ECLI:NL:RBMNE:2026:371

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11813542 UC EXPL 25-6155 JH/1050
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000Wet maatschappelijke ondersteuningWet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmanege valt onder verplichtstelling Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn

De vennootschap onder firma die een manegebedrijf exploiteert en daarnaast zorgactiviteiten aanbiedt, vorderde een verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) valt. De rechtbank beoordeelde of de zorgactiviteiten van de manege kwalificeren als zorg in de zin van het verplichtstellingsbesluit.

De rechtbank stelde vast dat de manege vanaf 1 januari 2021 zorg verleent in de vorm van kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag, gefinancierd uit de Wet maatschappelijke ondersteuning en Wet langdurige zorg. Dit valt onder de omschrijving van zorg in het verplichtstellingsbesluit, ongeacht dat de manege hoofdzakelijk rijlessen aanbiedt. De uitzondering voor generalistische basis geestelijke gezondheidszorg was niet van toepassing.

De rechtbank wees de vordering van de manege af en stelde vast dat zij verplicht is aangesloten bij PFZW. Tevens werd de manege veroordeeld tot betaling van premies over de periode januari 2023 tot en met januari 2025, vermeerderd met wettelijke rente, en tot het verstrekken van informatie aan PFZW onder dreiging van een dwangsom. Beide partijen werden veroordeeld in hun proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de zorgmanege vanaf 1 januari 2021 onder de verplichtstelling van PFZW valt en veroordeelt tot betaling van premies en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11813542 UC EXPL 25-6155 JH/1050
Vonnis van 14 januari 2026
inzake
1. de vennootschap onder firma
[eiseres sub 1],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2.
[eiseres sub 2] , vennoot van eiser sub 1,
wonende in [woonplaats] ,
3.
[eiser sub 3] , vennoot van eiser sub 1,
wonende in [woonplaats] ,
verder ook tezamen te noemen [eiseres sub 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
gemachtigde: mr. F. Huisman,
tegen:
de stichting
Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,
gevestigd in Utrecht,
verder ook te noemen PFZW,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: Prof. dr. E. Lutjens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met 6 producties en de conclusie van antwoord met eis in reconventie en producties 1 tot en met 3d.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Namens eisers was mevrouw [eiseres sub 2] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Namens PFZW was mevrouw [A] ( [functie] ) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. Hiervan is door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De kern van de zaak

[eiseres sub 1] oefent een manegebedrijf uit. Haar activiteiten bestaan hoofdzakelijk uit het aanbieden van (paard)rijlessen. Zij biedt daarnaast vanaf 1 januari 2021 zorgactiviteiten aan. Volgens [eiseres sub 1] is het karakter en de omvang van de zorgactiviteiten niet van dien aard dat zij vanaf dat moment valt onder de verplichtstelling van PFZW. PFZW stelt dat dit wel het geval is. [eiseres sub 1] vordert daarom in deze procedure een verklaring voor recht dat zij niet valt onder de werkingssfeer van PFZW en uit dien hoofde niets verschuldigd is. Die vordering wordt afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres sub 1] vanaf 1 januari 2021 zorg verleent in de zin van het verplichtstellingsbesluit van PFZW. De reconventionele vorderingen van PFZW worden toegewezen.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. De deelneming in PFZW is voor werkgevers en werknemers in de sector Zorg en Welzijn verplicht gesteld op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
3.2.
Het verplichtstellingsbesluit van PFZW bepaalt voor de periode waar het in deze zaak om gaat (vanaf 2021) het volgende:

I De deelneming in de Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn is verplicht gesteld voor de hieronder gedefinieerde werkgevers en werknemers:
A. Werkgevers:
a. werkgevers in de intramurale en/of extramurale zorg
(…)
g. werkgevers in het welzijnswerk en de maatschappelijke dienstverlening
(…)”
Deze werkgevers worden als volgt nader omschreven:

