Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3611

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12178693 \ UV EXPL 26-87
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629a lid 1 BWArt. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 sub c en d BWArt. 7:629 lid 7 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels terechte loonstop wegens niet-naleving re-integratieverplichtingen

De kantonrechter behandelde een kort geding tussen een werknemer en Stichting Quarijn over een loonstop die door de werkgever was opgelegd wegens vermeende niet-naleving van re-integratieverplichtingen.

De werknemer was sinds januari 2025 arbeidsongeschikt en had een re-integratietraject doorlopen. Na een terugval meldde zij zich opnieuw ziek, waarna Quarijn het loon stopzette na een officiële waarschuwing omdat zij niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen. De kantonrechter oordeelde dat de loonstop op 28 november 2025 terecht was omdat de werknemer niet aan haar verplichtingen had voldaan.

Echter, na een gesprek bij de arbeidsdeskundige op 15 december 2025 voldeed de werknemer weer aan haar verplichtingen. De loonstop had daarom vanaf die datum beëindigd moeten worden. Quarijn werd veroordeeld het loon over de periode van 15 tot en met 31 december 2025 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot het wettelijk maximum, maar de gevorderde advocaatkosten werden afgewezen. Quarijn werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De loonstop was deels terecht, maar de werkgever moet het loon over half december 2025 met rente en incassokosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12178693 \ UV EXPL 26-87
Vonnis in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigden: mr. R.J. Menning & mr. E.L. Pasma,
tegen
STICHTING QUARIJN,
gevestigd in Doorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Quarijn,
gemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 29,
- producties 1 tot en met 8 van de zijde van Quarijn.
1.2
Op 29 mei 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [eiseres] aanwezig met haar gemachtigden, mr. R.J. Menning en mr. E.L. Pasma. Namens Quarijn waren mevrouw [A] (werkzaam op de [afdeling] van Quarijn), mevrouw [B] (werkzaam als [functie] bij Quarijn) en haar gemachtigde mr. D.C.J. Bogerd aanwezig. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Menning en mr. Bogerd hebben beiden een pleitnota voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1973, is sinds 15 december 2020 in dienst bij Quarijn in de functie van Huishoudelijke Hulp met een salaris van € 959,22 bruto per maand. [eiseres] is op 13 januari 2025 arbeidsongeschikt geraakt, waarna een re-integratietraject is gestart. In oktober 2025 was zij deels aan het werk in aangepaste werkzaamheden, maar heeft zij zich na een terugval weer volledig ziekgemeld. Volgens Quarijn voldeed [eiseres] vanaf dat moment niet meer aan haar re-integratieverplichtingen. Zij heeft daarom het loon van [eiseres] , na een officiële waarschuwing, over de maand december 2025 stopgezet. Volgens [eiseres] is deze loonstop onterecht. Zij wil dat Quarijn het loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging, alsnog aan haar betaalt. Quarijn is het hier niet mee eens en zegt dat de loonstop wel terecht was. De kantonrechter geeft [eiseres] deels gelijk en oordeelt dat Quarijn € 582,74 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging aan [eiseres] moet betalen.

