ECLI:NL:RBMNE:2026:3754

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4586
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 5.1 OwArt. 7.4 OmgevingsregelingArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 15.2 planregels
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor ingangsportaal aan woning

Vergunninghouder vroeg op 23 december 2024 een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een ingangsportaal aan zijn woning. Het college verleende deze vergunning op 14 februari 2025. Eiseres, huurder van het aangrenzende perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning. Tijdens de bezwaarprocedure werd een wijzigingstekening ingediend waarbij de uitbouw werd verkleind. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond op 18 juli 2025 en handhaafde de vergunning.

Eiseres stelde onder meer dat de vergunning onjuist was gepubliceerd, dat participatie ontbrak, dat het bouwplan onvoldoende was getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en dat haar belangen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar ontvankelijk was behandeld, dat participatie niet verplicht was voor deze eenvoudige ontwikkeling en dat het bouwplan niet aan een nieuwe vergunning toe was omdat de wijziging van ondergeschikte aard was.

De rechtbank stelde vast dat het college de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt en dat het bouwplan stedenbouwkundig aanvaardbaar was, met voldoende afstand tot de woning van eiseres en zonder negatieve impact op het straatbeeld of de omgeving. De rechtbank concludeerde dat het college de vergunning terecht had verleend en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het ingangsportaal wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4586

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. B.J. Eising).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende], uit [plaats] (vergunninghouder).

