Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3705

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/16/595361 / HA ZA 25-314
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 150 RvArtikel 2.1 lid 1 WhtArtikel 2.12 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid Staat voor onrechtmatig handelen jegens kinderen toeslagenaffaire

De kinderen van een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire stelden de Staat aansprakelijk voor onrechtmatig handelen in het kader van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009. Zij vorderden een verklaring voor recht en schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade.

De rechtbank beoordeelde dat de kinderen onvoldoende concreet hadden gesteld welke besluiten onrechtmatig waren en dat de Staat gemotiveerd betwistte dat er sprake was van onrechtmatig handelen, vooringenomenheid of schending van het evenredigheidsbeginsel. De Belastingdienst/Toeslagen had de toeslagen over de jaren 2006 en 2007 terecht teruggevorderd vanwege het ontbreken van jaaropgaven, en de terugvorderingen over 2008 en 2009 waren niet betwist.

Hoewel de moeder van de kinderen een ruimhartige compensatie ontving in het kader van de hersteloperatie toeslagen, geldt voor de kinderen een strengere civielrechtelijke toets. De rechtbank concludeerde dat de Staat niet onrechtmatig had gehandeld jegens de kinderen en wees hun vorderingen af. De kinderen werden veroordeeld in de proceskosten, die zij hoofdelijk moeten betalen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de kinderen af en oordeelt dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/595361 / HA ZA 25-314
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van

1.[eisende partij sub 1] ,

2.
[eisende partij sub 2],
3.
[eisende partij sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaten: mrs. C.L.J.A. Spiertz en M. Jans
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Toeslagen),
te ’s-Gravenhage,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
Partijen worden hierna de kinderen en de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juni 2025 met 5 producties;
- de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 met 8 producties;
- de oproep voor de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025;
- de brief van 19 maart 2026 van de Staat met productie 9;
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. Jans, voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;
- de spreekaantekeningen van mr. [gemachtigde 1] , voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;
- het overzicht (uit)betalingen en/of verrekeningen Toeslagen 2006/2007, tijdens de mondelinge behandeling overhandigd door de Staat.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat op 27 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. Door organisatorische redenen is die datum niet gehaald en wordt uitspraak gedaan op
24 juni 2026.
2. De kern van de zaak
De moeder van de kinderen (hierna: de moeder) is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. De kinderen vinden dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld. Zij hebben de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat meent dat hij niet aansprakelijk is tegenover de kinderen. In deze procedure vorderen de kinderen een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen tegenover hen in het kader van de toeslagenaffaire. Het gaat hier om de besluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 en de daaruit voortvloeiende handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Staat niet aansprakelijk is tegenover de kinderen en zal de vorderingen van de kinderen daarom afwijzen.

