Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3008

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6925
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering

Eiseres, die eerder in België werkte en een invaliditeitsuitkering ontving, vroeg een Nederlandse WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en arbeidsdeskundig rapport vast dat zij slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en wees haar aanvraag af.

Eiseres voerde aan dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer vanwege een verklaring van een Belgische arts en een diagnose van carpale tunnelsyndroom. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek van de Nederlandse verzekeringsarts zorgvuldig, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden was en dat de Belgische verklaring niet relevant was voor de Nederlandse beoordeling.

De rechtbank wees ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af en concludeerde dat de arbeidskundige functies binnen de gestelde beperkingen passen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het UWV-besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Duric).

Voorgeschiedenis en besluitvorming

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was laatstelijk werkzaam in België als [functie] voor 24 uur per week. Zij is per 30 april 2022 ziek uitgevallen voor dit werk. Vanuit België heeft eiseres van 30 april 2023 tot 22 maart 2024 een invaliditeitsuitkering toegekend gekregen door het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), op basis van 66% invaliditeit. Omdat eiseres ook een arbeidsverleden had in Nederland, is door RIZIV een aanvraag ingediend voor een Nederlandse uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Ook is eiseres terugverhuisd naar Nederland.
1.1.
Eiseres is op 22 februari 2024 onderzocht op het spreekuur van een Nederlandse verzekeringsarts van het Uwv in het kader van haar Belgische uitkering. De verzekeringsarts heeft daarvan een rapport in de vorm van een zogenoemd E213-formulier opgemaakt. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres beperkt is als gevolg van ziekte of gebrek en dat er rekening gehouden dient te worden met een verminderde belastbaarheid van de rug en heupen. Op grond hiervan is per 22 maart 2024 een werkhervatting opgelegd door RIZIV en is haar Belgische invaliditeitsuitkering beëindigd.
1.2.
In het kader van haar WIA-aanvraag heeft de verzekeringsarts van het Uwv met eiseres een (telefonisch) spreekuur gehouden en heeft hij op 21 mei 2024 een rapport geschreven en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft op 5 juni 2024 zijn rapport opgesteld, waarbij eiseres 7,47% arbeidsongeschikt is geacht. Met het besluit van 6 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij per 27 april 2024 (datum in geding) niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
1.3.
Met het besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 september 2025 aanvullende beperkingen aangenomen en heeft vervolgens een nieuwe FML opgesteld op 12 september 2025. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond daarvan nieuwe functies geduid in zijn rapport van 20 oktober 2025 waarbij eiseres 19,19% arbeidsongeschikt is geacht.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigden van eiseres en het Uwv deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
2. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
 op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
 geen tegenstrijdigheden bevatten, en;
 voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, is daarvoor niet genoeg.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
3. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de onder 2 genoemde voorwaarden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en medisch onderzoek verricht. In bezwaar zijn aanvullende beperkingen aangenomen in de FML van 12 september 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden. Dat betekent dat het Uwv het bestreden besluit mocht baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Juistheid medisch onderzoek
4. Eiseres stelt dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen en dat haar rugklachten zijn onderschat. Hierbij wijst eiseres op een verklaring van een Belgische verzekeringsarts van het RIZIV die haar voor meer dan 66% arbeidsongeschikt heeft verklaard. Dit is volgens eiseres niet te rijmen met de veel lagere arbeidsongeschiktheid die het Uwv vaststelt, namelijk 19,19%. Eiseres voert ook aan dat bij haar carpaletunnelsyndroom is vastgesteld, waardoor zij eveneens meer beperkt is dan wordt aangenomen. Hierbij wijst eiseres op de door haar ingebrachte medische informatie van 16 februari 2026, afkomstig van de polikliniek neurologie van het Diakonessenhuis.
Verklaring van de Belgische arts
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 9 september 2025, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, beschrijft dat er bij eiseres sprake is van chronische rugklachten, een zenuwknelling in het bovenbeen, een te langzaam werkende schildklier, suikerziekte en stressklachten. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Sociaal functioneren, Fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen, Statische houdingen en Werktijden. Ten aanzien van de rugklachten overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de gestelde beperkingen passend zijn voor de specifieke rugklachten, waarbij sprake is van discopathie L4-L5 met buiging zonder wortelcompressie. Het Uwv ziet aan de hand van het beroepschrift van eiseres geen reden zijn standpunt te wijzen. Eiseres heeft namelijk geen nieuwe medische gegevens ingebracht waaruit zou blijken dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van (dossier)onderzoek een eigen beoordeling moet maken. Uit de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] volgt dat het op de eerste plaats uitsluitend de taak is van de verzekeringsarts om de beperkingen van een verzekerde in kaart te brengen en vast te leggen in een FML. De verklaring waar eiseres naar verwijst, waarin de Belgische verzekeringsarts tot een invaliditeitspercentage komt van 66%, doet niets af aan de conclusie van de Nederlandse verzekeringsarts bezwaar en beroep. De invaliditeit van eiseres is weliswaar erkend door het RIZIV, maar eiseres is per 22 maart 2024 ook weer arbeidsgeschikt geacht. Die verklaring is bovendien niet opgemaakt ten behoeve van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Wet WIA maar in het kader van de Belgische invaliditeitsuitkering. De verklaring biedt dus geen aanknopingspunten om eiseres op de datum in geding meer arbeidsongeschikt te achten dan is vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 9 september 2025 begrijpelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Carpale tunnel syndroom
4.3.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het carpale tunnelsyndroom dat deze klachten blijken uit een door eiseres ingebracht rapport van 16 februari 2026. In het rapport van de neuroloog blijkt dat eiseres deze klachten vanaf oktober 2025 heeft ontwikkeld. In de rapporten van de verzekeringsartsen is niet gebleken dat eiseres deze klachten ook al eerder heeft ervaren. De klachten blijken dus te zijn ontwikkeld in een periode na de datum in geding van 27 april 2024. Dat er mogelijk sprake is van een verslechterde medische situatie betekent niet dat de belastbaarheid per datum in geding onjuist is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek tot benoeming deskundige
5. Eiseres verzoekt om een onafhankelijke deskundige te benoemen vanwege het grote verschil in oordeel van de Belgische verzekeringsarts en de Nederlandse verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet zij ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Hierdoor bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige afwijst.
De arbeidskundige beoordeling
6. Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat zij daarom de door de arbeidsdeskundige geduide voorbeeldfuncties niet kan uitvoeren.
6.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet zij ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de FML van 12 september 2025 oordeelt de rechtbank dat eiseres geschikt is om de geselecteerde functies te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Yalcinkaya, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:266.