ECLI:NL:RBMNE:2026:3615

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/1230
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ZiektewetArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering teveel betaalde Ziektewet-uitkering door UWV bevestigd

Eiser ontving over november 2025 een te hoge Ziektewet-uitkering doordat UWV de door hem opgegeven inkomsten niet in mindering bracht. UWV besloot tot terugvordering van €1.567,20 bruto. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat de fout van UWV niet voor zijn rekening zou moeten komen en dat terugvordering een te grote financiële last voor hem betekent.

De rechtbank stelt vast dat de terugvordering terecht is omdat het bedrag onverschuldigd is betaald en UWV op grond van de Ziektewet verplicht is dit terug te vorderen, tenzij er een dringende reden is om daarvan af te zien. De rechtbank erkent een motiveringsgebrek in het besluit van UWV, maar passeert dit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro vanwege de nadere toelichting tijdens de zitting.

De rechtbank weegt mee dat de fout van UWV snel is hersteld en dat eiser geen schrijnende financiële situatie aannemelijk heeft gemaakt. Er is een betalingsregeling getroffen. Daarom is geen dringende reden aanwezig om af te zien van terugvordering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en UWV wordt opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat UWV terecht de teveel betaalde ZW-uitkering terugvordert en wijst het beroep van eiser af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1230

