Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3139

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
26/2683
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174a GemeentewetArt. 4:8 AwbArt. 4:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens beschieting en verstoring openbare orde

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde op 17 april 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Amersfoort om de woning van verzoeker te sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b van de Gemeentewet. De sluiting volgde op een incident waarbij de woning werd beschoten, met vondst van kogelhulzen en inschotpatroon in het raam, wat leidde tot ernstige verstoring van de openbare orde.

Verzoeker betwistte de sluiting en voerde onder meer aan dat hij niet in de gelegenheid was gesteld een zienswijze te geven, dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een structurele verstoring, en dat de burgemeester niet had onderzocht of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. Ook stelde verzoeker dat de rapportages een onjuiste voorstelling van zaken geven en dat de maatregel onevenredig is gezien zijn persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van verwijtbaarheid.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was en dat het incident met de beschieting en de maatschappelijke onrust een ernstige verstoring van de openbare orde vormde. De burgemeester was bevoegd en mocht in redelijkheid de woning sluiten, mede gelet op de ernst van het incident, de registraties van verzoeker in het politiesysteem en het ontbreken van een verdachte. Minder ingrijpende maatregelen boden onvoldoende bescherming.

Hoewel de motivering van het besluit tekort schoot op het punt van noodzakelijkheid en evenwichtigheid, kon dit in de bezwaarfase worden hersteld. De belangenafweging wees uit dat het belang van bescherming en herstel van de openbare orde zwaarder woog dan de belangen van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de woning bleef gesloten tot 1 mei 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen en de woning blijft gesloten tot 1 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2683
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.S.F. ten Kortenaar),
en

de burgemeester van Amersfoort

(gemachtigde: drs. mr. H. Maaijen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

