De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 mei 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen bij de aangever in een hotelkamer in Leuven op 26 november 2022. De aangever en verdachte deelden een hotelkamer tijdens een bedrijfsuitje, waarbij de aangever verklaarde dat hij wakker werd door ontuchtige handelingen van verdachte. De verdachte ontkende dit en stelde dat hij direct ging slapen.
De verklaringen van aangever en verdachte liepen uiteen, waarbij de aangever aangaf dat verdachte zijn penis in zijn mond had gestopt en later met zijn hand aan zijn geslachtsdeel zat. Getuigen bevestigden het horen van geschreeuw en de emotionele toestand van de aangever kort na het incident. Echter, de rechtbank vond het ondersteunend bewijs onvoldoende om met de vereiste zekerheid vast te stellen wat er precies is gebeurd.
De rechtbank benadrukte dat het niet twijfelt aan de betrouwbaarheid van de aangever, maar dat een veroordeling alleen kan plaatsvinden als het bewijs overtuigend is. Door de tegenstrijdige verklaringen, de tijdstippen van slapen en ontwaken, de inrichting van de kamer en het ontbreken van voldoende steunbewijs, sprak de rechtbank verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken.