ECLI:NL:RBMNE:2026:3655

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/3275
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:4 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit legesaanslag wegens onterecht niet-ontvankelijkheid bezwaar

Eiseres ontving een legesaanslag van €150,- voor een principeverzoek om 41 tiny houses te ontwikkelen. Zij stuurde op 6 januari 2025 een brief die de heffingsambtenaar niet als bezwaarschrift aanmerkte, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelt dat deze brief wel als bezwaarschrift moet worden gezien, omdat de inhoud duidelijk betrekking had op de legesaanslag en de bezwaren voldoende concreet waren.

De heffingsambtenaar had op grond van de Awb zelfs om verduidelijking kunnen vragen, wat niet is gebeurd. Daarnaast is het beroep tegen de aanmaningskosten van €9,- gegrond verklaard, omdat deze onlosmakelijk verbonden zijn met de legesaanslag die nog niet in rechte vaststaat.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de heffingsambtenaar op binnen twaalf weken alsnog op het bezwaar te beslissen. Tevens wordt het griffierecht en een proceskostenvergoeding van €934,- aan eiseres toegekend. Verzoeken tot heropening van de zaak worden afgewezen wegens gebrek aan concrete gronden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de heffingsambtenaar om alsnog op het bezwaar te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3275

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] BV, uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: W.F. Mijnhardt),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. S.G.A. de Boer).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vraag of de heffingsambtenaar terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde legesaanslag van € 150,- (aanslagnummer [nummer] ) en of het bezwaar tegen de aanmaningskosten van € 9,- wegens het niet betalen van de leges terecht ongegrond is verklaard. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, omdat de heffingsambtenaar de brief van eiseres van 6 januari 2025 als bezwaarschrift had moeten aanmerken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Op 13 december 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een aanslag leges opgelegd onder vermelding van aanslagnummer [nummer] van € 150,-.
2. Wegens het uitblijven van betaling is op 26 februari 2025 aan eiseres een aanmaning verstuurd, waarbij het te betalen bedrag met de kosten van de aanmaning worden verhoogd en uitkomen op een openstaand bedrag van € 159,-.
3. Op 4 maart 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de legesheffing en tegen de aanmaningskosten.
4. Bij uitspraak op bezwaar van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanmaningskosten van € 9,- ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de legesaanslag van € 150,- niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van tijdig en formeel bezwaar. Daarbij is de legesrekening van € 159,- door de heffingsambtenaar gehandhaafd.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In reactie op het verweerschrift heeft eiseres op 27 december 2025 een ‘conclusie van repliek’, op 2 januari 2026 een ‘allonge bij memorie van repliek’ en op 6 maart 2026 een ‘akte na inbreng schrijven gemeente’ overgelegd.
6. De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft hieraan deelgenomen, vergezeld door [A] , juridisch adviseur omgevingsrecht bij de gemeente Vijfheerenlanden. Voorafgaand aan de behandeling van de zaak heeft de rechtbank telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van eiseres. Gevraagd naar de reden waarom de gemachtigde niet naar de zitting was gekomen gaf de gemachtigde te kennen dat hij het vergeten was. Hij maakte daarvoor zijn excuses. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak op de zitting behandeld en het onderzoek gesloten. De gemachtigde van eiseres heeft diezelfde dag een bericht geüpload in het digitale dossier waarin hij verzoekt de zaak af te doen op de stukken zoals beschikbaar in het dossier.
7. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