3.De achtergrond van het geschil

Kinderopvangtoeslag
3.1.
Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling [1] , vastgelegd in de Wet kinderopvang. De Belastingdienst/Toeslagen is het aangewezen bestuursorgaan dat besluit over de toekenning, vaststelling en eventueel terugvordering van kinderopvangtoeslag. De moeder heeft in de jaren 2006 t/m 2009 kinderopvangtoeslag ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De moeder heeft daarna te maken gekregen met substantiële terugvorderingen van de Belastingdienst/Toeslagen.
De toeslagenaffaire en hersteloperatie
3.2.
Voor een goed begrip van deze uitspraak, wordt eerst geschetst welke herstelregelingen in het leven zijn geroepen en welke voorwaarden daarvoor gelden.
3.3.
Naar aanleiding van signalen van ouders over misstanden bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, heeft de staatssecretaris van Financiën in 2019 de Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: AUT) ingesteld. Het advies van de AUT heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De hersteloperatie is gebaseerd op de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT) voert deze regelingen uit.
3.4.
De procedure bij de herstelregelingen begint ermee dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets, waarbij wordt beoordeeld of iemand recht heeft op een eerste uitkering van € 30.000,00. Daarbij wordt bekeken of de aanvrager aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldeed, of de aanvrager ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen en of de kinderopvangtoeslag ten onrechte is stopgezet. Deze regeling staat ook wel bekend als de Catshuisregeling.
3.5.
Na deze eerste toets kan een gedupeerde een aanvraag doen voor een hogere vergoeding. In deze zogenoemde ‘integrale beoordeling’ wordt bekeken of de gedupeerde recht heeft op een vergoeding voor materiële en immateriële schade (de compensatievergoeding). Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald.
Aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade
3.6.
Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen via de Commissie Werkelijke Schade, de Stichting (Gelijk)waardig Herstel of via de Regieroute Vaststellingsovereenkomst.
Het toetsingskader van de Wht
3.7.
Op grond van de Wht kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag:
a) sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de
Dienst Toeslagen,
of
b) de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. [2]
3.8.
Of sprake is van institutionele vooringenomenheid (a) moet worden beoordeeld op basis van de volgende kenmerken:
collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde;
breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren;
gevolgd door een ‘zero tolerance’-onderzoek (…);
het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming daarin;
het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in stukken.
Bij de beoordeling of institutionele vooringenomenheid aanwezig is, gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier. [3]
3.9.
Van hardheid van het stelsel (b) is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato, namelijk op basis van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze (wél) tijdig zijn betaald aan de kinderopvanginstelling. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden [4] waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. [5]
Ruimhartige beoordeling
3.10.
Ouders hoeven in het kader van de hersteloperatie niet aan te tonen dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen. Bij het vaststellen van de compensatie, en zo ook bij de beoordeling of sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid, hanteert de UHT een ruimhartige maatstaf. Dat betekent dat het verhaal van de ouder leidend is en dat beschikbare gegevens in de systemen in het voordeel van de ouder worden uitgelegd. [6]
De compensatie die de ouders en de kinderen al hebben ontvangen
3.11.
De UHT heeft aan de moeder compensatie toegekend op grond van de Catshuisregeling waarna de moeder om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft verzocht. Uiteindelijk heeft zij op 7 maart 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de UHT. In totaal heeft de moeder een bedrag van € 430.250,00 ontvangen van de Staat, bestaande uit de compensatievergoeding en de vergoeding van haar werkelijke schade. Ook de vader van de kinderen heeft een schikking getroffen met de Staat. Via de ‘regieroute VSO’ is aan hem ruim € 260.000,00 uitgekeerd.
3.12.
Kinderen van gedupeerde ouders ontvangen via de ‘Kindregeling’ van de Wht ook een tegemoetkoming. De hoogte van die tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind en ligt tussen € 2.000,00 en € 10.000,00. [7] Op basis van de Kindregeling hebben de oudste twee kinderen bedragen van € 10.000,00 en het jongste kind een bedrag van € 8.000,00 ontvangen.
De vordering van de kinderen in deze civiele procedure
3.13.
Het gezin heeft in de periode van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag meerdere jaren ernstige financiële problemen gehad. [eisende partij sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de kinderen uitgelegd dat – en hoe – de financiële problemen en de bijkomende stress van hun ouders het dagelijks leven van hen als kinderen raakte. Ook heeft Dalayna verteld dat haar ouders door de financiële zorgen uit elkaar gingen, wat veel impact had op het gezin, maar ook op de kinderen individueel. De kinderen hebben daar veel last van gehad en ervaren dat de gevolgen daarvan nog steeds aanwezig zijn in hun leven.
3.14.
De kinderen stellen dat zij materiële en immateriële schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de Staat. Er is voor de kinderen, buiten de Kindregeling, geen bestuursrechtelijke mogelijkheid om vergoeding te krijgen voor de geleden schade. Daarom mogen zij hun vordering aan de civiele rechter voorleggen. [8]
3.15.
De kinderen vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat de Staat ten opzichte van hen aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen in het kader van de toeslagenaffaire. Zij willen daarnaast dat de rechtbank de Staat veroordeelt om de schade te vergoeden die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen hebben geleden. De kinderen baseren zich daarbij onder meer op de (erkenning van) aansprakelijkheid door de Staat tegenover hun moeder voor besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de UHT compensatie is toegekend. [9]
3.16.
Dat de kinderen een zware periode achter de rug hebben, staat vast. De rechtbank is onder de indruk van het verhaal van [eisende partij sub 1] , en de wijze waarop zij dat, ook namens haar broer en zus, naar voren heeft gebracht. Ook is het bijzonder hoe de kinderen zijn doorgegaan en zich hebben ontwikkeld onder moeilijke omstandigheden.
3.17.
Hoe moeilijk hun situatie echter ook was (en is), dat betekent niet automatisch dat daarmee de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de kinderen vaststaat. In de procedure bij de civiele rechter geldt namelijk een andere toets voor aansprakelijkheid dan de (ruimhartige) toets die de UHT hanteert. Bovendien gaat het hier niet om de moeder maar om de kinderen. De rechtbank zal daarom zelfstandig moeten beoordelen of de Staat in dit geval, ten opzichte van de kinderen, een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Daarnaast gelden in deze procedure de regels van het civiele bewijsrecht.

