ECLI:NL:RBMNE:2026:3750

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
12103949 \ MC EXPL 26-867
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 93 RvArt. 94 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij vorderingen tot herstel erfafscheiding en onrechtmatige daad

In deze civiele zaak tussen buren gaat het om een geschil over het verwijderen van een erfafscheiding en het in bezit nemen van een deel van een berm. Gedaagden hebben de inrit verbreed en daarbij een haag verwijderd. Eiser vordert herstel van de erfafscheiding en veroordeling van gedaagden tot terugplaatsing van de haag en herstel van de berm.

Gedaagden vorderen in een incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart omdat de vorderingen van onbepaalde waarde zouden zijn. De kantonrechter toetst de bevoegdheid aan de hand van de totale waarde van de vorderingen en de wettelijke grens van €25.000.

Eiser doet afstand van zijn eerste vordering, die geen zelfstandig belang heeft, en onderbouwt de waarde van de herstelvordering met een offerte van €3.045,50. De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen onder de grens blijven en verklaart zich bevoegd. De incidentvordering wordt afgewezen en de kosten worden gecompenseerd. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering in het incident af; hoofdzaak wordt verwezen naar rol voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12103949 \ MC EXPL 26-867
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 februari 2026, met producties
  • de exceptie van onbevoegdheid en conclusie van antwoord, met productie
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis in het incident zal worden uitgesproken.

2.De beoordeling in het incident

2.1
[eiser] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn buren van elkaar. Om de openbare weg te bereiken, moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een stuk over een onverhard laantje (het ‘lindelaantje’). Een deel van dat laantje is eigendom van [eiser] . Daarom hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een recht van uitweg (erfdienstbaarheid) gekregen om het lindelaantje te gebruiken.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de inrit vanuit het lindelaantje naar hun huis verbreed en daarbij een stuk haag weggehaald. In de hoofdzaak vordert [eiser] :
I. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld door het verwijderen van de erfafscheiding tussen hun perceel en het lindelaantje over een afstand van 5 meter en het in bezit nemen van het aangrenzende deel van de berm van het lindelaantje;
II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen een maand na betekening van dit vonnis deze erfafscheiding over een afstand van 5 meter terug te plaatsen op de kadastrale grens, het aangrenzende deel van de berm van het lindelaantje te herstellen in de oorspronkelijke staat en de taxushaag van circa twee meter hoog terug te plaatsen op de oorspronkelijke plek, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hier niet aan voldoen, en
III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident. Zij stellen dat de vorderingen onder I en II vorderingen van onbepaalde waarde zijn, zodat de kantonrechter niet bevoegd is van die vorderingen kennis te nemen.
2.3
De kantonrechter is bevoegd in zaken over vorderingen tot maximaal € 25.000,00, en zaken over vorderingen van onbepaalde waarde als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00 (artikel 93 sub a en Pro b van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Als een zaak over meerdere vorderingen gaat, moet worden gekeken naar de totale waarde van de vorderingen (artikel 94 Rv Pro).
2.4
Deze vordering in incident zal worden afgewezen. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat de tweede vordering feitelijk neerkomt op het terugbrengen van de situatie in de oorspronkelijke staat. [eiser] heeft een offerte bijgevoegd van een kwekerij voor het herstellen van de taxushaag, hek en berm langs het laantje, zoals dat was voor de verbouwing van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Deze offerte bedraagt € 3.045,50 inclusief btw. Dat is ruim onder de grens van € 25.000,00.
De eerste vordering heeft volgens [eiser] geen zelfstandig belang buiten de herstelvordering, waardoor deze vordering uitsluitend als juridische grondslag voor het gevorderde herstel dient. Er is volgens hem geen afzonderlijk, niet in geld uit te drukken belang dat los staat van de herstelvordering. Daarmee doet [eiser] feitelijk afstand van deze vordering, want zonder belang komt niemand een rechtsvordering toe (artikel 3:303 BW Pro). De kantonrechter is daarom bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De vordering in het incident zal dus worden afgewezen.
2.5
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Omdat [eiser] feitelijk afstand doet van zijn eerste vordering als zelfstandige vordering, wordt geen van partijen in het incident als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident:
3.1
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] af,
3.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
3.3
verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2026 voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
ES(50694)