8. De relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Goede procesorde
9. Eiseres heeft op 27 maart 2026 nog uitgebreide aanvullende beroepsgronden ingediend. Omdat dit stuk van 27 maart 2026 te laat is ingediend en ruim binnen de zogenaamde 10-dagen termijn voor de zitting is ontvangen [1] , neemt de rechtbank dit stuk wegens strijd met de goede procesorde niet mee in de beoordeling van deze zaak.
Verzoek om heropening
10. Op 30 mei 2026 en op 1 juni 2026 zijn er door de gemachtigde van eiseres nadere stukken in het digitale dossier geüpload. Omdat deze stukken zijn ontvangen nadat het onderzoek in deze zaak is gesloten en omdat de gemachtigde van eiseres in deze stukken stelt dat de mondelinge behandeling van deze zaak voor onbepaalde tijd is uitgesteld, merkt de rechtbank deze stukken aan als een verzoek tot heropening. De rechtbank heeft in deze stukken echter geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te heropenen en een nadere zitting te houden. De gemachtigde van eiseres heeft niet nader geconcretiseerd waarom het onderzoek heropend zou moeten worden. Het verzoek om heropening van de zaak wordt om deze reden afgewezen.
De aanslag leges
Standpunten partijen
11. Eiseres stelt dat het bezwaar tegen de legesaanslag van € 150,- ten onrechte niet in behandeling is genomen wegens het ontbreken van tijdig en formeel bezwaar. Eiseres wijst op twee door haar verzonden brieven, gedateerd 26 oktober 2024 en 6 januari 2025. Volgens eiseres hadden beide brieven aangemerkt moeten worden als bezwaarschrift tegen de legesaanslag.
12. De heffingsambtenaar stelt dat de brief van 26 oktober 2024 niet is aan te merken als een bezwaarschrift. De brief van 6 januari 2025 is niet aangetroffen in het dossier. In het verweerschrift wordt het standpunt ingenomen dat deze brief onvoldoende concreet is en zich richt tegen de afwijzing van het principeverzoek.
Feitenverloop
13. Op 5 september 2024 heeft eiseres bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (het college) twee aanvragen ingediend om een principeverzoek te beoordelen. In deze zaak gaat het om de aanvraag van 5 september 2024 voor de ontwikkeling van 41 tiny houses ter hoogte van [adres] in [plaats] , ingediend door [eiseres] BV, ingevuld op het ‘formulier beoordeling principeverzoek’
14. Naar aanleiding van deze aanvraag (met kenmerk PV-2024-005638) heeft het team vergunningen op 22 oktober 2024 per brief aan eiseres medegedeeld dat het bouwplan in strijd is met het omgevingsplan en het college niet bereid zou zijn om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toe te passen. ook staat in deze brief dat voor het in behandeling nemen van een aanvraag principeverzoek 1 (‘Verken uw idee’) legeskosten verschuldigd zijn en dat eiseres daarvoor een aparte brief ontvangt.
15. Bij afzonderlijke brief van 22 oktober 2024 (met kenmerk PV-2024-005638) is aan eiseres kenbaar gemaakt dat het verschuldigde bedrag aan leges € 150,- betreft.
16. Eiseres heeft hierop bij brief van 26 oktober 2024 gereageerd. Daarin staat dat eiseres snapt dat de brief van 22 oktober 2024 geen besluit is. Eiseres schrijft dat deze brief slechts is bedoeld: “ter info”.
17. Op 13 december 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres de legesaanslag opgelegd.
18. Bij brief van 24 december 2024 reageert de heffingsambtenaar op de brief van eiseres van 26 oktober 2024. Daarin geeft de heffingsambtenaar onder meer uitleg over het feit dat een beoordeling van een principeverzoek geen vrijblijvende vraag is en dat daarvoor € 150,- leges is verschuldigd.
19. Bij brief van 6 januari 2025 reageert eiseres weer op de brief van de heffingsambtenaar van 24 december 2024. Daarin wordt onder meer verzocht bij het opleggen van de in het vooruitzicht gestelde beschikking met deze reactie alvast rekening te houden.
Oordeel van de rechtbank
20. Of een geschrift een bezwaarschrift is in de zin van artikelen 6:4 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is afhankelijk van de bewoordingen en de strekking van dat geschrift. [2]
De brief van 26 oktober 2024
21. De heffingsambtenaar stelt dat de brief van 26 oktober 2024 niet kan worden aangemerkt als bezwaarschrift. De heffingsambtenaar wijst daarbij op de omstandigheid dat de legesaanslag dateert van 13 december 2024 en dat op 26 oktober 2024 de legesaanslag nog niet door eiseres was ontvangen. daarbij komt dat in de brief van 22 oktober 2024 over de afwijzing van het principeverzoek staat vermeld dat er een aparte brief zal worden verzonden over de leges. In die aparte brief, tevens gedateerd 22 oktober 2024, staat dat voor de betaling van de leges een latere brief zal volgen. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar ook verwezen naar de bewoordingen in de brief van 26 oktober 2024, waarin de legesaanslag niet wordt genoemd en waarin bovendien staat vermeld dat de brief ‘slechts ter info’ dient.
22. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat de brief van 26 oktober 2024, gelet op de bewoordingen, niet als (prematuur) bezwaar kan worden aangemerkt. Gezien de expliciet opgenomen zinsnede ‘
Benadrukt wordt dat deze reactie slechts “ter info " is en niet vraagt om enige actie, noch van het college, noch van de raad.’, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar deze brief niet als een bezwaarschrift hoefde op te vatten.

