ECLI:NL:RBMNE:2026:304

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/7584
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verlaging Ziektewetuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering over een periode van vier maanden met 100% te verlagen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om deze verlaging te schorsen.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van onverwijlde spoed, hetgeen vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hoewel verzoekster financiële problemen ondervindt, heeft zij niet voldoende aangetoond dat zij in een acute noodsituatie verkeert, zoals dreigende uithuiszetting of afsluiting van essentiële nutsvoorzieningen.

Verzoekster kan een leenbijstand van de gemeente Amersfoort ontvangen, hoewel zij deze heeft ingetrokken vanwege de terugbetalingsverplichtingen. De voorzieningenrechter achtte dit echter geen reden om het spoedeisend belang aan te nemen, mede omdat de verlaging van de uitkering tijdelijk is en bij een geslaagd bezwaar de uitkering met terugwerkende kracht wordt hersteld.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlaging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7584

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het Uwv van 13 november 2025. In dit besluit heeft het Uwv besloten de Ziektewetuitkering van verzoekster van 11 november 2025 tot en met 10 maart 2025 te verlagen met 100%. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. [2] Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er in de tussentijd geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aan. Uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken blijkt dat pas sprake is van een acute financiële noodsituatie bij dreigende acute uithuiszetting, afsluiting van levering van water en energie of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. [3]
5. Verzoekster voert aan dat zij nu geen inkomsten meer heeft en geen recht heeft op overbrugging via het Sociaal Fonds Amersfoort. Daardoor komt zij ernstig in de problemen met de betaling van de vaste lasten. De griffier heeft verzoekster gevraagd om nader te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat er sprake is van een financiële noodsituatie, zoals bijvoorbeeld met recente bankafschriften, of aanmaningen van betalingsachterstanden. Ook heeft de griffier gevraagd of verzoekster beschikt over een brief van de gemeente, waarin staat dat zij geen bijstandsuitkering kan krijgen.
6. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek op 24 en 30 december 2025 kopieën overgelegd van een betalingsherinnering van de Belastingdienst, een aanmaning van de verhuurder, een besluit van de gemeente Amersfoort dat haar verzoek om kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen is afgewezen en een overzicht van haar banksaldo en bankafschriften. Verder heeft verzoekster gemeld dat zij een aanvraag voor algemene bijstand heeft ingediend bij de gemeente Amersfoort en dat zij in de eerste week van januari 2026 een intakegesprek heeft.
7. Op 8 januari 2026 heeft de gemeente Amersfoort besloten aan verzoekster een bijstandsuitkering toe te kennen van € 1.369,06 netto vanaf 24 december 2025, de datum dat verzoekster zich bij de gemeente heeft gemeld. De bijstand is in de vorm van een lening. Op 12 januari 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter bericht dat zij haar aanvraag voor bijstand heeft ingetrokken, omdat de uitkering haar alleen in de vorm van leenbijstand wordt toegekend met maandelijkse aflossingen. Gezien haar huidige financiële positie zou dat leiden tot het ontstaan van aanvullende schulden.
8. De griffier heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te onderbouwen wat het spoedeisend belang is nu zij wel in aanmerking komt voor een leenbijstand. Verzoekster heeft daarop op 26 januari 2026 gereageerd dat leenbijstand in haar situatie zou leiden tot verdere schulden en extra verplichtingen, terwijl haar gezondheid nu ernstig onder druk staat. Verzoekster heeft daarbij vermeld dat haar financiële nood niet op een duurzame of verantwoorde wijze kan worden opgevangen zonder een voorziening van de rechter.
9. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat verzoekster door de verlaging met 100% van haar ZW-uitkering in een fors nadeliger financiële positie terecht is gekomen en de overgelegde stukken geven daar ook inzicht in. Verzoekster heeft echter niet aangetoond dat zij nu tijdens de bezwaarfase in een zodanige financiële noodsituatie dreigt te verkeren dat zij niet (meer) in haar eerste levensbehoeften kan voorzien. Verzoekster heeft namelijk de mogelijkheid om een bijstandsuitkering van de gemeente Amersfoort te ontvangen om zo te voorkomen dat zij in een acute noodsituatie komt. Dat verzoekster haar aanvraag om een bijstandsuitkering heeft ingetrokken, omdat zij geen bijstandsuitkering op leenbasis wenst, geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen. De Ziektewetuitkering wordt vanaf 11 maart 2026 hervat, de leenbijstand is dus voor een korte periode. In het geval verzoeksters gronden in bezwaar slagen, heeft zij met terugwerkende kracht nog recht op haar Ziektewetuitkering. In het geval verzoeksters gronden in bezwaar niet slagen en zij de geleende bijstand in termijnen moet terugbetalen, is het aannemelijk dat de gemeente daarbij de aflossingscapaciteit van verzoekster in acht neemt.

Conclusie en gevolgen

10. De conclusie is dan ook dat - hoe moeilijk de (financiële) situatie van verzoekster nu ook is - er geen spoedeisend belang is waardoor de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter neemt daarbij nog in aanmerking dat het Uwv telefonisch de griffier heeft bericht dat als de gemachtigde van verzoekster de aanvullende gronden in bezwaar bij het Uwv heeft ingediend het onderzoek in bezwaar voortvarend ter hand kan worden genomen.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt dus niet het griffierecht terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
4 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3277, r.o. 4.4.1.