Woningcorporatie De Alliantie (gemachtigden: mevr. C. Brust en dhr. H. Berhane).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester om de woning aan de [adres] in [plaats] te sluiten.
1.1.
Op 7 april 2026 heeft de burgemeester op schrift gesteld dat hij de huurwoning van verzoeker per 3 april 2026, op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b van de Gemeentewet heeft gesloten tot 1 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigden van De Alliantie.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hieronder wordt toegelicht hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zodanig gebrekkig is dat het in heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal daarom allereerst beoordelen of de bezwaargronden van verzoeker een redelijke kans van slagen hebben.
3.1.
De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang is gegeven. De woning van verzoeker is op 3 april 2026 gesloten, als gevolg waarvan hij daar niet meer kan verblijven. In dat kader heeft verzoeker er ook op gewezen dat hij op 2 april 2026 onder voorwaarden is vrijgekomen uit detentie. Een van de voorwaarden van zijn vrijlating is dat verzoeker van vrijdag tot zondagavond aan de [adres] in [plaats] verblijft. Sluiting van de woning heeft daarom ook invloed op de naleving van deze voorwaarden.
Het spoedeisend belang is verder ook niet in geschil.
Wat is de aanleiding geweest om de woning te sluiten?
5. Op vrijdag 3 april 2026 ontvangt de politie een melding van verzoeker dat hij een kogelhuls heeft aangetroffen voor zijn woning. Bij aankomst van de politie wordt nog een kogelhuls gevonden en worden er ook twee gaten in het raam van verzoeker zijn woning aangetroffen. In de bestuurlijke rapportage van 4 april 2026 staat dat deze gaten in het raam typisch zijn voor een inschotpatroon. In deze bestuurlijke rapportage is ook vermeld dat verzoeker aan de politie heeft verklaard dat hij onlangs met de dood is bedreigd door de ex-partner van zijn huidige vriendin. Deze ex-partner is bekend bij de politie vanwege criminele activiteiten. Verder staat in de bestuurlijke rapportage vermeld dat verzoeker verder geen verklaring meer heeft afgelegd over het incident, tot het moment van schrijven van de bestuurlijke rapportage van 4 april 2026, omdat hij daar na het wachten geen zin meer in had. Hij gaf daarbij aan dat hij het zelf wel zou gaan oplossen met een vuurwapen. Na aandringen van de politie is hij na het incident wél meegegaan naar het bureau, met de bedoeling een verklaring af te leggen.
6. In de bestuurlijke rapportage worden ook de bevindingen uit het buurtonderzoek weergegeven. Volgens bewoners hoorden zij omstreeks 01:30 uur twee harde knallen. Uit het onderzoek blijkt ook dat meerdere bewoners zich niet meer veilig voelen in de straat en hun kinderen om die reden niet buiten laten spelen sinds verzoeker in de straat woont.
7. Uit de bestuurlijke rapportage van 4 april 2026 blijkt voorts dat verzoeker geen relevante antecedenten op zijn naam heeft staan in de afgelopen 5 jaar. Wel zijn er in de afgelopen 5 jaar 400 registraties in het politiesysteem teruggevonden waarin verzoeker voorkomt. Enkele registraties zijn opgenomen in die bestuurlijke rapportage. In de bestuurlijk rapportage van 13 april 2026 is nog vermeld dat niet alle 400 registraties verband houden met de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] . Wel staat – volgens de bestuurlijke rapportage – vast dat verzoeker zeer regelmatig in beeld komt met ruzies en relationele conflicten, veelal met zijn (ex-) partners.
Wat vindt verzoeker?
8. Verzoeker stelt voorop dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze te geven over de eventuele woningsluiting, wat onder andere maakt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen.
9. Over de toepassing van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet - door de burgemeester - stelt verzoeker dat er geen concrete en objectieve aanwijzingen zijn dat er sprake is van een structurele verstoring van de openbare orde of van een ernstige en actuele vrees voor herhaling daarvan. De enkele omstandigheid dat sprake is geweest van een ernstig incident is onvoldoende om deze zware bevoegdheid toe te passen. De burgemeester heeft bovendien niet onderzocht of er ook een minder ingrijpende maatregel opgelegd kon worden, zoals politiesurveillance of cameratoezicht.
10. Verzoeker heeft op de zitting verder uitgelegd dat de rapportages een verkeerde voorstelling van zaken geven. Na het incident heeft hij nooit gezegd dat hij het zelf wel zou oplossen met een wapen. Hij heeft enkel verklaard dat hij zelf wel op onderzoek zou uitgaan. Daarbij wijst hij er op dat hij 3 uur heeft moeten wachten op zijn politieverhoor. Verzoeker geeft verder aan dat de in de bestuurlijke rapportages genoemde incidenten en registraties een onjuiste voorstelling van zaken geven. Zo heeft hij zijn ex-partner nooit gestoken, maar heeft zij hem juist aangevallen en is de zaak inmiddels ook geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. Datzelfde geldt voor de zaak over dat verzoeker zijn ex-partner zou hebben bedreigd op 26 maart 2026. Wat betreft verzoeker zijn verklaring over wie er mogelijk heeft geschoten op zijn woning, verklaart hij op zitting dat het niet de ex-partner van zijn huidige vriendin is waar hij over heeft verklaard, maar dat het een vrouw betreft waar hij eerder wat mee heeft gehad. Over de verklaring zelf zegt verzoeker dat hij deze persoon alleen verdacht, omdat er stevig werd doorgevraagd door de politie en hij verder niemand kon bedenken. Verzoeker heeft namelijk al eerder ruzie gehad met deze persoon. Deze persoon staat ook bekend om het plegen van aanslagen met vuurwerk en zit daar nu ook voor in hechtenis.