De brief van 6 januari 2025

23. De brief van 6 januari 2025 begint met:

“(…) Met verwijzing naar uw brief van 24 december 2024, waarin wordt gesteld dat voor de behandeling van ons principeverzoek (referentie PV-2024-005638) €150 aan leges verschuldigd zou zijn, hierbij een iets uitgebreide reactie. Verzocht wordt bij het opleggen van de in het vooruitzicht gestelde beschikking alvast rekening te houden. Naast nationale wetgeving en jurisprudentie wordt ook relevante Europese regelgeving en rechtspraak in dit geding betrokken. Deze reactie beoogt zowel de rechtmatigheid, proportionaliteit als de zorgvuldigheid van uw heffing te toetsen en te betwisten.’’

24. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het standpunt van de heffingsambtenaar onjuist is voor zover in het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat er geen brief van
6 januari 2025 door hem is ontvangen. De vraag is vervolgens of de heffingsambtenaar deze brief als bezwaarschrift aan had moeten merken. De rechtbank vindt dat dat het geval is. Weliswaar maakt eiseres in deze brief gebruik van door AI gegenereerde teksten en gebruikt zij omslachtige bewoordingen, maar er wordt wel degelijk gerefereerd aan de legesheffing van € 150,- in verband met het principeverzoek met referentie PV-2024-005638. Daarmee was het mogelijk voor de heffingsambtenaar om af te leiden dat deze brief van
6 januari 2025 ging over de leges van € 150,-. Uit de bewoordingen van de brief leidt de rechtbank af dat eiseres kennelijk niet op de hoogte was van het feit dat de legesaanslag inmiddels was opgelegd, maar de heffingsambtenaar wist dat wel. Ook blijkt uit deze brief van 6 januari 2025 dat eiseres het oneens was met de (in het vooruitzicht gestelde) legesheffing. In de brief wordt onder verschillende randnummers (onder andere randnummers 41, 42, 44 en 45) door eiseres gewezen op de hoogte van de kosten. Zo wordt onder randnummer 41 verzocht aan te tonen dat de kosten van € 150,- daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Eiseres stelt dat zij een inhoudelijke reactie wil en bij gebreke daarvan de rechtmatigheid van de heffing bij de bestuursrechter betwist. De rechtbank vindt daarom dat er voldoende aanknopingspunten in de brief van 6 januari 2025 zitten waaruit de heffingsambtenaar had kunnen begrijpen dat eiseres bezwaar wilde maken tegen de legesheffing. Zo nodig had de heffingsambtenaar op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb eiseres kunnen verzoeken om verduidelijking of aanvulling van de bezwaren. De rechtbank begrijpt dat het voor een bestuursorgaan lastig is om te corresponderen met een gemachtigde die gebruik maakt van door AI-gegenereerde teksten. Wat de heffingsambtenaar wel kan doen is eiseres vragen om verduidelijking. Dat heeft hij niet gedaan.
25. De conclusie is dat de brief van 6 januari 2025 aangemerkt had moeten worden als een bezwaarschrift tegen de legesheffing. Daarmee is tijdig bezwaar gemaakt tegen de legesheffing, zodat is voldaan aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 6:4 jo Pro artikel 6:5 van Pro de Awb. Omdat de heffingsambtenaar de brief van 6 januari 2025 niet heeft aangemerkt als bezwaarschrift bevat de bestreden besluit van 21 mei 2025 een gebrek. In de uitspraak op bezwaar is het standpunt ingenomen dat het bezwaar tegen de legesheffing niet in behandeling wordt genomen wegens het ontbreken van een tijdig en formeel bezwaar. Uit het verweerschrift van 22 december 2025 volgt dat de heffingsambtenaar heeft bedoeld het bezwaar tegen de legesaanslag niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank oordeelt dat die conclusie gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onjuist is. Dit levert een gebrek op in de bestreden uitspraak op bezwaar.
Het beroep tegen de aanmaningskosten
26. Met betrekking tot het beroep tegen de aanmaningskosten van € 9,- overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de legeskosten van € 150,- niet zijn betaald binnen de daarvoor opgelegde betaaltermijn. De aanmaning van 26 februari 2025 is in overeenstemming met artikel 2 van Pro de Kostenwet opgelegd. Het beroep van eiseres is ook hiertegen gericht. Omdat de opgelegde legesaanslag nog niet in rechte vaststaat en dit besluit onlosmakelijk is verbonden met de aanmaning, ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen, ook voor zover deze ziet op het onderdeel van de aanmaningskosten van € 9,-.
27. Het beroep is gegrond.