4.De beoordeling

Niet voldaan aan de vereisten voor een onrechtmatige daad
4.1.
De rechtbank zal de door de kinderen gevraagde verklaring voor recht dat de Staat tegenover hen aansprakelijk is, niet geven.
4.2.
In de civiele procedure geldt dat de kinderen, als eisende partij, de feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit volgt dat aan alle vereisten is voldaan die de wet aan een onrechtmatige daad stelt. [10] Het eerste vereiste voor een onrechtmatige daad is dat sprake moet zijn van onrechtmatig handelen of nalaten door de Staat (de normschending). [11] De vordering van de kinderen loopt al op dit onderdeel stuk, omdat niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de kinderen. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Geen normschending vastgesteld
4.3.
De kinderen baseren het onrechtmatig handelen van de Staat op alle besluiten en daaruit voortvloeiende juridische en feitelijke handelingen waarvoor de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de moeder expliciet is erkend. [12] Volgens de kinderen is de door moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 ontvangen kinderopvangtoeslag onterecht teruggevorderd. Zij menen dat de Belastingdienst/Toeslagen daarbij vooringenomen en in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.
4.4.
De rechtbank is echter van oordeel dat de kinderen niet concreet hebben gesteld welke besluiten en terugvorderingen onrechtmatig zijn en op welke wijze de Belastingdienst/Toeslagen vooringenomen is geweest of in strijd met de evenredigheid heeft gehandeld. Daar komt bij dat de Staat gemotiveerd heeft betwist dat de besluiten onrechtmatig zijn. De Staat stelt daarnaast – met de kennis van nu [13] – dat er geen sprake is geweest van vooringenomenheid richting de moeder of strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Staat heeft daarbij toegelicht hoe de besluiten en terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de Staat per jaar onder meer het navolgende naar voren gebracht, wat door de kinderen niet (gemotiveerd) is betwist.
Kinderopvangtoeslag in 2006
4.5.
Vanaf mei 2006 gingen de kinderen naar de kinderopvang. De moeder heeft een bedrag van € 12.328,00 ontvangen als voorschot op de kinderopvangtoeslag over 2006. Vanwege non-respons [14] is de kinderopvangtoeslag over dat jaar op nihil gesteld. [15] De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt, [16] waarna de Belastingdienst/Toeslagen de invordering heeft uitgesteld. Bij besluit van 7 april 2010 is het bezwaar ongegrond bevonden. [17] In de beschikking staat:

