ECLI:NL:RBMNE:2026:3058

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4447
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225, tweede lid, Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken uitzonderingssituatie

De heffingsambtenaar legde op 16 april 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser vanwege het stilstaan van zijn auto op een betaald parkeerplaats zonder betaling.

Eiser voerde aan dat hij slechts kortstondig aanwezig was om een vriend te helpen met het vervoeren van spullen en dat hij in- en uitstapte, waardoor hij niet parkeerde. De heffingsambtenaar stelde dat uit foto’s bleek dat niemand in of rond de auto was en dat geen uitzonderingssituatie was aangetoond.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor de uitzonderingssituatie van onmiddellijk in- en uitstappen of laden en lossen. De hoofdregel dat parkeerbelasting verschuldigd is bij parkeren werd bevestigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van aannemelijk bewijs voor een uitzonderingssituatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4447

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht,verweerder.
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft op 16 april 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 23 juni 2025 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 27 mei 2026. Eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.
1.5
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de auto van eiser met kenteken
[kenteken] op 1 april 2025 om 07:39 uur stilstond op een parkeerplaats aan het Europaplein in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan.
4. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser voert aan dat hij op 1 april 2025 een vriend aan het helpen was met het vervoeren van spullen. Eiser is in- en uit de auto gestapt om spullen tussen zijn auto en de lift te verplaatsen. De achterklep van de auto kan zijn dichtgevallen, of eiser zat net in zijn bus om ruimte te maken, zo stelt hij. Eiser was niet in de veronderstelling dat hij aan het parkeren was, mede omdat hij slechts enkele minuten op de plek aanwezig is geweest.
5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Er is voor de heffingsambtenaar geen aanleiding geweest om te twijfelen of er sprake was van parkeren. Uit de foto’s die zijn opgenomen in het brondocument blijkt dat niemand zich in of rond het voertuig bevindt. Dat sprake zou zijn van een uitzonderingssituatie zoals het in- en uitstappen van personen of het laden en lossen van spullen is volgens de heffingsambtenaar niet door eiser aannemelijk gemaakt.
6. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn betoog. De hoofdregel is dat degene die zijn voertuig parkeert op een betaald parkeren plaats, parkeerbelasting is verschuldigd. Het onmiddellijk laten in- of uitstappen van personen en het laden en lossen van zaken zijn daarop uitzonderingen. [1] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is geweest. [2] De heffingsambtenaar heeft bij het verweerschrift het brondocument overgelegd met daarin foto’s van de scanauto. Op de foto’s is te zien dat de auto recht in een parkeervak staat. Rondom de auto zijn geen personen te zien. Ook zijn er geen personen in het voertuig te zien. Ook eiser heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat zich een van de hierboven genoemde uitzonderingen voordoen. Gelet daarop is niet aannemelijk dat sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of van het laden en lossen van zaken. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag dus terecht opgelegd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond en er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
8. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit art. 225, tweede lid, van de Gemeentewet.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4311.