Verzoekster diende op 17 maart 2026 beroep in bij de rechtbank omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 28 juli 2025 in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG).
Op 13 april 2026 nam het UWV alsnog een besluit op het bezwaar, waarna verzoekster haar beroep introk en vergoeding van proceskosten vorderde. Het UWV reageerde niet op dit verzoek, maar gaf in een begeleidende brief aan zich aan de beslissing van de rechtbank te zullen conformeren.
De rechtbank oordeelde dat het UWV met het besluit tegemoet was gekomen aan verzoekster en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op €467,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €54,- rechtstreeks op grond van de Awb door het UWV moet worden vergoed.