Om de kinderopvangtoeslag te kunnen berekenen hebben wij een jaaropgave van de kinderopvanginstelling(en) nodig. Ik heb u hierover op 24 februari 2010 gebeld. U heeft toen toegezegd een jaaropgave te zullen sturen. Dit is tot nu toe niet in ons bezit gekomen. U ontvangt dan ook geen nieuwe beschikking.
4.6.
Omdat de moeder geen jaaropgave over 2006 heeft opgestuurd is de Belastingdienst/Toeslagen bij haar besluit gebleven en in 2011 begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006. Op 27 december 2011 heeft de moeder alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd. [18] Op basis van de jaaropgave 2006 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2006 op 11 maart 2012 vervolgens vastgesteld op € 13.128,00 [19] . Het op dat moment al teruggevorderde deel van de toeslag over 2006 heeft de moeder alsnog ontvangen.
Kinderopvangtoeslag in 2007
4.7.
In 2007 werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet. De moeder ontving een voorschot van € 23.472,00 voor het jaar 2007. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 12 mei 2009 op nihil gesteld. Het voorschot over 2007 is door middel van verrekening teruggevorderd in de periode juli 2009 tot en met april 2011.
4.8.
Op 27 december 2011 heeft de moeder ook tegen de nihilbeschikking over 2007 bezwaar gemaakt en alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd. [20] Uit de jaaropgave 2007 blijkt dat het oudste kind tot en met maart 2007 naar de kinderopvang ging en de jongste twee kinderen tot en met juli 2007. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 10 maart 2012 vastgesteld op een bedrag van € 12.101,00. Dit bedrag is alsnog aan de moeder uitgekeerd.
4.9.
De kinderen hebben niet gesteld dat hun moeder in de tweede helft van 2007 of daarna nog kinderopvang heeft genoten.
Kinderopvangtoeslag in 2008 en 2009
4.10.
Omdat de moeder de kinderopvangtoeslag niet heeft stopgezet, werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet in 2008. De moeder ontving over 2008 een voorschot van € 23.458,00 en over 2009 een voorschot van € 23.204,00. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 bij beschikkingen van respectievelijk 14 mei 2010 en 21 april 2011 op nihil gesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de uitgekeerde bedragen bij de moeder ingevorderd.
4.11.
De moeder heeft tegen de nihilbeschikkingen voor de jaren 2008 en 2009 geen bezwaar gemaakt. Tussen partijen is ook niet betwist dat de moeder over de jaren 2008 en 2009 geen jaaropgaven van een kinderopvanginstelling aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft verstrekt.
Geen sprake van onterechte terugvorderingen of vooringenomenheid
4.12.
Op basis van de door de Staat overgelegde stukken blijkt niet dat sprake is geweest van onterechte terugvorderingen van kinderopvangtoeslag van de moeder, of dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
4.13.
Weliswaar heeft de UHT in het kader van de hersteloperatie vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen jegens de moeder aangenomen, maar die aanname is gedaan omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de Belastingdienst/Toeslagen de jaaropgaven daadwerkelijk bij de moeder had opgevraagd. De UHT heeft daarom aangenomen dat de moeder in de jaren 2007 tot en met 2009 kinderopvang heeft genoten en dat de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande uitvraag op nihil is gesteld. Op basis van het eerder genoemde (ruimhartige) toetsingskader heeft dit geleid tot de aanname van vooringenomenheid en vervolgens ook erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder.
4.14.
In deze procedure heeft de Staat een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen toch (diverse) uitvraag- en rappelbrieven heeft verstuurd aan de moeder over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009. [21] Deze gegevens waren tijdens de integrale beoordeling door de UHT nog niet bekend, en zijn pas in 2025 door de Auditdienst Rijk onderzocht en juist en volledig bevonden. [22] Hieruit blijkt dus dat de moeder, ondanks uitvraag van de Belastingdienst/Toeslagen, geen jaaropgaven heeft gestuurd over de tweede helft van 2007 tot en met 2009. Zij heeft daarmee niet aangetoond dat zij over die jaren recht had op kinderopvangtoeslag, terwijl zij wel diverse verzoeken heeft gehad om dat te doen. De Belastingdienst/Toeslagen is in eerste instantie ook terecht begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 aangezien de moeder, ondanks uitvraag, in eerste instantie geen jaaropgaven over die jaren heeft toegezonden en dit pas heeft gedaan op 27 december 2011. De Belastingdienst/Toeslagen mocht de door de moeder ontvangen kinderopvangtoeslag dan ook terugvorderen. Van een normschending op basis van onterechte besluiten of vooringenomenheid is daarmee niet gebleken.
Schending van het evenredigheidsbeginsel is niet gebleken
4.15.
De rechtbank heeft evenmin kunnen vaststellen dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld bij de vaststellings- en terugvorderingsbesluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder en bij de daaruit volgende juridische en feitelijke handelingen. Daarvoor heeft de rechtbank afgewogen of de nadelige gevolgen van de besluiten onevenredig zijn geweest in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. [23] Dat onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd is op zichzelf niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dat dit voor de moeder van de kinderen anders zou zijn geweest, is niet gebleken, althans daarvoor zijn door de kinderen onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht.