Inleiding

1. Vergunninghouder wil een ingangsportaal (het bouwplan) plaatsen aan de voorzijde van zijn woning aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel). Hiervoor heeft hij op 23 december 2024 bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit (bouwen en afwijken). Met het besluit van 14 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
1.1.
Eiseres is huurder van het aangrenzende perceel aan de [adres 2] in [plaats] en is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft vergunninghouder op 12 juni 2025 een wijzigingstekening ingediend. De diepte van de uitbouw wordt verkleind van 2,45 meter naar 1,45 meter. De wijziging van het bouwplan is in de bezwaarprocedure meegenomen.
1.2.
Met het besluit op bezwaar van 18 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning, met een verbetering van de motivering, in stand gelaten. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door zijn partner [A] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college op goede gronden de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de gronden van eiseres.
Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van procedurele gebreken?
3. Eiseres heeft aangevoerd dat de omgevingsvergunning niet op de juiste wijze is gepubliceerd, waardoor haar rechtszekerheid en inspraakmogelijkheden geschaad.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het college het na afloop van de bezwaartermijn door eiseres ingediende bezwaar ontvankelijk heeft geacht en daarop inhoudelijk heeft beslist. Eiseres is dus niet in haar belangen geschaad.
Omvang van het geding
4. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het besluit op bezwaar van 18 juli 2025 ter beoordeling voorligt. Diverse gronden van eiseres, zoals onder andere het afgewezen verzoek om voorlopige voorziening, de feitelijke belemmering van toegang tot rechtsbescherming door een gebrek aan juridische kennis bij burgers, het oneerlijke verschil tussen huurders en kopers, het effect van de omgevingsvergunning op de WOZ-waarde en/of het energielabel van de woning van eiseres, zien niet op het bestreden besluit. Dit betekent dat deze gronden buiten de omvang van het geding vallen en in deze uitspraak niet inhoudelijk zullen worden behandeld.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouder geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Amersfoort’ (Omgevingsplan). Dat Omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat). [1]
5.1.
Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Amersfoort-oost’ (het bestemmingsplan) van kracht. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het perceel onder meer de enkelbestemming ‘Tuin’. Op de voor tuin aangewezen gronden mogen ingangspartijen worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende bestemming. [2] Het bouwplan voldoet niet aan het bestemmingsplan omdat de ingangspartij op de erfgrens staat. [3]
5.2.
Voor het bouwen van de ingangspartij is op grond van het Omgevingsplan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen en afwijken’ [4] vereist. De vergunning mag alleen verleend worden als de bouwactiviteit niet in strijd is met de regels uit het Omgevingsplan en niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. [5] De wijk waarin het perceel zich bevindt is in 2012 door de gemeenteraad van het college aangewezen als een welstandsvrij gebied. Dit betekent dat de criteria van de Welstandsnota 2017 Gemeente Amersfoort niet gelden voor het perceel. Het bouwplan is wel in strijd met de regels uit het Omgevingsplan. De aanvraag betreft daarom een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De toetsing van het bouwplan
6. Eiseres heeft aangevoerd dat het bouwplan onvoldoende is getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). [6] Dit met betrekking tot daglichttoetreding, ventilatie, vochtwering en energiezuinigheid.
6.1.
De rechtbank is het niet eens met eiseres. In het Bbl zijn regels te vinden over onder andere veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Ook worden technische eisen gesteld aan verbouwingen. Als een bouwwerk met een dak voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.25 van het Bbl is een vergunning nodig voor de (technische) bouwactiviteit. Het bouwplan voldoet niet aan deze criteria. Dit betekent dat vergunninghouder géén vergunning nodig heeft voor de (technische) bouwactiviteit. Hij moet zich bij het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden wél houden aan de regels van het Bbl. Hij is daarop gewezen in de omgevingsvergunning.
Welke bouwtekening is vergund?
7. Eiseres heeft aangevoerd dat voor haar onduidelijk is welke bouwtekening is vergund en wat dus de afmetingen zijn van de vergunde uitbouw. Er zijn namelijk twee bouwtekeningen ingediend. De laatste bouwtekening moet volgens eiseres als een nieuwe aanvraag worden gezien. De verleende vergunning op basis van de eerste bouwtekening had moeten worden ingetrokken of afgewezen.
7.1.
Op 23 december 2024 heeft vergunninghouder een vergunning aangevraagd voor het plaatsen van een uitbouw aan de voorzijde van zijn woning op het perceel. Bij die aanvraag zit een bouwtekening van 23 december 2024. De uitbouw van één bouwlaag wordt gebouwd op de erfgrens en is 2,45 meter diep en 2,775 meter breed. Op 14 februari 2025 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Tijdens de bezwaarprocedure heeft vergunninghouder een gewijzigde bouwtekening (wijzigingstekening) van 10 juni 2025 bij het college ingediend. De diepte van de uitbouw is in de wijzigingstekening teruggebracht van 2,45 meter naar 1,45 meter, de breedte (2,775 m) is gelijk gebleven. Het bouwplan krijgt daarmee een kleinere omvang. De wijzigingstekening is meegenomen in de bezwaarprocedure. Er is volgens het college geen nieuwe vergunningsaanvraag nodig, omdat de wijziging van ondergeschikte aard is.
7.2.
