Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3037

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/16/608848 / KL ZA 26-73
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 Haags BetekeningsverdragArt. 15 lid 2 Haags BetekeningsverdragArt. 15 lid 3 Haags BetekeningsverdragArt. 55 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot verstrekking KYC-gegevens en transactieoverzichten in oplichtingszaak cryptovaluta

Eiser is slachtoffer geworden van oplichting waarbij cryptovaluta zijn overgemaakt naar wallet-adressen die toebehoren aan de crypto-exchange Bitfinex. Eiser vordert in kort geding dat Bitfinex de Know Your Customer (KYC)-gegevens van de accounthouders van die adressen en de volledige transactieoverzichten verstrekt.

Bitfinex is niet verschenen, waarna verstek is verleend op grond van artikel 15 lid 3 van Pro het Haags Betekeningsverdrag vanwege het spoedeisende karakter van de zaak en het belang van eiser. De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks dat niet aan alle betekeningseisen is voldaan, de dagvaarding Bitfinex tijdig heeft bereikt zodat zij de mogelijkheid tot verweer had.

De gevorderde gegevens zijn noodzakelijk om de identiteit van de oplichters te achterhalen en schade te verhalen, mede in het kader van een strafrechtelijke procedure. De rechtbank veroordeelt Bitfinex hoofdelijk tot afgifte van de KYC-gegevens en transactieoverzichten over de periode van 1 december 2022 tot aan het vonnis, legt een dwangsom op bij niet-naleving en veroordeelt Bitfinex in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bitfinex wordt veroordeeld tot verstrekking van KYC-gegevens en transactieoverzichten met dwangsom en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/608848 / KL ZA 26-73
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. J.J.A.M. de Haas,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
IFINEX INC.,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BFXNA INC.,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BFXWW INC.,
allen gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Bitfinex,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 april 2026, met 5 producties,
  • de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en waarop [eisende partij] 2 aanvullende producties heeft overgelegd,
  • de akte van 7 mei 2026, met 11 aanvullende producties,
  • het tegen Bitfinex verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eisende partij] stelt slachtoffer te zijn geworden van oplichting waarbij hij cryptovaluta heeft overgemaakt naar adressen die toebehoren aan de crypto-exchange Bitfinex. [eisende partij] vordert dat Bitfinex de Know Your Customer (KYC)-gegevens van de accountholders van die adressen, en de transactieoverzichten van die adressen, verstrekt. Bitfinex is niet verschenen en tegen haar wordt verstek verleend. Hoewel niet is gebleken dat aan de betekeningsvereisten uit artikel 15 Haags Pro Betekeningsverdrag is voldaan, kan op grond van artikel 15 lid 3 Haags Pro Betekeningsverdrag, vanwege het spoedeisende karakter van deze procedure toch verstek worden verleend. De vorderingen van [eisende partij] wordt toegewezen.