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over terugvordering van teveel betaalde uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het Uwv heeft over de periode 10 november 2025 tot en met
30 november 2025 een bedrag van bruto € 1.567,20 teveel aan eiser uitbetaald. Dit komt doordat het Uwv de door eiser doorgegeven inkomsten ten onrechte niet in mindering heeft gebracht op de ZW-uitkering. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv het bedrag terecht terugvordert.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht de teveel betaalde ZW-uitkering terugvordert. Er is geen sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Eiser krijgt dus geen gelijk. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Voorgeschiedenis
2. Eiser was tot en met 31 maart 2024 in loondienst bij [bedrijf 1] . Na beëindiging van dit dienstverband is aan eiser per 1 april 2024 tot en met 31 maart 2026 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
2.1.
Eiser trad op 15 april 2024 in loondienst bij de [bedrijf 2] . De inkomsten uit dit dienstverband worden op de (doorlopende) WW-uitkering in mindering gebracht.
Ziekmelding
2.2.
Op 11 augustus 2025 is eiser ziek uitgevallen. Hij is per die datum ziekgemeld bij zijn werkgever en bij het Uwv. Eiser is per 1 oktober 2025 ziek uit dienst gegaan. De [bedrijf 2] is eigenrisicodrager en per 1 oktober 2025 ontvangt eiser daarom ziekengeld van zijn voormalig werkgever.
2.3.
Voor de (doorlopende) WW-uitkering geldt dat na de ziekmelding sprake is van 13 weken uitloop. Het Uwv heeft vanwege zijn ziekmelding vanuit de WW-situatie per
10 november 2025 een ZW-uitkering toegekend aan eiser. Deze ZW-uitkering ontvangt eiser van het Uwv. Over de periode 10 november tot en met 30 november 2025 heeft het Uwv een bruto ZW-uitkering van € 1.786,35 uitbetaald aan eiser.
2.4.
Op 1 december 2025 heeft eiser zijn inkomsten over november 2025 opgegeven. Dit betreft het ziekengeld dat hij van zijn voormalig werkgever, eigenrisicodrager voor de ZW, ontvangt nadat hij per 1 oktober 2025 ziek uit dienst is gegaan.
2.5.
Op 6 januari 2026 heeft het Uwv een brief gestuurd aan eiser over de korting op de ZW-uitkering omdat hij naast zijn uitkering ook inkomsten ontvangt (het ziekengeld van zijn voormalig werkgever). In de bijlage van deze brief is een berekening opgenomen waaruit volgt dat de bruto ZW-uitkering na aftrek van de inkomsten € 14,61 per dag is.
2.6.
Met het besluit van 8 januari 2026 heeft het Uwv beslist tot terugvordering van de teveel betaalde uitkering over de periode 10 november tot en met 30 november 2025. De terugvordering gaat om een bedrag van bruto € 1.567,20.
2.7.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing van 30 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij het besluit tot terugvordering gebleven.
2.8.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit).
2.9.
Er is een betalingsregeling afgesproken waarbij vanaf april 2026 elke maand
€ 100,-- wordt ingehouden.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist tot terugvordering van de teveel betaalde ZW-uitkering.
Toetsingskader
4. Als (een gedeelte van) de ZW-uitkering onverschuldigd is betaald, is het Uwv op grond van artikel 33, eerste lid, van de Ziektewet verplicht de teveel betaalde uitkering terug te vorderen. Dit is een dwingende bepaling. Wel moet het Uwv op grond van artikel 33, zesde lid, van de Ziektewet, beoordelen of er een dringende reden is om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Is een gedeelte van de ZW-uitkering onverschuldigd betaald?
5. Niet in geschil is dat dat eiser over de periode van 10 november 2025 tot en met 30 november 2025 teveel ZW-uitkering heeft ontvangen. Op dit bedrag hadden namelijk de inkomsten van de voormalig werkgever in mindering moeten worden gebracht. De berekening van het bedrag aan ZW-uitkering wordt door eiser ook niet betwist.
5.1.
Eiser heeft dus ten onrechte teveel ZW-uitkering ontvangen. Dit bedrag is onverschuldigd betaald.
Is er een dringende reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering?
6. Eiser is het er niet mee eens dat de teveel uitbetaalde uitkering wordt teruggevorderd. Eiser wijst erop dat hij zijn inkomsten steeds op de eerste dag van de maand heeft doorgegeven aan het Uwv. Het Uwv heeft een fout gemaakt door de inkomsten niet in mindering te brengen op het bedrag van de ZW-uitkering, waardoor eiser een te hoog bedrag heeft ontvangen. Eiser voert aan dat de terugvordering teveel voor hem is, gezien zijn schulden, financiële verplichtingen (afbetalingsregelingen en kinderalimentatie) en beperkte inkomsten. Hij vindt dat er reden is om af te zien van terugvordering omdat de fout van het Uwv niet voor zijn rekening zou moeten komen en terugbetaling van het teveel uitgekeerde bedrag voor hem een te grote financiële last is.
6.1.
Het Uwv vindt dat geen sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering. Het Uwv stelt dat weliswaar een fout is gemaakt, maar dat dit snel is gecorrigeerd en dat het bedrag dus niet verder is opgelopen. Het Uwv wijst erop dat andere mensen in een vergelijkbare situatie ook het teveel ontvangen bedrag moeten terugbetalen.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat de Centrale Raad van Beroep (de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken) de dringende reden ziet als een open norm waarbinnen het Uwv de relevante feiten en omstandigheden moet afwegen tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald. Die afweging moet zodanig zijn dat het een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. [1] De Raad heeft daarbij een aantal uitgangspunten geformuleerd. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor de terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv die aan een terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving. Bij de beoordeling van de dringende reden zal het Uwv zich rekenschap moeten geven van de gevolgen die de terugvordering voor de betrokkene hebben. In het algemeen doen de financiële gevolgen van de terugvordering zich pas voor bij de invordering of verrekening. In bijzondere omstandigheden, waar op het moment van het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit voor een betrokkene ernstige financiële gevolgen zal hebben, bijvoorbeeld omdat een bestaand schuldhulptraject hierdoor dreigt te worden beëindigd, dient het Uwv deze omstandigheid al op dat moment mee te wegen. Aan de financiële of sociale gevolgen van een terugvordering zal een groter gewicht toekomen in een situatie waarin een betrokkene geen (overwegend) aandeel in de ontstane terugvordering heeft en daaraan zal minder gewicht toekomen in gevallen waarin sprake is van een opzettelijke schending van de inlichtingenplicht.