4.16.
Ook is niet of onvoldoende gebleken dat de wijze van invordering door de Belastingdienst/Toeslagen in deze zaak in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. De kinderen hebben niet concreet gesteld op welke wijze de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag bij de moeder heeft teruggevorderd en waarom dit in strijd met het onevenredigheidsbeginsel zou zijn. Weliswaar heeft de Staat volgens de kinderen geweigerd een betalingsregeling met de moeder te treffen, maar uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt dat geruime tijd is gewacht met nemen van terugvorderingsmaatregelen en dat de onterecht ontvangen bedragen over een periode van acht jaar zijn terugbetaald. [24]
4.17.
Voor zover de kinderen een verklaring voor recht beogen dat ook in meer brede zin sprake is van een onrechtmatige daad, omdat de wetgeving het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen mogelijk maakte, gaat ook dit betoog niet op. De wetgeving kan namelijk in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden uitgelegd maar dat is helaas langere tijd niet gedaan. [25]
De erkenning van aansprakelijkheid door de Staat leidt niet tot vaststelling van een normschending
4.18.
De kinderen hebben zich ook beroepen op de erkenning van de aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder. Maar dat beroep gaat niet op. De erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder heeft niet tot gevolg dat onrechtmatig handelen van de Staat tegenover de kinderen vast staat. De erkenning van aansprakelijkheid tegenover de moeder moet gezien worden in het licht van de hersteloperatie. De Staat heeft daarbij de pragmatische keuze gemaakt om een ruimhartig toetsingskader toe te passen voor compensatie, om daarmee te helpen de drempels naar compensatie zoveel mogelijk weg te nemen. Daarbij is van belang dat de kinderen niet concreet hebben gemaakt welke normschending in het specifieke geval van de moeder precies door de Staat zou zijn erkend. In elk geval hebben de kinderen daarmee niet aangetoond dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld.
Geen normschending vastgesteld – de rechtbank komt niet toe aan de relativiteit
4.19.
In deze civiele procedure is niet gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen ten opzichte van de kinderen onrechtmatig heeft gehandeld bij de besluiten en daaruit voortvloeiende handelingen over de kinderopvangtoeslag van de moeder in de periode 2006 tot en met 2009. Omdat de rechtbank geen normschending heeft vastgesteld zullen de vorderingen van de kinderen worden afgewezen.
4.20.
De rechtbank merkt nog op dat een belangrijk onderdeel van het debat tussen partijen ziet op de vraag of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de kinderen die hebben geleden (de relativiteit). Maar omdat er geen geschonden norm is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro.
De kinderen moeten de proceskosten betalen
4.21.
De kinderen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.23.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.24.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van de kinderen af,
5.2.
veroordeelt de kinderen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de kinderen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de kinderen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3. en 5.4. genoemde beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich, mr. M.S.T. Belt en mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. Mr. M.S.T. Belt is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
2.Dit volgt uit artikel 2.1 lid 1 Wht.
3.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71 en Eindadvies Adviescommissie uitvoering toeslagen “Omzien in verwondering 2” van 12 maart 2020, p. 23/24.
4.Bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld: (identiteits)fraude door een derde waar de aanvrager niet van afweet, of een geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening van aanvrager.
5.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 71.
6.Kamerstukken II 2021/22, 31 066, nr. 1025.
7.Artikel 2.12 Wht.
8.Zie ook Rechtbank Den Haag 11 maart 2026,
9.Productie 3 bij dagvaarding.
10.Artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
11.Artikel 6:162 lid 2 BW Pro.
12.Dagvaarding, randnummer 6.
13.Productie 9 van de Staat.
14.Non-respons wil zeggen dat de Belastingdienst/Toeslagen geen reactie heeft geregistreerd op de uitvraagbrief aan de hand waarvan (de omvang van) het recht op kinderopvangtoeslag kon worden vastgesteld.
15.Beschikking van 9 juni 2008.
16.Bezwaar van 18 juli 2008.
17.Productie 1 bij conclusie van antwoord.
18.Bezwaarschrift van 27 december 2011, productie 2 bij conclusie van antwoord.
19.Door een wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen werd de toeslag uiteindelijk hoger vastgesteld.
20.Productie 2 bij conclusie van antwoord.
21.Productie 9 bij conclusie van antwoord.
22.Kamerstukken II 2025/26, 36708, nr. 63.
23.De toets volgt uit artikel 3:4 Awb Pro en zie ook ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535, r.o. 8.11.
24.Productie 5 en 6 bij conclusie van antwoord.
25.Zie: Rechtbank Overijssel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1459, r.o. 4.55.