11. Verder voert verzoeker aan dat de sluiting van zijn woning in zijn concrete geval onevenwichtig is. Hierbij is van belang dat verzoeker geen enkel verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het incident. De burgemeester heeft zich er verder onvoldoende van vergewist wat de persoonlijke situatie is van verzoeker. Verzoeker heeft op de zitting uitgelegd dat dit ook blijkt uit de enkele overweging in het besluit dat verzoeker wel bij familie kan verblijven. Volgens verzoeker klopt dit niet. Hij heeft in hotels moeten slapen en ook af en toe in zijn auto, omdat de hotelovernachtingen te duur worden. Ook wijst hij op de schorsende voorwaarden waaronder hij uit detentie is vrijgelaten. Een van de voorwaarden is dat hij in zijn woning moet verblijven. Indien hij niet aan deze voorwaarde voldoet kan hij weer worden gedetineerd. Daarnaast is er een reële kans dat verzoeker zijn woning voorgoed kwijtraakt, in het geval dat zijn verhuurder besluit zijn huurcontract te ontbinden.
12. Verzoeker stelt ook dat de burgemeester zijn bevoegdheid willekeurig inzet. Bij een explosie op 7 april 2026 voor een andere woning is de burgemeester namelijk niet overgegaan tot sluiting daarvan.
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
13. De burgemeester is op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet bevoegd om een woning te sluiten als door ernstig geweld of bedreiging daarmee, in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning de openbare orde rond de woning ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring. De verstoring van de openbare orde in de zin van sub b moet een specifieke oorzaak hebben, namelijk ernstig geweld of bedreiging daarmee. Een evident voorbeeld betreft het beschieten van de woning. [1]
14. De voorzieningenrechter constateert dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat er voor het huis van verzoeker twee kogelhulzen zijn gevonden en twee gaten in het raam zijn aangetroffen, die volgens de politie typisch zijn voor een inschotpatroon. Ook is in de bestuurlijke rapportage opgenomen dat bewoners omstreeks 01.30 uur twee harde knallen hoorden. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat dit incident is aan te merken als ernstig geweld waardoor de openbare orde ernstig is verstoord. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de oorzaak van de openbare ordeverstoring, in de zin van artikel 174a, eerste lid, sub b, van de Gemeentewet ernstig geweld of bedreiging daarmee moet zijn en dat het beschieten van een woning daar een evident voorbeeld van is. De maatschappelijke onrust die onder de buurtbewoners heerst naar aanleiding van het incident – maar ook daarvoor al – laat een concreet gevolg zien van de openbare ordeverstoring rond verzoeker zijn woning. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester dan ook bevoegd om de woning te sluiten.
Kon de burgemeester in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten?
15. Bij beantwoording van de vraag of de burgemeester in redelijkheid gebruik kan maken van de bevoegdheid om de woning te sluiten, dient gekeken te worden naar de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de maatregel in het concrete geval.
16. Uit jurisprudentie van de Afdeling [2] volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet dus worden beoordeeld of sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
17. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk mogen vinden. Verzoeker is op 2 april 2026 vrijgekomen uit detentie, waarna zijn tussenwoning direct in de nacht van 2 op 3 april 2026 is beschoten. Hij heeft toen zelf verklaard dat de dader de ex-vriend van een vrouw kon zijn waarmee verzoeker ooit iets heeft gehad en dat hij eerder door deze persoon met de dood is bedreigd. Dat hij dat alleen maar gezegd zou hebben, omdat de politie doorvroeg en dit de enige persoon was waar hij bij doorvragen door de politie aan dacht, maakt deze verklaring niet anders. De voorzieningenrechter vindt verder dat deze verklaring ook past bij de beschreven registraties in de bestuurlijke rapportages. Verzoeker heeft weliswaar bij een aantal registraties meer context gegeven en deze ook genuanceerd. Maar ook uitgaande van deze context en nuancering, blijft sprake van een beeld dat verzoeker regelmatig is betrokken bij conflicten of incidenten die verband houden met de relationele sfeer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester deze registraties dan ook bij het besluit tot sluiting mogen betrekken. Gelet op het ernstige geweldsincident bij de woning van verzoeker, het aantal registraties, de aard daarvan en de eigen verklaring heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat het waarschijnlijk is dat de ernstige openbare orde verstoring nog langer voort zal duren en heeft de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk mogen vinden. Daarbij vindt de voorzieningenrechter ook van belang dat er na onderzoek van de politie nog geen verdachte is aangehouden en dat de politie heeft opgemerkt dat de kans op herhaling reëel wordt geacht. De voorzieningenrechter is het verder met de burgemeester eens dat de inzet van cameratoezicht of politiesurveillance in dit geval niet de nodige en voortdurende bescherming zullen bieden om de doelen van de woningsluiting te kunnen bereiken
