ECLI:NL:RBMNE:2026:2998

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/5878
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond werkgeversberoep tegen WIA-uitkeringsbesluit wegens zorgvuldigheid medisch onderzoek

Een ex-werkneemster meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe wegens volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid. De voormalige werkgever, Achmea, maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende geobjectiveerd.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van het UWV, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek en medische informatie gebruikte. Ondanks het ontbreken van afwijkingen op een MRI-scan en een concrete diagnose, waren er voldoende medische aanwijzingen van ernstige beperkingen, bevestigd door meerdere medische professionals.

Achmea wees op inconsistenties en het ontbreken van een volledig revalidatietraject, maar de rechtbank vond deze niet doorslaggevend. De beperkingen waren voldoende geobjectiveerd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het UWV-besluit en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen het UWV-besluit over de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

Achmea Interne Diensten N.V., uit Zeist, eiseres

(gemachtigde: mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv, verweerder.
(gemachtigde: mr. J.H. Swart).

Voorgeschiedenis en besluitvorming

1. (Ex-)werkneemster was voorheen werkzaam als [functie] voor 34 uur per week. Zij heeft zich op 21 november 2022 ziekgemeld. Vervolgens heeft zij na het doorlopen van de wachttijd een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Met het besluit van 13 januari 2025 (het primaire besluit) heeft (ex-)werkneemster een loongerelateerde WGA-uitkering [1] toegekend gekregen op grond van de Wet WIA per 18 november 2024 (datum in geding). Volgens het Uwv is de (ex-)werkneemster volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Eiseres, de voormalig werkgever van (ex-)werkneemster, heeft bezwaar gemaakt tegen die beslissing.
1.2.
Met het besluit van 29 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres en verweerder deelgenomen.

Beoordeling van de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist dat (ex-)werkneemster per 18 november 2024 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dus in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
Geheimhouding medische gegevens
3. ( (Ex-)werkneemster heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken, om te voorkomen dat eiseres via deze uitspraak alsnog op de hoogte komt van die gegevens.
Beoordelingskader
4. Het gaat in deze zaak om een werkgeversberoep. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van betrokken belangen meebrengen dat het Uwv een besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [2] Daarbij speelt mee dat werkgevers niet de mogelijkheid hebben om medische informatie in te brengen en dat een werkgever niet veel anders kan dan proberen aan te geven dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende is geweest of dat de door verweerder gegeven motivering het besluit niet kan dragen. [3]
Beoordeling van de gronden van eiseres
5. Eiseres voert aan dat (ex-)werkneemster minder beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Zij stelt dat de beperkingen zijn vastgesteld op basis van het klachtenverhaal van (ex-)werkneemster en dat een medisch substraat voor haar klachten ontbreekt. Eiseres wijst erop dat er bij (ex-)werkneemster namelijk geen afwijkingen zijn vastgesteld op een MRI-scan en dat een concrete diagnose ontbreekt. De beperkingen zijn daarom onvoldoende geobjectiveerd vastgesteld. Op grond van de beschikbare informatie had de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen vergaande beperkingen mogen aannemen voor (ex-)werkneemster en had hij nadere informatie van de behandelende sector moeten opvragen. Daarom is het medisch onderzoek volgens eiseres onzorgvuldig tot stand gekomen. Eiseres wijst ook op een aantal inconsistenties in het dossier, op grond waarvan eiseres vraagtekens plaatst bij de door (ex-)werkneemster gerapporteerde beperkingen. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar een opgestelde medische rapportage van verzekeringsarts [A] van 19 januari 2026.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan de juistheid van de medische grondslag te twijfelen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 26 augustus 2025 de beperkingen van (ex-)werkneemster vastgesteld op basis van dossieronderzoek, daarnaast heeft hij informatie van de medische sector betrokken bij zijn onderzoek. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie miste om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd hoe de medische beoordeling tot stand is gekomen.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn oordeel gebaseerd op dossieronderzoek en informatie van de medische sector. Uit die informatie blijkt dat de huisarts (ex-)werkneemster op basis van haar klachten heeft doorverwezen naar de neuroloog. De neuroloog heeft op basis van klinische symptomen vastgesteld dat (ex-)werkneemster ernstig beperkt is in haar functioneren, ondanks het uitblijven van een concrete diagnose en een uitkomst van een MRI-scan zonder traumatische afwijkingen. De neuroloog heeft op grond daarvan medicatie voorgeschreven en heeft (ex-)werkneemster doorverwezen naar een revalidatietraject. De ergotherapeut heeft bij de intake van dat revalidatietraject eveneens vastgesteld dat (ex-)werkneemster extreem laag belastbaar was. Het voorgestelde revalidatietraject kon vervolgens wegens de lage belastbaarheid slechts in beperkte omvang worden doorgezet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond daarvan vastgesteld dat (ex-)werkneemster beperkt was in haar dagelijks functioneren vanwege haar aanhoudende klachten en beperkingen en dat zij maximaal 2 uur per dag en maximaal 10 uur per week belastbaar is vanwege de grote recuperatiebehoefte.
5.4.
De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande dat de beperkingen van (ex-)werkneemster daarmee voldoende geobjectiveerd zijn vastgesteld en aangetoond. Dat de MRI-scan geen traumatische afwijkingen laat zien en ook bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld, doet daar niet aan af. De arbeidsongeschiktheid moet een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken. Dat daarvan sprake is kan ook zonder duidelijke afwijkingen worden aangenomen bij een plausibel en consistent geheel van klachten/functiestoornissen, belemmeringen en participatieproblemen. In dit geval hebben de verzekeringsartsen van het Uwv vastgesteld dat hiervan sprake is, gelet op de overeenstemmende bevindingen van bedrijfsarts, huisarts, neuroloog en ergotherapeut, alsmede hun eigen onderzoeksbevindingen.
5.5.
Ten aanzien van de genoemde inconsistenties in het dossier heeft eiseres erop gewezen dat (ex-)werkneemster feitelijk geen revalidatietraject heeft gevolgd, dat de huisarts niet juist geïnformeerd zou zijn over haar duimletsel, en dat een deel van de klachten van (ex-)werkneemster niet is vastgesteld door de neuroloog. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft over de niet door de neuroloog genoemde klachten gesteld dat die wel in de medische literatuur genoemd worden als mogelijk symptoom van de vermoedelijke stoornis en dat dit geen reden is om externe inconsistenties aan te nemen. Daarnaast overweegt hij dat (ex-)werkneemster maar deels in staat was het revalidatietraject te volgen vanwege de lage belastbaarheid. Over het duimletsel stelt hij dat het een gegeven is dat de huisarts er niet van op de hoogte is, maar dat dit evident niet de reden is dat (ex-)werkneemster marginaal belastbaar is geacht. De rechtbank komt tot het oordeel dat aan de mogelijke inconsistenties geen conclusies te verbinden zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op overtuigende wijze gesteld dat de inconsistenties niet van doorslaggevende aard zijn geweest voor de vaststelling van de beperkingen van (ex-)werkneemster.
5.6.
Op grond van hetgeen hierboven overwogen oordeelt de rechtbank dat het beroep van eiseres ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat voor Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van 17 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3969 en van 21 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1686.