Eiseres werd geconfronteerd met een terugvordering van een teveel betaalde WIA-uitkering over de periode 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022, aanvankelijk vastgesteld op vijf jaar. Na bezwaar verlaagde het UWV de terugvordering tot drie jaar, maar de rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende motivering. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit waarbij het bedrag van de terugvordering werd vastgesteld op € 15.821,04, gebaseerd op een interne gedragslijn die een termijn van drie jaar hanteert.
Eiseres voerde aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de terugvordering niet verder werd beperkt en dat zij onwetend was over de meldingsplicht van inkomsten uit het persoonsgebonden budget (pgb). Zij stelde dat het eigen aandeel van het UWV in het ontstaan van de terugvordering zo groot was dat geheel afzien van terugvordering gerechtvaardigd was, mede vanwege gezondheidsproblemen die de terugvordering bij haar veroorzaakte.
De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom de terugvordering was beperkt tot drie jaar, waarbij rekening was gehouden met het eigen aandeel van het UWV en de meldingsplicht van eiseres. De rechtbank stelde dat financiële nadelen inherent zijn aan terugvorderingen en dat de invordering via een afbetalingsregeling kan worden aangepast aan de omstandigheden van eiseres. De gezondheidsproblemen waren onvoldoende onderbouwd om tot een dringende reden te leiden om geheel af te zien van terugvordering.
Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en zij kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren op 3 februari 2026.