18. Met betrekking tot de evenwichtigheid van de maatregel overweegt de voorzieningenrechter dat het inherent is aan een woningsluiting dat verzoeker zijn woning moet verlaten. Tijdens de zitting heeft verzoeker uitgelegd dat hij een verzoek heeft gedaan bij het Openbaar Ministerie om de voorwaarden van zijn vrijlating te laten wijzigen. Het verzoek ziet op het adres waar hij moet verblijven. Verzoeker heeft namelijk verzocht om bij een vriend in Leeuwarden te mogen verblijven. De voorzieningenrechter begrijpt dat de omstandigheden - dat hij kosten moet maken voor hotels en dat hij voor zijn werk en meldplicht zal moeten reizen tussen [plaats] en Leeuwarden - verre van ideaal zijn voor verzoeker. Verzoeker heeft echter niet onderbouwd dat dit voor hem financieel onmogelijk of anderszins onhaalbaar is. Verder heeft de burgemeester tijdens de zitting aangegeven dat hij bereid is om mee te denken over onderdak op het moment dat verzoeker echt nergens terecht kan. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter leiden deze omstandigheden dus niet tot het oordeel dat de woningsluiting onevenredig is. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de ontbrekende verwijtbaarheid in dit geval ook niet leidt tot het voorlopige oordeel dat de woningsluiting onevenredig is. De burgemeester heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de woning is gesloten ter bescherming van de openbare orde, de veiligheid van omwonenden en ook voor de veiligheid van verzoeker zelf. Hoewel de sluiting van de woning veel impact heeft op verzoeker heeft de burgemeester het belang van de bescherming van de openbare orde gelet op de aard en de ernst van het incident in dit geval zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker.
19. Verzoeker heeft verder nog gewezen op andere geweldsincidenten in [plaats] die volgens hem niet tot een sluiting hebben geleid. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat bij elk incident een individuele afweging plaatsvindt van de noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij ook eerdere incidenten met betrekking tot de woning of betrokkenen een rol kunnen spelen. Dat in dit geval sprake was van gelijke gevallen met gelijke omstandigheden, is niet gebleken.
Had de burgemeester verzoeker in de gelegenheid moeten stellen om een zienswijze in te dienen?20. De burgemeester is in beginsel gehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze te geven over een eventuele woningsluiting, maar kan dit achterwege laten voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet. Dat volgt uit artikel 4:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op wat hiervoor in deze uitspraak is overwogen, was naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van dergelijke vereiste spoed en heeft de burgemeester het vragen van een zienswijze achterwege kunnen laten.
Conclusie over het bezwaar
21. Gezien wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft besproken, is de voorzieningenrecht van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Zoals de burgemeester zelf ook al heeft erkend op de zitting, is de voorzieningenrechter wél van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit – met name ten aanzien van de noodzakelijkheid en evenwichtigheid – tekort schiet. Dit gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase, waardoor de voorzieningenrechter ook daarin geen aanleiding ziet om aan te nemen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
22. De voorzieningenrechter weegt ook altijd nog zelf de belangen af. Als het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, is er weinig ruimte om alsnog een voorlopige voorziening te treffen en komt er meer gewicht toe aan het belang dat is gediend met het besluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang dat met het bestreden besluit is gediend, namelijk bescherming en herstel van de openbare orde, zwaarder weegt dan de belangen van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

23. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst en dat de woning van verzoeker dus gesloten blijft tot 1 mei 2026. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
24. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026 door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas , griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 36217 nr. 3 2022/2023.