De vennootschap onder firma die een manegebedrijf exploiteert en daarnaast zorgactiviteiten aanbiedt, vordert een verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) valt. De rechtbank beoordeelt of de zorgactiviteiten van de manege kwalificeren als zorg in de zin van het verplichtstellingsbesluit.
De rechtbank stelt vast dat de manege vanaf 1 januari 2021 zorg verleent in de vorm van kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag, gefinancierd uit de Wet maatschappelijke ondersteuning en Wet langdurige zorg. Dit valt onder de omschrijving van werkgever in de intramurale en/of extramurale zorg zoals bedoeld in het verplichtstellingsbesluit. De manege voldoet daarmee aan de criteria voor verplichte deelneming in PFZW.
De manege betoogt dat zij geen zorginstelling is en dat haar activiteiten niet onder zorg vallen, maar dit wordt door de rechtbank verworpen. Ook de stelling dat zij onder de uitzondering voor generalistische basis geestelijke gezondheidszorg valt, wordt afgewezen. De rechtbank wijst de vordering van de manege af en wijst de reconventionele vorderingen van PFZW toe, waaronder de betaling van premies over de periode januari 2023 tot en met januari 2025 en het verstrekken van informatie, met een dwangsom bij niet-naleving.
De manege wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten in zowel conventie als reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.