ECLI:NL:RBMNE:2026:314

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2834
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WpgArt. 28 WpgArt. 4:17 AwbArt. 7 Handvest grondrechten EUArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vernietiging en rectificatie van politiegegevens wegens rechtmatige verwerking

Eiser verzocht de korpschef van politie om vernietiging en rectificatie van bepaalde politiegegevens die van hem zijn verwerkt. De korpschef wees dit verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank oordeelde dat de politiegegevens van eiser niet in strijd met wettelijke voorschriften zijn verwerkt. De gegevens zijn noodzakelijk voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak en mogen niet uitsluitend worden gebruikt voor het oplossen van cold cases, zoals eiser betoogde. Ook is geen sprake van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of andere grondrechten.

Ten aanzien van de rectificatieverzoek stelde eiser dat onjuiste feiten waren opgenomen in een mutatie, maar de rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gegevens onjuist waren. De verklaring van de politieagent werd als betrouwbaar beschouwd.

Verder wees de rechtbank de vrees van eiser dat de bewaartermijn zou worden overschreden af, omdat geen aanwijzingen waren dat de korpschef de bewaartermijnen niet naleeft. Ook werd het beroep op dwangsommen wegens vermeende te late besluitvorming verworpen, omdat de korpschef binnen de wettelijke termijn had beslist.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het verzoek tot vernietiging en rectificatie van de politiegegevens werd afgewezen en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot vernietiging en rectificatie van politiegegevens wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

aacaRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de korpschef van politie

(gemachtigden: mr. S.S. Madarie en M.J. Telderman-Veltman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser bij de korpschef om vernietiging en rectificatie van een aantal van zijn door de politie verwerkte politiegegevens. De korpschef heeft dit verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met die afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de korpschef terecht het verzoek om vernietiging en rectificatie van de politiegegevens van eiser heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef zowel het verzoek om vernietiging als het verzoek om rectificatie terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft de korpschef verzocht om zijn politiegegevens uit een drietal mutaties te vernietigen en uit een mutatie te rectificeren.
2.1.
De korpschef heeft dit verzoek afgewezen (het bestreden besluit).
2.2.
Eiser heeft rechtstreeks beroep aangetekend tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