3.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor nader onderzoek of bewijslevering.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang
3.2
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Dit volgt uit de aard van de vordering, namelijk een loonvordering voor de periode van één maand waarin [eiseres] geen loon van Quarijn heeft ontvangen. De kantonrechter volgt Quarijn niet in haar stelling dat [eiseres] geen spoedeisend belang zou hebben, omdat [eiseres] inmiddels wel weer loon ontvangt en de vordering ziet op loon van een half jaar geleden. [eiseres] heeft uitgelegd dat zij haar spaargeld heeft moeten gebruiken om rond te kunnen komen in de periode zonder loon. Ook heeft ze geld moeten lenen van haar ouders. [eiseres] heeft daarom wel een spoedeisend belang.
[eiseres] is ontvankelijk in haar vorderingen
3.3
[eiseres] heeft geen deskundigenoordeel van het UWV meegestuurd met de dagvaarding. Uit de wet volgt dat een zieke werknemer dan in beginsel geen recht heeft op betaling van haar loon. Toch leidt het ontbreken van de deskundigenverklaring niet tot een niet-ontvankelijkheid van [eiseres] . [1] Uit een uitspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat de rechter in een kort geding procedure zelf mag bepalen of het overleggen van een deskundigenverklaring door de werknemer wenselijk is. [2] [eiseres] heeft dan wel geen deskundigenoordeel van het UWV meegestuurd, maar wel een advies van de bedrijfsarts van 13 november 2025. In dit advies heeft de bedrijfsarts de arbeidsgeschiktheid van [eiseres] beoordeeld. De inhoud daarvan wordt door beide partijen niet betwist, zodat het binnen het bestek van deze procedure niet nodig is dat [eiseres] een oordeel van een deskundige van het UWV overlegt.
De loonstop is op 28 november 2025 terecht gegeven door Quarijn
3.4
[eiseres] is sinds januari 2025 ziek. Het uitgangspunt is dat werknemers tijdens ziekte (een gedeelte van) hun loon doorbetaald moeten krijgen. [3] Maar, aan de loondoorbetaling bij ziekte zijn wel verplichtingen voor de werknemer verbonden. De werknemer moet bijvoorbeeld meewerken aan de re-integratie en in het kader van deze re-integratie passende arbeid verrichten. [4] Wanneer zij dat niet doet frustreert zij het re-integratietraject en kan de werkgever haar, na een waarschuwing, [5] een loonstop op leggen als prikkel om wel (weer) mee te werken.
3.5
[eiseres] is vanwege haar ziekte per 13 januari 2025 meermaals bij de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige geweest. In de diverse adviezen en rapportages staat over de inzetbaarheid van [eiseres] het volgende te lezen:
  • 14 augustus 2025: de bedrijfsarts adviseert om te starten met 1 keer 2 uur per week werken.
  • 19 september 2025: eerste rapport arbeidsdeskundige, met het advies ‘een rustige start te maken van bv 1 keer 2 uur per week. Bij opbouw een rustdag na een werkdag aan te houden. Indien dit goed verloopt toe te werken naar 5 keer 2 uur per week.’
1 oktober 2025: bijstelling probleemanalyse bedrijfsarts, waarin wordt geadviseerd om het advies van de arbeidsdeskundige te volgen, met een tijdelijke urenbeperking van maximaal 2 uur per dag en 10 uur per week. [7]
13 november 2025: vernieuwd advies bedrijfsarts met daarbij een inzetbaarheidsprofiel, waaruit volgt dat [eiseres] maximaal 3 uur per dag en 15 uur per week in aangepast werk kan werken. [8] Advies om opnieuw met de arbeidsdeskundige in gesprek te gaan.
22 december 2025: addendum rapport arbeidsdeskundige, met het advies rustig te beginnen met 1 keer 2 uur per week en toe te werken naar 5 keer 2,5 uur of 4 keer 3 uur per week. [9]
3.6
Op grond van het voorgaande is het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat Quarijn, na een officiële waarschuwing met de aanzegging van een mogelijke loonstop, de loonstop op 28 november 2026 terecht heeft opgelegd. [eiseres] heeft, voorshands oordelend, namelijk niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Uit de opsomming in r.o. 3.5 blijkt dat de insteek van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige vanaf 14 augustus 2025 telkens is geweest dat [eiseres] gedeeltelijk arbeidsgeschikt was voor (minstens) twee uur per dag, één of enkele keren per week. Van de mogelijkheid om daar een andere opinie over te krijgen heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt. Vanaf het moment dat [eiseres] zich begin oktober 2025 opnieuw volledig ziek meldde, heeft Quarijn haar meermaals verzocht om weer te gaan werken. [10] Aangezien [eiseres] dit niet deed, heeft Quarijn haar op 14 november 2025 een officiële waarschuwing gestuurd. Quarijn heeft hierin [eiseres] gewaarschuwd dat het loon van [eiseres] stopgezet zou worden, wanneer zij niet per 24 november 2025 weer 2 uur in de week zou gaan werken in werkzaamheden overeenkomstig het belastbaarheidsprofiel. [11] Toch is [eiseres] ook hierna niet aan het werk gegaan. De kantonrechter acht het daarom voorshands aannemelijk dat Quarijn op 28 november 2025 terecht het loon van [eiseres] stop heeft gezet.
