De grootmoeder verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij haar kleinkinderen om de week van vrijdagavond tot zondagavond bij haar zouden verblijven. De moeder van de kinderen was het hier niet mee eens. De rechtbank heeft de procedure behandeld op 27 maart 2026, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig was.
De rechtbank beoordeelde of de grootmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staat, zoals vereist op grond van artikel 1:377a BW en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De enkele bloedverwantschap is onvoldoende; er moet sprake zijn van een hechte familieband met frequent en wederzijds plezierig contact.
Uit de stukken en de zitting bleek dat de grootmoeder onvoldoende concrete omstandigheden had gesteld die een nauwe persoonlijke betrekking aantonen. De moeder betwistte het contact en stelde dat de vader het contact tussen grootmoeder en gezin actief beperkte. De rechtbank nam het standpunt van de moeder over, mede omdat de grootmoeder slechts enkele foto’s overlegde die geen hechte band aantonen. Ook was de relatie tussen partijen ernstig verstoord, met zorgelijke uitlatingen van de grootmoeder richting de moeder.
Daarom verklaarde de rechtbank de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek en behandelde het verzoek niet inhoudelijk. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.