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat het Uwv in het bestreden besluit enkel heeft overwogen dat er geen sprake is van een dringende reden, omdat de situatie van eiser vergelijkbaar zou zijn met die van anderen bij wie teveel uitkering is betaald. De motivering in het bestreden besluit schiet naar het oordeel van de rechtbank daarmee tekort. In het bestreden besluit wordt wel genoemd dat eiser deze omstandigheden naar voren heeft gebracht en dat het bezwaar van eiser telefonisch is besproken, maar uit het bestreden besluit blijkt niet hoe dit is beoordeeld door het Uwv. Het Uwv is niet ingegaan op de financiële omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht. Het Uwv had de concrete situatie van eiser moeten beoordelen, maar komt niet verder dan een algemene opmerking dat anderen in eenzelfde situatie zouden zitten. Dit zegt echter nog niets over de vraag of de concrete omstandigheden die hij aanvoert een dringende reden vormen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
6.4.
De vervolgvraag is wat dit betekent voor de beoordeling van het beroep. De rechtbank zal beoordelen of het bestreden besluit ondanks het motiveringsgebrek in stand kan blijven.
6.5.
Daarbij betrekt de rechtbank ook de aanvullende motivering van het Uwv op de zitting, waarbij is stilgestaan bij de beoordeling van de dringende reden en de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat de financiële positie van eiser is beoordeeld en dat daarbij rekening is gehouden met zijn inkomsten vanuit de WW en van zijn laatste werkgever. De rechtbank is van oordeel dat met deze nadere toelichting op de zitting voldoende duidelijk is geworden dat de concrete financiële situatie van eiser door het Uwv is meegewogen. Ook is volgens het Uwv meegewogen dat een fout is gemaakt, maar weegt dit minder zwaar omdat de fout ook voortvarend is hersteld en het bedrag dus niet is opgelopen. Het Uwv wijst erop dat het uitgangspunt is dat moet worden teruggevorderd. Volgens het Uwv is de situatie van eiser niet dusdanig onderscheidend of bijzonder ten opzichte van andere verzekerden die teveel betaalde uitkering moeten terugbetalen, dat in zijn geval geheel of deels zou moeten worden afgezien van terugvordering.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van eiser geen sprake is van een dringende reden om van de terugvordering af te zien. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De terugvordering is ontstaan door een fout van het Uwv. Daarbij gaat het om de eerste uitbetaling van de ZW-uitkering door het Uwv, waardoor eiser het bedrag niet kon vergelijken met eerdere uitbetalingen. Omdat het Uwv heeft nagelaten om gegevens over de inkomenspositie van eiser te verstrekken, kan niet worden vastgesteld of eiser door de uitbetaling van een te hoog bedrag aan ziekengeld ook een hoger inkomen had dan in andere maanden. Het Uwv heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin eiser had kunnen weten dat hij teveel uitkering ontving. Dit betekent echter niet dat het Uwv dan van terugvordering af moet zien. Het standpunt van eiser, dat in zo’n geval moet worden afgezien van terugvordering is dus niet juist. Het uitgangspunt blijft dat teveel betaalde uitkering moet worden terugbetaald, tenzij sprake is van een dringende reden. De rechtbank overweegt dat de fout voortvarend is hersteld. De rechtbank weegt tenslotte mee wat eiser heeft aangevoerd over zijn financiële omstandigheden, ter ondersteuning van zijn standpunt dat de terugvordering voor hem een te grote financiële last is. De door eiser naar voren gebrachte financiële omstandigheden houden in dat hij meerdere schulden en betalingsverplichtingen heeft. Eiser heeft op de zitting nog toegelicht dat zijn inkomsten na zijn ziekte-uitval zijn verminderd. Hij heeft daardoor minder geld om te voorzien in zijn levensonderhoud, en door de terugvordering houdt hij nog minder over. Hoewel dit uitgebreid aan de orde is geweest tijdens de zitting, heeft eiser niet concreet gemaakt welke financiële ruimte hij heeft om van rond te komen. Desgevraagd heeft eiser aangegeven dat hij geen schuldhulpverlening krijgt en dat hij dit ook niet wil. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een schrijnende situatie of een situatie waarin op voorhand duidelijk is dat eiser de schuld niet zal kunnen betalen. De rechtbank overweegt in dat kader ook dat een betalingsregeling is afgesproken van € 100,-- per maand. Eiser hoeft het gehele bedrag dus niet in één keer terug te betalen. Dat eiser goed voelt dat hij door de terugvordering minder inkomen heeft, is duidelijk, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit geen situatie die als een dringende reden kan worden aangemerkt. Alles bij elkaar is de rechtbank van oordeel dat er geen dringende reden is om af te zien van de terugvordering.
6.7.
De rechtbank ziet aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Met de door het Uwv op de zitting gegeven aanvullende toelichting is het gebrek voldoende hersteld, nu daaruit blijkt dat de concrete situatie van eiser is beoordeeld en meegewogen. Uit die beoordeling volgt volgens het Uwv dat de situatie van eiser niet dusdanig schrijnend of bijzonder is, dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat teveel betaalde uitkering wordt teruggevorderd. Deze motivering is deugdelijk en kan de beslissing dragen dat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat het Uwv geen ander besluit zou hebben genomen dan het bestreden besluit. Eiser is daarom door het motiveringsgebrek niet benadeeld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit en daarmee de terugvordering in stand blijft.
7.1.
Omdat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust en eiser terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding het Uwv op te dragen het griffierecht aan eiser te vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt het Uwv op het door eiser betaalde griffierecht van € 54,-- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, in het bijzonder r.o. 4.4.2 en 4.4.3.