3.7
[eiseres] heeft hier tegenin gebracht dat zij op het moment van de waarschuwing en de kort daarop volgende loonstop niet wist dat zij ook ná haar terugval in oktober 2025 nog in staat werd geacht om (minstens) twee uur per dag te gaan werken. Zij geeft aan dat zij wachtte op het advies van de bedrijfsarts en verwachtte dat de bedrijfsarts haar per 13 november 2025 volledig arbeidsongeschikt zou verklaren. Het vernieuwde advies van de bedrijfsarts zou zij pas op 11 december 2025 hebben ontvangen. Quarijn heeft hier tegenin gebracht dat [eiseres] het rapport van de bedrijfsarts, net als alle voorgaande rapportages vanaf januari 2025, ook in het digitale medewerkersportaal heeft kunnen vinden en dat zij daarom op 13 november 2025 al op de hoogte had kunnen zijn van het bijgestelde advies van de bedrijfsarts. Of dit zo is en of [eiseres] het rapport daar ook daadwerkelijk heeft gezien, kan in het midden blijven. De bedrijfsarts heeft namelijk tijdens de afspraak op 13 november 2025 expliciet tegen [eiseres] gezegd dat zij weer aan het werk zou moeten. Dit heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling erkend. In het advies van de bedrijfsarts van 13 november 2025 staat verder vermeld dat [eiseres] het eens was met dit advies van de bedrijfsarts. Dus ook al zou zij het rapport niet gelezen hebben, zij was er vanaf 13 november 2025 al van op de hoogte dat hier in ieder geval in zou staan dat de bedrijfsarts haar (nog steeds) in staat achtte deels haar werk te hervatten.
3.8
Daarnaast staat in de officiële waarschuwing van Quarijn van 14 november 2025 een korte samenvatting van het advies van de bedrijfsarts (te weten dat [eiseres] weer aan het werk moet). [eiseres] heeft niet betwist deze brief te hebben ontvangen. De consequentie wanneer zij deze aanwijzing niet zou opvolgen, de loonstop, staat ook duidelijk in deze brief. Desondanks heeft [eiseres] om haar moverende redenen ervoor gekozen om aan de oproepen van Quarijn om gedeeltelijk weer te gaan werken, geen gehoor te geven.
3.9
De stelling van [eiseres] dat zij van de bedrijfsarts haar werkzaamheden pas deels zou hoeven hervatten ná een tweede gesprek met de arbeidsdeskundige, gaat niet op. In het rapport van 13 november 2025 adviseert de bedrijfsarts inderdaad om nogmaals in gesprek te gaan met de arbeidsdeskundige, maar aangezien hij expliciet tegen [eiseres] heeft gezegd dat zij weer enkele uren aan het werk zou moeten gaan, maakt dit niet dat zij op het gesprek met de arbeidsdeskundige had mogen wachten. Voorshands oordelend had [eiseres] in ieder geval het gesprek over het deels hervatten van haar werkzaamheden, met inachtneming van het belastbaarheidsprofiel, moeten aangaan met Quarijn. Dit is niet gebeurd en daarom heeft Quarijn terecht op 28 november 2025 de loonbetaling van [eiseres] gestopt.
Quarijn had de loonstop op 15 december 2025 moeten beëindigen
3.1
Quarijn had de loonstop wel op 15 december 2025 moeten beëindigen. Nadat Quarijn op 28 november 2025 de loonbetaling van [eiseres] heeft stopgezet, zijn partijen namelijk op 15 december 2025 samengekomen bij de arbeidsdeskundige. Vanaf dat moment voldeed [eiseres] weer aan haar re-integratieverplichtingen en had Quarijn haar loon moeten uitbetalen. De kantonrechter volgt Quarijn niet in haar stelling dat [eiseres] nog steeds niet aan haar re-integratieverplichtingen voldeed, omdat zij niet op 16 december 2025 aan het werk is gegaan. Quarijn stelt dat partijen dit tijdens het gesprek met de arbeidsdeskundige hebben afgesproken, maar dat blijkt nergens uit. Zelfs niet uit de (interne) e-mail van Quarijn met het gespreksverslag van de afspraak met de arbeidsdeskundige. [12] Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling vast komen te staan dat [eiseres] heeft aangegeven vanaf 19 december 2025 vakantie te hebben en pas op 30 december 2025 weer beschikbaar te zijn. De conclusie is daarom voorshands dat [eiseres] niet is opgeroepen om op 16 december 2025 weer enkele uren te gaan werken. Quarijn kan daarom niet zeggen dat [eiseres] vanaf 15 december 2025 nog steeds haar re-integratieverplichtingen niet nakwam. Dat betekent dat Quarijn de loonstop van 15 december 2025 tot en met 31 december 2025 ten onrechte heeft gehandhaafd, ondanks herhaaldelijk verzoek van [eiseres] om de loonstop te beëindigen.