a.werkgever in de intramurale en/of extramurale zorg:
de rechtspersoon, de maatschap, de vennootschap onder firma of de commanditaire
vennootschap in de zorg (met of zonder verblijf) die de inkomsten in enige mate direct of indirect van de overheid ontvangt en die, al dan niet met winstoogmerk, zorg of hulp verleent in een of meer van de volgende vormen:
(…)
4. begeleiding
(…)
uitgezonderd:
(…)
de werkgever die de activiteiten in de generalistische basis geestelijke gezondheidszorg uitsluitend verricht en/of laat verrichten zonder betrokkenheid van een medisch specialist. (…)
g.werkgever in het welzijnswerk en de maatschappelijke dienstverlening:
de rechtspersoon die de inkomsten geheel of ten dele direct of indirect ontvangt uit zorgverzekeringen of van de overheid en die, al dan niet met winstoogmerk, voor meer dan 50% van de inkomsten maatschappelijke zorg of hulp verleent in een van de volgende vormen:
1. sociaal-cultureel werk (…).
3.3.
PFZW heeft [eiseres sub 1] bij brief van 14 maart 2025 meegedeeld dat zij vanaf
1 januari 2021 verplicht is aangesloten bij PFZW. [eiseres sub 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. PFZW heeft [eiseres sub 1] inmiddels vier premiefacturen gestuurd over de periode van januari 2023 tot en met januari 2025. [eiseres sub 1] heeft deze facturen onbetaald gelaten.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
[eiseres sub 1] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat zij niet valt onder de werkingssfeer van PFZW en uit dien hoofde niets verschuldigd is aan PFZW. Hiervoor moet worden beoordeeld of [eiseres sub 1] een werkgever is in de zin van het verplichtstellingbesluit van PFZW.
4.2.
PFZW stelt dat [eiseres sub 1] zich vanaf 1 januari 2021 bezighoudt met het verlenen van ‘zorg of hulp’ in de vorm van ‘begeleiding’ en dus voldoet aan de omschrijving van werkgever in de intramurale en/of extramurale zorg (artikel I-A, ad a, van het verplichtstellingsbesluit). [eiseres sub 1] betwist dat zij intramurale of extramurale zorg verleent. Zij stelt dat zij geen zorginstelling is en dat haar activiteiten niet kwalificeren als zorg. Alles wat in het zorgkader wordt verricht, is volgens [eiseres sub 1] gelijk aan de reguliere activiteiten van de manege, zij het dat aan zorgklanten meer tijd en persoonlijke aandacht wordt besteed.
4.3.
Voor de uitleg van een bepaling in een verplichtstellingsbesluit geldt volgens vaste rechtspraak dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de tekst van het gehele verplichtstellingsbesluit, van doorslaggevende betekenis zijn (de zogenoemde cao-norm). Het komt dus niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen of bijbehorende schriftelijke toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit. Bij deze uitleg kan onder meer worden gekeken naar de op andere plekken in het verplichtstellingsbesluit gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
4.4.
De kantonrechter ziet geen aanknopingspunten voor de door [eiseres sub 1] bepleite beperkte uitleg van het begrip ‘intramurale of extramurale zorg’ in artikel I-A, ad a, van het verplichtstellingsbesluit. Uit niets blijkt dat een werkgever die zorg verleent een zorginstelling moet zijn om onder de werkingssfeer van PFZW te vallen. Bepalend is of de werkgever één van de in het verplichtstellingsbesluit omgeschreven vormen van zorg verleent. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter bij [eiseres sub 1] sprake. [eiseres sub 1] verleent namelijk zorg in de vorm van begeleiding. Het staat vast dat zij vanaf 1 januari 2021 activiteiten verricht als ‘zorgmanege’. Dat betreft kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag. [eiseres sub 1] biedt een plek waar gewerkt wordt aan zelfstandigheid, zelfvertrouwen, samenwerken en sociale vaardigheden. [eiseres sub 1] heeft een orthopedagoog in dienst die (onder meer) de werkzaamheden voor de zorgklanten verricht. De zorgactiviteiten van [eiseres sub 1] worden gefinancierd uit de zorgwetten Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en Wet langdurige zorg (WLZ). [eiseres sub 1] verricht dus zorg in de zin van artikel I-A, ad a, van het verplichtstellingsbesluit. Dat de activiteiten van [eiseres sub 1] hoofdzakelijk bestaan uit het aanbieden van (paard)rijlessen, maakt dit niet anders. Voor dit deel van het verplichtstellingsbesluit geldt namelijk geen hoofdzakelijkheidscriterium.
4.5.
In de dagvaarding heeft [eiseres sub 1] gesteld dat voor haar een uitzondering geldt op de verplichte deelneming omdat zij zich bezighoudt met generalistische basis geestelijke gezondheidszorg. PFZW heeft dit in de conclusie van antwoord uitdrukkelijk betwist. Onder verwijzing naar de toelichting behorende bij de wijziging van de verplichtstelling per 1 januari 2021 heeft PFZW gemotiveerd gesteld dat de uitzondering voor de generalistische basis ggz alleen geldt voor de zorg door psychologen en psychotherapeuten. [eiseres sub 1] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat [eiseres sub 1] niet onder de uitzondering valt.
4.6.
[eiseres sub 1] heeft verder gesteld dat haar activiteiten meer passen bij de omschrijving van werkgever in het welzijnswerk en de maatschappelijke dienstverlening (artikel I-A, ad g, van het verplichtstellingsbesluit). Daarvoor geldt een hoofdzakelijkheidscriterium, waar zij niet aan voldoet. De kantonrechter volgt [eiseres sub 1] niet in haar stelling en zal uitleggen waarom niet.
[eiseres sub 1] heeft in de dagvaarding niet concreet gesteld welke vorm van maatschappelijke zorg of hulp uit de verplichtstellingsbesluit op haar van toepassing is. Op de mondelinge behandeling heeft PFZW toegelicht dat welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening gericht is op het bevorderen van arbeidsparticipatie, dat door de overheid gefinancierd wordt vanuit de Participatiewet. [eiseres sub 1] heeft niet weersproken dat haar zorgactiviteiten daar niet op zijn gericht. De door [eiseres sub 1] verrichte zorgactiviteiten bestaan uit dagbesteding en hebben tot doel dat zorgklanten deels of volledig een plek vinden in de maatschappij. [eiseres sub 1] ontvangt voor de door haar verleende zorg ook geen financiering vanuit de Participatiewet, maar vanuit de zorgwetten.
4.7.
Dit alles betekent dat [eiseres sub 1] vanaf 1 januari 2021 verplicht bij PFZW is aangesloten. De door [eiseres sub 1] gevorderde verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van PFZW valt wordt afgewezen.
4.8.
[eiseres sub 1] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PFZW worden begroot op
€ 1.221, bestaande uit € 1.086 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 543) en € 135 aan nakosten.
In reconventie
4.9.
PFZW heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat [eiseres sub 1] vanaf 1 januari 2021 onder de verplichtstelling tot deelneming in PFZW valt. Gelet op het hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, wordt die vordering toegewezen.
4.10.
Omdat [eiseres sub 1] onder de verplichte deelneming in PFZW valt, is zij verplicht de statuten en reglementen van PFZW na te leven. De vordering van PFZW om [eiseres sub 1] te veroordelen tot betaling van de premiefacturen over de periode van januari 2023 tot en met januari 2025, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot de voldoening, is dan ook toewijsbaar.
Dat geldt ook voor de vordering van PFZW om [eiseres sub 1] te veroordelen tot het verstrekken van informatie. De kantonrechter zal aan deze veroordeling een dwangsom koppelen van € 500 per dag of gedeelte van een dag dat [eiseres sub 1] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000.
4.11.
[eiseres sub 1] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Die worden aan de kant van PFZW begroot op € 543 aan salaris gemachtigde (1 punt x € 543).

5.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiseres sub 1] in de proceskosten van € 1.221, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat dat [eiseres sub 1] vanaf 1 januari 2021 onder de verplichtstelling tot deelneming in PFZW valt;
5.5.
veroordeelt [eiseres sub 1] tot betaling van de in de eis in reconventie onder 5.7 genoemde premiefacturen van PFZW over de periode van januari 2023 tot en met januari 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot de voldoening;
5.6.
veroordeelt [eiseres sub 1] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan PFZW te verstrekken alle door PFZW verlangde informatie voor juiste uitvoering van het uitvoeringsreglement en het pensioenreglement, waaronder in ieder geval de in hoofdstuk 3, artikel 3.1 uitvoeringsreglement genoemde informatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of gedeelte van een dag dat [eiseres sub 1] daarmee in gebreke blijft, met een maximum aan € 50.000;
5.7.
veroordeelt [eiseres sub 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van PFZW, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 543;
5.8.
verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.