Conclusie en gevolgen

Terugwijzing
28. Gelet op voorgaande is het beroep gegrond en wordt de uitspraak op bezwaar vernietigd. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot het oordeel komt dat de brief of brieven ten onrechte niet als bezwaarschrift zijn aangemerkt, de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien. Die mogelijkheid ziet de rechtbank hier niet, omdat er door de heffingsambtenaar geen inhoudelijke standpunten zijn ingenomen ten aanzien van het bezwaar van
6 januari 2026 en eiseres zich hierover in beroep niet heeft kunnen uitlaten.
29. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank daarom het besluit van
21 mei 2025 vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen alsnog op het bezwaar tegen de legesaanslag en de aanmaningskosten te beslissen. De rechtbank komt daarmee niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Vergoeding griffierecht en proceskosten
30. Omdat het beroep gegrond is, dient de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres te vergoeden.
30. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de gemachtigde van eiseres niet valt aan te merken als professioneel rechtsbijstandverlener en er daarom geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand waarvoor gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking zouden komen.
32. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in dit standpunt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de gemachtigde van eiseres niet aan te merken als professioneel rechtsbijstandsverlener, nu dit standpunt door de heffingsambtenaar niet nader is onderbouwd. De vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten wordt daarom berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 21 mei 2025;
- draagt de heffingsambtenaar op binnen twaalf weken na de dag van verzending van dit besluit een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 24 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage bij UTR 25/3275

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

1Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
4Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

Artikel 6:4

1Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
2Het instellen van administratief beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij het beroepsorgaan.
3Het instellen van beroep bij een bestuursrechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter.

Artikel 6:5

1Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a.de naam en het adres van de indiener;
b.de dagtekening;
c.een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d.de gronden van het bezwaar of beroep.
2Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.
3Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a.niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b.het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Artikel 7:1

1Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
a.het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b.het besluit aan goedkeuring is onderworpen,
c.het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt,
d.het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4,
e.het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft,
f.het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
g.het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.
2Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.

Artikel 8:58

1Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
2Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:58 Awb Pro.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9210.