Quarijn moet € 582,74 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging aan [eiseres] betalen
3.11
De loonstop van Quarijn is dus slechts deels terecht geweest. Quarijn moet daarom alsnog het salaris van 15 december 2025 tot en met 31 december 2025 betalen aan [eiseres] . Dit komt neer op een bedrag van € 582,74 bruto. Omdat Quarijn te laat heeft betaald, moet zij daarnaast de wettelijke rente over dit bedrag betalen. [13]
3.12
De door [eiseres] gevorderde wettelijke verhoging wordt ook toegewezen. [14] Deze wettelijke verhoging is verschuldigd bij niet tijdige betaling van het loon indien de niet tijdige betaling aan de werkgever kan worden toegerekend. Zoals in r.o. 3.9. is overwogen, is daar in dit geval sprake van. Quarijn is niet tot uitbetaling van het loon vanaf 15 december 2025 overgegaan, ondanks dat [eiseres] hier meermaals om heeft verzocht. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen.
Quarijn moet de buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres] betalen
3.13
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 5.798,00. Quarijn heeft daartegen verweer gevoerd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter veel hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van dit wettelijke tarief en zal daarom de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen tot een bedrag van € 87,41. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Quarijn hoeft niet de werkelijke advocaatkosten te vergoeden
3.14
De vordering tot betaling van € 7.163,20 (inclusief btw) voor de werkelijke advocaatkosten wordt afgewezen. Een volledige kostenveroordeling is slechts in uitzonderlijke gevallen toewijsbaar, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van de werkgever. Beide zijn hier niet het geval. Quarijn mocht het loon van [eiseres] stopzetten over de hiervoor bepaalde periode. Dat zij deze loonstop te lang heeft laten doorlopen, maakt ook niet dat er sprake is van onrechtmatig handelen tegen [eiseres] .
Quarijn moet de proceskosten conform liquidatietarief betalen
3.15
Quarijn is deels in het ongelijk gesteld. [eiseres] is, door de herhaalde weigering van Quarijn om tot uitbetaling van het loon vanaf 15 december 2025 over te gaan, genoodzaakt geweest deze procedure te voeren om haar geld te krijgen. Daarom moet Quarijn de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.357,67
3.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.17
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [eiseres] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,
4.1
veroordeelt Quarijn om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 582,74 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:265 BW Pro en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het loon vanaf de dag van verschuldigdheid, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt Quarijn om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 87,41 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 17 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt Quarijn in de proceskosten van € 1.357,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Quarijn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt Quarijn tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
62938

Voetnoten

1.Artikel 7:629a lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Hoge Raad 14 september 2018, ECLI:NL:2018:1673.
3.Artikel 7:629 lid 1 BW Pro.
4.Artikel 7:629 lid 3 sub c en Pro d BW.
5.Artikel 7:629 lid 7 BW Pro.
6.Productie 2 Quarijn.
7.Productie 3 Quarijn.
8.Productie 20 en 21 [eiseres] .
9.Productie 7 Quarijn.
10.Zowel per e-mail als per telefoon. Zie bijvoorbeeld e-mail 24 oktober 2025 (productie 7 [eiseres] ).
11.Productie 9 [eiseres] .
12.Productie 15 Quarijn.
13.Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
14.Zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro.