Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3151

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
13.130201.23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 344 lid 1 sub 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in zedenzaak hotelkamer Leuven

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 mei 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen bij de aangever in een hotelkamer in Leuven op 26 november 2022. De aangever en verdachte deelden een hotelkamer tijdens een bedrijfsuitje, waarbij de aangever verklaarde dat hij wakker werd door ontuchtige handelingen van verdachte. De verdachte ontkende dit en stelde dat hij direct ging slapen.

De verklaringen van aangever en verdachte liepen uiteen, waarbij de aangever aangaf dat verdachte zijn penis in zijn mond had gestopt en later met zijn hand aan zijn geslachtsdeel zat. Getuigen bevestigden het horen van geschreeuw en de emotionele toestand van de aangever kort na het incident. Echter, de rechtbank vond het ondersteunend bewijs onvoldoende om met de vereiste zekerheid vast te stellen wat er precies is gebeurd.

De rechtbank benadrukte dat het niet twijfelt aan de betrouwbaarheid van de aangever, maar dat een veroordeling alleen kan plaatsvinden als het bewijs overtuigend is. Door de tegenstrijdige verklaringen, de tijdstippen van slapen en ontwaken, de inrichting van de kamer en het ontbreken van voldoende steunbewijs, sprak de rechtbank verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 13.130201.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,
adres [adres] , [postcode] in [plaats]
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Kamper;
  • de advocaat van de verdachte: mr. T. Prijn (hierna: de advocaat);
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. N. Faber.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 26 november 2022 in Leuven (Vlaams-Brabant) ontuchtige handelingen bij [aangever] verricht heeft, terwijl die [aangever] op dat moment lag te slapen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op basis van de aangifte en de verklaringen van de getuigen kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan het plegen van ontuchtige handelingen bij de aangever, die op dat moment niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen, omdat hij lag te slapen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het strafdossier [1] . De aangever en de verdachte hadden samen een bedrijfsuitje in Leuven, België, en deelden in de nacht van 26 op 27 november 2022 een hotelkamer. De aangever is als eerste naar de kamer gegaan en vervolgens gaan slapen. Op enig moment daarna is de verdachte naar de kamer gegaan. De bedden van de aangever en de verdachte stonden apart van elkaar, met een kleine afstand ertussen. De aangever verklaart dat hij wakker werd doordat de verdachte ontuchtige handelingen bij hem deed. De aangever is hierna de gang op gelopen waar op dat moment een collega aanwezig was. Vervolgens is ook de verdachte de gang opgegaan. De aangever is naar een andere kamer gegaan en de verdachte is teruggekeerd naar de hotelkamer.
Uiteenlopende verklaringen
Over wat er zich precies in de hotelkamer heeft afgespeeld lopen de verklaringen van de verdachte en de aangever uiteen. De aangever heeft verklaard dat hij om 03:00 uur is gaan slapen en dat hij om 05:00 uur wakker werd omdat de verdachte aan hem zat. Hij voelde dat de verdachte de penis van de aangever in zijn mond had gestopt. Nadat de aangever zich had weggedraaid van de verdachte, voelde hij dat de hand van de verdachte aan zijn geslachtsdeel zat. Vervolgens heeft hij deze hand weggeduwd. Daarna is hij uit bed gesprongen, heeft het licht aangedaan en is aangever tegen verdachte gaan schreeuwen. Daarna heeft de aangever de kamer verlaten [2] .
Tegenover de verklaring van aangever staat de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij rond 03:30 / 03:45 uur op de kamer kwam en toen meteen is gaan slapen. Verdachte is tussen 05:00 en 05:15 uur wakker geworden toen aangever het licht had aangedaan en aan het einde van zijn bed stond. Wat aangever op dat moment precies heeft gezegd, weet de verdachte niet meer. Hij zag wel een bepaalde emotie bij aangever en is na zijn vertrek uit de hotelkamer achter hem aangelopen. De verdachte heeft bij de politie en op de zitting ontkend dat hij ontuchtige handelingen bij de aangever heeft verricht [3] .
Bewijs in zedenzaken
In zedenzaken gaat het vaak om (beweerde) seksuele handelingen waarbij alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader aanwezig waren. De aangever zegt dat de verdachte het gedaan heeft en de verdachte zegt dat hij het niet gedaan heeft. Bij de beoordeling komt het aan op een zorgvuldige waardering en afweging van verklaringen die elkaar tegenspreken.
De rechter mag niet op basis van de verklaring van één getuige (in dit geval de aangever) oordelen dat bewezen is dat de verdachte het heeft gedaan, als de door die getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan [4] . Naast de aangifte is dus ander bewijs (steunbewijs) nodig. Deze regel is er om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Als dat steunbewijs er is, dan moet worden beoordeeld of het geheel van de het bewijsmateriaal de rechtbank ervan overtuigt dat de verdachte gedaan heeft waarvan hij beschuldigd wordt.
Beoordeling
De verklaringen van aangever vinden op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. Zo verklaart getuige [getuige] dat hij op een kamer geschreeuw hoorde waarbij er werd gezegd: ‘dit kan niet, dit mag niet’ en ‘je hebt mijn vertrouwen geschaad’. Hierna zag hij dat aangever uit de kamer kwam waar geschreeuwd werd. Deze getuige heeft ook verklaard dat aangever huilend, trillend en bibberend zijn verhaal over wat er op de kamer gebeurd was aan hem had verteld [5] . Daarnaast is er de verklaring van getuige Hoeksel die door aangever in de vroege ochtend van 27 november 2022 gebeld is. Zij heeft verklaard dat aangever vertelde dat hij was aangerand en dat hij op dat moment ‘helemaal over de rooie was en aan het snikken’ [6] .
Waarnemingen van de emotionele of fysieke toestand van het (vermeende) slachtoffer kort na het moment dat het strafbare feit zou zijn gepleegd kunnen van waarde zijn voor de vraag of er voldoende wettig bewijs is en bij de vraag of het wettig bewijs overtuigend is.
De rechtbank is er echter niet van overtuigd geraakt dat de verdachte gedaan heeft waar hij van beschuldigd wordt, omdat het ondersteunend bewijs van onvoldoende gewicht is om met de vereiste mate van zekerheid vast te stellen wat er die nacht precies is gebeurd in de hotelkamer. Dat er in de hotelkamer in Leuven dingen gebeurd zijn die door de aangever zo zijn ervaren zoals hij in zijn aangifte verklaart neemt de rechtbank aan. Het is dan ook begrijpelijk dat de aangever heeft geschreeuwd naar de verdachte en daarna emotioneel was, zoals door diverse getuigen is gehoord en waargenomen. Maar wat er precies is gebeurd en in welke toestand de aangever en/of de verdachte was is niet helemaal duidelijk.
Daarvoor is van belang dat de verdachte vanaf kort nadat het gebeurd zou zijn heeft ontkend dat hij iets heeft gedaan of in ieder geval heeft aangegeven dat hij niet weet waarom de aangever zo boos en emotioneel was. Dit wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] die de verdachte achter de aangever de gang op ziet komen en iets hoort zeggen over dat sprake zou zijn van een misverstand. En dit volgt ook uit het Whatsapp bericht van de verdachte aan de aangever om 05:41 uur in de nacht van 26 op 27 november 2022 dat hij niet weet wat er gebeurd is. Verdachte schrijft: ‘sorry
alsik je iets aangedaan heb!’. Dit bericht lijkt erop te wijzen dat de verdachte niet wist
dathij aangever iets aangedaan zou hebben. Ook bij het verhoor bij de politie en op de zitting is de verdachte bij zijn verhaal gebleven.
Verder is het niet onwaarschijnlijk dat de verdachte mogelijk ook in slaap was rond het tijdstip dat de aangever zegt dat het gebeurd is (05:00 uur). Zowel de aangever als verdachte kwamen pas na een lange dag, waar ook veel alcohol gedronken is, in de nacht terug op de kamer. De aangever heeft verklaard rond 03:00 uur te zijn gaan slapen en de verdachte heeft verklaard rond 03:30/ 03:45 uur op de kamer te zijn aangekomen en hierna direct te zijn gaan slapen. Er zit geen bewijs in het dossier dat de verdachte later in hotel zou zijn gekomen.
Gelet op de tijdspanne tussen het moment van aankomst in de kamer van de verdachte en het moment dat de aangever wakker wordt, in combinatie met de hoeveelheid alcohol die gedronken is, is het dus niet onwaarschijnlijk dat de verdachte op dat moment in slaap was.
Ten slotte is er ook onvoldoende zekerheid over de mogelijkheid van de door de aangever beschreven handelingen van de verdachte, in combinatie met wat de aangever heeft verklaard over wat hij daarna gedaan heeft en kijkend naar de inrichting van de hotelkamer. De verdachte zou namelijk met zijn mond om de penis van de aangever hebben gezeten, waarna de aangever is weggedraaid en toen zou de verdachte nog met zijn hand aan de penis van de aangever hebben gezeten, waardoor hij met zijn arm over de aangever heen moet zijn geweest. Uit de verklaringen van de aangever en de verdachte volgt echter ook dat de bedden niet tegen elkaar aan stonden, terwijl de verdachte volgens de aangever in zijn bed bevond toen hij uit zijn bed sprong.
Al met al blijft de rechtbank met vraagtekens zitten over wat er precies is gebeurd die nacht. En die vraagtekens betekenen dat de rechtbank niet de vereiste overtuiging heeft dat de verdachte het feit heeft begaan. De rechtbank wil nogmaals benadrukken dat dit niet betekent dat zij de aangever niet gelooft of niet betrouwbaar vindt. Maar zoals hiervoor is uitgelegd kan iemand alleen veroordeeld worden als dit buiten redelijke twijfel en met overtuiging kan worden vastgesteld. Dat is hier niet het geval, en daarom dient de rechtbank de verdachte vrij te spreken.

4.Vordering benadeelde partij

4.1.
Vordering van de benadeelde partij [aangever]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.912.83, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.412,83 voor vergoeding van materiële schade en € 3.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
4.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 november 2022 te Leuven (Vlaams-Brabant), in elk geval in
België,
met [aangever] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid,
verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening
en/of verstandelijke handicap leed dat die [aangever] niet of onvolkomen in staat was zijn
wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,
immers lag voornoemde [aangever] te slapen, en/of was hij aan het ontwaken en/of was
hij onder invloed van alcohol,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het bij die [aangever] in bed gaan liggen en/of
- het onverhoeds ontdoen van (een deel van) de kleding (waaronder de onderbroek)
van voornoemde [aangever] en/of
- het onverhoeds stoppen/brengen van de penis van die [aangever] in zijn, verdachtes,
mond, en/of
- het onverhoeds zuigen aan de penis van die [aangever] , en/of
- het onverhoeds vastpakken en/of vasthouden van de penis van die [aangever] , en/of
- het onverhoeds trekken aan de penis van die [aangever] ;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Amsterdam met proces-verbaalnummer PL1300-2022255441, doorgenummerd pagina 1 tot en met 90. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 3 t/m 11
3.Pagina 66 t/m 83
4.Dit volgt uit artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering
5.Pagina 28
6.Pagina 20