ECLI:NL:RBMNE:2026:3309

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4081
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep bestuursrechtelijke beslissing

Verzoeker stelde op 7 juli 2025 beroep in tegen een beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 27 mei 2025. Verweerder nam op 17 oktober 2025 een nieuwe beslissing waarin de eerdere beslissing werd gewijzigd. Hierop trok verzoeker het beroep in en vroeg vergoeding van proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting, gelet op de informatie in het dossier. Op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen als het bestuursorgaan tegemoet is gekomen.

Verweerder stemde in met betaling van de proceskosten. De vergoeding werd berekend op basis van het indienen van het beroepschrift met een gemachtigde, wat resulteerde in een bedrag van € 934,-. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van € 53,- rechtstreeks aan verzoeker te vergoeden.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van € 934,- aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 28 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 7 juli 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 27 mei 2025.
Op 17 oktober 2025 heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen waarin hij de beslissing van 27 mei 2025 heeft gewijzigd.
Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 6 november 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft op 6 november 2025 gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.
4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). bij wegingsfactor 1 wordt dus € 934,- toegekend.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.