3.De beoordeling

Verlening van verstek

3.1.
Omdat Bitfinex niet is verschenen, moet de vraag worden beantwoord of er verstek tegen Bitfinex kan worden verleend. Daarover overweegt de voorzieningenrechter heeft volgende.
3.2.
Van toepassing is het Haags Betekeningsverdrag. [1] Zowel Nederland als de Britse Maagdeneilanden (de staat waarin Bitfinex gevestigd is) zijn daarbij partij.
3.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het exploot van de dagvaarding met inachtneming van de bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag, de Uitvoeringswet van het verdrag en van artikel 55 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is uitgebracht. Daarnaast stelt [eisende partij] dat de conceptdagvaarding op 26 maart 2026 per e-mail aan Bitfinex is toegestuurd, en het exploot van de dagvaarding op 17 april 2026 per e-mail aan Bitfinex is toegestuurd.
3.4.
Niet gebleken is echter dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid Pro 1 (en 2) van het Haags Betekeningsverdrag is betekend of in persoon aan de gedaagde is afgegeven. Dat brengt in beginsel mee dat, gelet op artikel 15 lid 1 Haags Pro Betekeningsverdrag, (nog) geen verstek kan worden verleend tegen Bitfinex, tenzij aan het bepaalde in artikel 15 lid 3 Haags Pro Betekeningsverdrag toepassing kan worden gegeven. Op grond van artikel 15 lid 3 Haags Pro Betekeningsverdrag kan de rechter “in spoedeisende gevallen” verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde verlenen zonder dat behoeft te blijken dat aan de voorwaarden van artikel 15 Haags Pro Betekeningsverdrag is voldaan. Wel zal met inachtneming van de vereiste spoed zoveel mogelijk, overeenkomstig de doelstelling van het verdrag, gewaarborgd moeten zijn dat een uitgebracht exploot degene voor wie het is bestemd daadwerkelijk bereikt en – indien het om een dagvaarding gaat – zo tijdig dat deze de mogelijkheid heeft verweer te voeren. [2]
3.5.
[eisende partij] vordert de KYC-gegevens en transactieoverzichten, omdat deze noodzakelijk zijn om de identiteit van de oplichters te achterhalen. Dat is van belang voor (het doen van een poging tot) het verhalen van de schade van [eisende partij] op de oplichters, voor en het vervolg van de strafrechtelijke procedure tegen de oplichters. [eisende partij] heeft daarbij een spoedeisend belang zoals artikel 15 lid 3 Haags Pro Betekeningsverdrag vereist, omdat de bewaartermijn van deze gegevens bijna is verstreken.
3.6.
Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter [eisende partij] een termijn van een week gegeven om aanvullende stukken te overleggen waaruit blijkt dat Bitfinex op 17 april 2026 het exploot van de dagvaarding per e-mail heeft toegestuurd gekregen. Op 7 mei 2026 heeft [eisende partij] een akte aanvullende producties ingediend. Tot de daarbij overgelegde producties behoren, voor zover van belang:
  • een e-mail aan de jurist van Bitfinex van 26 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling in dit kort geding is aangezegd en waarin is aangegeven dat als bijlage de conceptdagvaarding is verstuurd,
  • een e-mail van de gerechtsdeurwaarder aan de jurist van Bitfinex van 17 april 2026, waarin de mondelinge behandeling in dit kort geding is aangezegd, waarin om een ontvangstbevestiging wordt gevraagd, en waarin is aangegeven dat als bijlage de dagvaarding en een Engelse vertaling daarvan zijn verstuurd,
  • een document met de naam
  • een document met de naam
  • een e-mail van Bitfinex van 17 april 2026 in reactie op de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 17 april 2026, met een ontvangstbevestiging.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit in voldoende mate, en is hiermee voldoende gewaarborgd, dat de dagvaarding Bitfinex daadwerkelijk heeft bereikt en zo tijdig dat zij nog de mogelijkheid heeft gehad om verweer te voeren. Dat betekent dat – met toepassing van artikel 15 lid 3 Haags Pro Betekeningsverdrag – verstek zal worden verleend tegen Bitfinex.
De vordering van [eisende partij] wordt toegewezen
3.7.
De vordering van [eisende partij] komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen
3.8.
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Bitfinex moet de proceskosten betalen
3.9.
Bitfinex is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:
  • kosten van de dagvaarding € 125,57
  • griffierecht € 735,00
  • salaris advocaat € 760,00
  • nakosten
Totaal € 1.809,57
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verleent verstek tegen Bitfinex,
4.2.
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk om binnen vijf (5) dagen na verzending per e-mail van dit vonnis - alsmede een Engelse vertaling daarvan - naar de adressen [e-mail adres] @bitfinex.com, [e-mail adres] @bitfinex.com en [e-mail adres] @bitfinex.com, aan (de advocaat van) eiser te verstrekken alle identificerende gegevens van de accounthouder(s), waaronder te verstaan de volledige voornamen, achternaam/achternamen, de adres(sen), de postcode(s), de woonplaats(en) en de e-mailadres(en), van de volgende Bitfinex-wallet-adressen:
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres] ,
4.3.
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk om binnen de onder 4.2 genoemde termijn aan eiser te verstrekken de volledige transactieoverzichten - inclusief alle aan- en afboekingen, uitbetalingen in fiat-valuta en/of cryptovaluta, het tijdstip van iedere transactie en de tegenrekeningen of tegenadres(sen) - van de onder 4.2 genoemde account(s), over de periode van 1 december 2022 tot en met de datum van dit vonnis,
4.4.
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de veroordelingen onder 4.2 en 4.3, tot een maximum van € 100.000,00 (zegge: honderdduizend euro),
4.5.
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 1.809,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro indien de proceskosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na verzending van dit vonnis op de onder 4.2 genoemde wijze,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
5984

Voetnoten

1.Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken van 15 november 1965.
2.HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9922, rov. 2.3.