Is het verzoek om vernietiging terecht afgewezen?
3. Eiser heeft verzocht om vernietiging van zijn politiegegevens uit een drietal mutaties. Tijdens de zitting is vastgesteld dat het eiser enkel nog te doen is om de vernietiging van zijn politiegegevens uit de mutatie van 10 september 2024. Eiser vindt – kort samengevat – dat zijn politiegegevens in die mutatie zijn verwerkt op grond van artikel 8 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg). Volgens eiser kunnen de gegevens die zijn verwerkt in de zin van dat artikel alleen worden gebruikt voor het oplossen van ‘cold cases’ en niet voor andere doelen. Eiser geeft aan dat de informatie uit deze mutatie regelmatig wordt gebruikt als hij staande wordt gehouden door de politie. Daaruit concludeert eiser dat zijn gegevens dus niet zijn verwerkt en worden gebruikt conform de wettelijke doeleinden, namelijk het gebruik voor het oplossen van cold cases. Daarom moeten deze gegevens worden vernietigd. Omdat zijn gegevens niet worden verwerkt conform de wettelijke doeleinden, vindt eiser ook dat er sprake is van een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en dat er in strijd wordt gehandeld met de waarborgen met betrekking tot noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. [1]
3.1.
De korpschef stelt dat eisers politiegegevens zijn verwerkt ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Deze gegevens zijn noodzakelijk voor de uitvoering van die dagelijkse politietaak en daarom zijn deze ook niet verwerkt in strijd met de grondrechten die eiser aanhaalt.
3.2.
De rechtbank benadrukt allereerst dat iemand het recht heeft op vernietiging van de hem betreffende politiegegevens indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of als dat nodig is om te voldoen aan een wettelijke verplichting. [2] De rechtbank oordeelt dat de politiegegevens van eiser niet zijn verwerkt in strijd met een wettelijk voorschrift of dat het nodig is om deze te vernietigen om aan een wettelijke verplichting te voldoen. Eisers politiegegevens zijn namelijk verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak. [3] In de wet staat dat eisers politiegegevens in dat verband mogen worden verwerkt. Het is dus niet zo dat eisers gegevens alleen mogen worden verwerkt en gebruikt voor het oplossen van cold cases. Dat volgt niet uit de wet. Tijdens de zitting hebben de gemachtigden van de korpschef bovendien ook uitgelegd dat de verwerking van de politiegegevens van eiser noodzakelijk is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
3.3.
De rechtbank volgt daarnaast eiser niet in zijn standpunt dat zijn grondrechten zijn geschonden, omdat zijn gegevens niet zijn verwerkt conform de wettelijke doeleinden. Zoals gezegd, heeft de korpschef de gegevens wel conform de wettelijke doeleinden verwerkt. Van de door eiser gestelde ongerechtvaardigde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en schending van de andere aangehaalde grondrechten is daarom geen sprake.
3.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het verzoek om rectificatie terecht afgewezen?
4. Eiser verzoekt verder om rectificatie van zijn politiegegevens in de mutatie van 12 mei 2024. In die mutatie wordt eiser als melder genoemd, terwijl hij dat volgens hem niet was. Hij kwam terug van een rondje hardlopen toen hij zag dat zijn straat deels was afgezet vanwege een plaats delict. Hierdoor kon eiser niet naar zijn huis toe. In de mutatie staat vervolgens dat eiser onder het politielint is gelopen, een politieagent hem vorderde dat niet te doen en eiser daar niet naar heeft geluisterd. Dat is volgens eiser niet gebeurd. Eiser stelt dat hij heeft gewacht totdat een andere politieagent hem heeft begeleid naar zijn huis. Eiser wil dat dit wordt gerectificeerd. Omdat er onjuiste informatie is verwerkt, vindt eiser ook in dit verband dat er sprake is van een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en dat er in strijd is gehandeld met de waarborgen met betrekking tot noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
4.1.
De korpschef stelt kort gezegd dat hij uitgaat van wat er in het mutatierapport staat, namelijk dat eiser wel onder het politielint is doorgelopen en niet heeft geluisterd naar de vordering van de politieagent. Dat is nogmaals bevestigd in een aanvullende verklaring van de betreffende politieagent. De korpschef ziet dus geen aanleiding om het mutatierapport te rectificeren. Daarbij heeft de korpschef op zitting ook toegelicht dat hij geen aanleiding ziet om een aanvullende verklaring van eiser in deze mutatie op te nemen over hoe hij de situatie ziet.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat rectificatie [4] niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee eiser zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Voor zover het verzoek betrekking heeft op feitelijke gegevens, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat deze gegevens onjuist zijn. [5] Daarin is eiser niet geslaagd. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de politieagent dat eiser onder het politielint is doorgelopen en niet aan de vordering heeft voldaan. De betreffende politieagent heeft dat later per mail nogmaals bevestigd. Eiser heeft met de enkele stelling dat het anders is gegaan dan in de mutatie is omschreven, niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn.
4.3.
De rechtbank volgt eiser daarnaast niet in zijn standpunt dat zijn grondrechten zijn geschonden omdat er onjuiste gegevens zijn verwerkt. Zoals gezegd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er onjuiste gegevens zijn verwerkt. Van de door eiser gestelde ongerechtvaardigde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en schending van de andere aangehaalde grondrechten is daarom geen sprake.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bewaartermijn geschonden?
5. Eiser vreest verder dat als zijn verzoek om vernietiging en rectificatie niet wordt toegewezen, zijn gegevens door de korpschef langer worden bewaard dan is toegestaan.
5.1.
De korpschef geeft aan dat de mutaties niet in strijd met de wettelijke bewaartermijnen worden bewaard.
5.2.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat de korpschef zich niet zal houden aan de in de Wpg gestelde bewaartermijnen. Dat eiser zich zorgen maakt dat de bewaartermijn zal worden geschonden, is een situatie die in de toekomst ligt en waar de rechtbank nu dus niet over kan oordelen.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsommen vanwege te late besluitvorming?
6. Ten slotte betoogt eiser dat hij aanspraak maakt op dwangsommen omdat de korpschef te laat op zijn verzoek heeft beslist. Ook vindt eiser dat onterecht is gesteld dat hij in verzuim was omdat hij in eerste instantie geen kopie van zijn identiteitsbewijs wilde sturen. Die verplichting volgt volgens eiser niet uit de wet.
6.1.
De korpschef stelt kort samengevat dat hij binnen de wettelijke belsistermijn is gebleven en daarom geen dwangsommen aan eiser is verschuldigd.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de korpschef het verzoek van eiser om vernietiging en rectificatie op 19 februari 2025 heeft ontvangen. Eiser heeft de korpschef op 18 maart 2025 in gebreke gesteld. De termijn om te beslissen op het verzoek was toen nog niet verlopen. Die verliep namelijk pas op 19 maart 2025. De ingebrekestelling was dus te vroeg. Voor zover eiser in zijn brief van 21 maart 2025 de korpschef opnieuw in gebreke heeft willen stellen, geldt dat de korpschef vanaf dat moment nog steeds twee weken had om te beslissen op eisers verzoek, dus uiterlijk op 4 april 2025. De korpschef heeft binnen die twee weken beslist, namelijk op 2 april 2025. Dat betekent dat eiser dus geen aanspraak maakt op dwangsommen [6] en ook geen belang meer heeft bij de vraag of terecht is gesteld dat hij in verzuim was. Hij heeft immers op 21 maart 2025 alsnog een kopie van zijn identiteitsbewijs gestuurd en dit heeft dus geen invloed gehad op de beslistermijn voor de korpschef.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef terecht het verzoek om vernietiging en rectificatie heeft afgewezen. De politiegegevens van eiser worden dus niet vernietigd en gerectificeerd. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 10 van Pro de Grondwet, artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 7 en Pro 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.Artikel 28, tweede lid, van de Wpg.
3.Artikel 8, eerste lid, van de Wpg.
4.In de zin van artikel 28, eerste lid, van de Wpg.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2602, r.o. 4.2.
6.Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb.