3.3Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan een poging zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna te noemen: aangever). De rechtbank zal dat hierna toelichten.
De verklaring van de verdachte ter op de zitting van 1 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 2 december 2025 in IJsselstein [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) met een mes gestoken heb.
Een proces-verbaal van aangifte van aangever, voor zover inhoudende:
Op 2 december 2025 bevond ik mij in winkelcentrum [locatie] in IJsselstein. Ik zag daar [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met een winkelwagen liep.Toen we buiten waren, liepen we richting het fietspad welke loopt langs flatgebouw [naam] .
Ik draaide mij vervolgens om toen we op het fietspad stonden. Ik voelde een scherpe pijn in mijn rug. Ik voelde een warm penetrerend gevoel. Ik keek naar achter en zag dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand vast hield.
Een forensisch medische letselrapportage van T. Gelderman, forensisch arts en G. Reijnen, forensisch arts, van 27 juni 2026, voor zover inhoudende:
Betrokkene: [slachtoffer]
6. Medische informatie
Bij lichamelijk onderzoek op de spoedeisende hulp werd een wond gezien van 3 cm breed.
10. Beantwoording van de vraagstelling
- Wilt u het letsel zo volledig mogelijk beschrijven? Denk hierbij aan: locatie, diepte, richting, aantallen, e.d.
- Typeer met onderbouwing het beschreven letsel.
- Geef aan wat het ontstaansmechanisme van het aangetroffen letsel is.
Het letsel betreft een huiddoorklieving van 3cm op de linkerzijde van de rug met een ontstane bloeduitstorting. Een huiddoorklieving ontstaat door een scherprandig voorwerp. De bloeduitstorting wordt geduid als behorend bij de huiddoorklieving door schade aan het onderliggend weefsel.
Bewijsoverweging
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte aangever eenmaal met een mes in de rug gestoken heeft. Dit heeft bij aangever geleid tot een steekwond van 3 cm lang aan de linkerzijde van de rug. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte met zijn gedraging zich schuldig gemaakt heeft aan een poging doodslag, een poging zware mishandeling dan wel mishandeling van aangever.
Vrijspraak voor poging doodslag
Om tot een bewezenverklaring van poging doodslag te komen, moet de rechtbank vaststellen dat het opzet van de verdachte op de dood van aangever was gericht, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in dit geval de dood van aangever) is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, betekent niet zonder meer dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het –behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte aangever in zijn rug gestoken heeft met de bedoeling om aangever te doden.
De rechtbank kan niet vaststellen met welke kracht de verdachte aangever gestoken heeft, nu informatie over de diepte van de steekwond ontbreekt. Ook heeft de rechtbank onvoldoende informatie over de lengte van het lemmet van het mes waarmee de verdachte gestoken heeft. Daarnaast blijkt uit de medische letselrapportage dat geen sprake was van inwendig letsel, een slagaderlijke bloeding of hevig bloedverlies bij aangever, zodat de deskundigen de kans op overlijden met dit letsel inschatten op nihil In de medische letselrapportage wordt in algemene bewoordingen nog wel gesproken over een vrijwel zeker kans op overlijden bij een klaplong of raken van de grote borstslagader bij een messteek in het bovenlichaam, maar de rechtbank kan niet vaststellen hoe nabij die twee lagen van de huidige messteek en hoe groot de kans was dat die zouden zijn geraakt. Daarbij speelt opnieuw dat het dossier geen informatie biedt over de diepte van de wond en de precieze omstandigheden waaronder is gestoken onduidelijk zijn gebleven. Daarom is niet komen vast te staan dat de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen heeft dat aangever daardoor zou kunnen komen te overlijden.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair aan hem ten laste gelegde poging doodslag.
Bewezenverklaring poging zware mishandeling
De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel door aangever eenmaal met een mes in de rug te steken.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met het eenmaal steken in de rug van aangever bewust de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat aangever als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam diverse kwetsbare organen bevinden en dat deze met een meststeek in de rug geraakt kunnen worden. Zonder medisch handelen, kan dat leiden tot zeer ernstig letsel. Hieruit blijkt dat er dus een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever aanwezig was. De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Dat de verwonding slechts tot licht letsel heeft geleid (aldus de deskundige van het LOEF), is niet alleen het gevolg van het handelen van de verdachte. Goed mogelijk is dat aangever een wegdraaiende (zoals de verdachte verklaarde) of zelfs al weglopende (zoals aangever verklaarde) beweging maakte toen hij in zijn rug werd geraakt en het letsel daarom relatief beperkt is gebleven. Het had anders kunnen uitpakken, en de verdachte moet zich daar ook bewust van zijn geweest. Het met een mes steken in de rug (of andere plek in het bovenlichaam) moet naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de kans daarop ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, zodat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen vindt.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 2 december 2025 te IJsselstein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.