Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 2 mei 2023 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank had eerder op 11 september 2025 een termijn gesteld waarbinnen verweerder moest beslissen, maar verweerder heeft niet voldaan aan deze verplichting.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en dat meer dan zestig weken zijn verstreken sinds het verstrijken van die termijn. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak opgelegd.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen deze termijn alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom van € 100 per dag op met een maximum van € 15.000. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg en griffier M.M. van Luijk-Salomons op 7 mei 2026.