oktober 2025 aan [eiser] te voldoen.
De proceskosten
3.12
[handelsnaam] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.268,42
3.13
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9.599,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten van € 1.268,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [handelsnaam] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. A.A.T. Werner op 20 mei 2026.
69134