De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is een nieuwe vergunningsaanvraag niet vereist als het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard. [7] Belangrijk bij de beoordeling of de wijziging van ondergeschikte aard is, is het antwoord op de vraag of de ruimtelijke uitstraling van het oorspronkelijke bouwplan verandert en daarmee ook de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet moet per concreet geval beoordeeld worden. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
De wijzigingstekening is meegenomen in het bestreden besluit van 18 juli 2025 en ziet op de afmeting van de uitbouw. De uitbouw wordt één meter minder diep. Daarmee blijft de uiterlijke verschijningsvorm van het oorspronkelijk vergunde bouwplan en de ruimtelijke uitstraling daarvan vrijwel ongewijzigd. Gelet hierop is de wijziging van ondergeschikte aard en is het bestreden besluit van 18 juli 2025, de wijzigingsvergunning, daarmee aan te merken als besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De eerste bouwtekening ligt dus niet meer ten grondslag aan de verleende omgevingsvergunning.
Participatie
8. Eiseres heeft aangevoerd dat vergunninghouder niet aan participatie heeft gedaan, terwijl dat wel verplicht is.
8.1.
De rechtbank is het niet eens met eiseres. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat het bieden van participatiemogelijkheden door de initiatiefnemer voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning vrijwillig is. Een aanvraagvereiste is wel dat moet worden aangegeven of participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, wat hiervan de resultaten zijn. [8] In de aanvraag heeft vergunninghouder aangegeven dat hij niet aan participatie heeft gedaan. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is voorafgaande aan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. [9] De gemeente Amersfoort heeft participatiebeleid [10] vastgesteld. Dit beleid is in 2024 geactualiseerd en opgenomen in de ‘Participatiegids Amersfoort’. In hoofdstuk 4 van de participatiegids is te lezen dat een aanbouw aan een huis aan te merken is als een ‘eenvoudige ontwikkeling’. Participatie wordt bij deze ontwikkelingen wel geadviseerd, maar is niet verplicht.
Omdat participatie niet verplicht is, vormt ‘niet participeren’ geen wettelijke grond om een omgevingsvergunning te weigeren.
Belangenafweging
9. Eiseres heeft aangevoerd dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning haar belangen als direct aangrenzende huurder onvoldoende heeft meegewogen. De omgevingsvergunning heeft een impact op haar leefomgeving, zoals vermindering van zon- en daglicht in haar woning en tuin, privacy en straatbeeld. Dit leidt tot een onevenredige aantasting van haar woongenot.
9.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Daarbij kunnen de ruimtelijke effecten van dat wat al op grond van het omgevingsplan is toegestaan, buiten beschouwing blijven. [11] Dit betekent dat het college alleen de ruimtelijke gevolgen van de afwijking van het bouwen tot aan de erfgrens hoeft te beoordelen. Het te bebouwen oppervlak als zodanig staat niet meer ter discussie, omdat dit in overeenstemming is met het omgevingsplan.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de omgevingsvergunning en het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft daarbij overwogen dat het bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Na realisering van het bouwplan blijft er een voortuin over met een diepte van meer dan 2,5 meer. Ook is voldaan aan de eis dat het ingangsportaal hooguit 1,5 meter diep mag zijn. De voordeur is aan de straatzijde gesitueerd en het ingangsportaal krijgt geen ramen in de zijgevels. Het directe zicht op de straat blijft daardoor aanwezig en ongewenste inkijk op de naastgelegen percelen wordt voorkomen. Hierdoor blijft de sociale controle vanuit de woning op de straat gewaarborgd. Het bouwen tot de erfgrens van de woning van eiseres is ook aanvaardbaar. Het bouwplan wordt naast de voordeur van eiseres uitgevoerd. Hierdoor blijft er voldoende afstand tussen het nieuwe ingangsportaal en de ramen van eiseres en wordt haar uitzicht niet belemmerd. Het bouwplan heeft geen negatieve impact op de omgeving. Ook is geen sprake van een ongewenste precedentwerking. In het hele blok is sprake van naast elkaar gelegen voordeuren. Hierdoor is altijd sprake van enige afstand tussen een ingangsportaal en het raam van de naastgelegen woning. Omdat de maat en schaal van het bouwplan beperkt zijn tast het de woonuitstraling en het straatbeeld niet aan. Tot slot leidt het bouwplan vanwege de omvang en ligging op de noordzijde niet tot extra schaduw in de aangrenzende voortuinen. Het college concludeert dat gelet op het voorgaande het bouwplan voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9.3.
De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend en daarbij het belang van vergunninghouder bij de omgevingsvergunning zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiseres.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.
2.Artikel 15.2 van de planregels
3.Artikel 15.2.1 aanhef en onder d. van de planregels.
4.Artikel 5.1, eerste lid, sub a, van de Ow in samenhang met artikel 22.26 van het Omgevingsplan. Artikel 22.26 luidt: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te laten en te gebruiken.
5.Artikel 22.29, eerste lid aanhef en onder b van het Omgevingsplan. In dit artikel wordt verwezen naar de Welstandsnota 2017 Gemeente Amersfoort.
6.Eiseres noemt het Bouwbesluit 2012, dit besluit is per 1 januari 2024 vervangen door het Bbl.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1174.
8.Artikel 16.55, zesde lid, van de Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling
9.Dit is geregeld in artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet.
10.Beleidsregel ‘Participatie en inspraak in Amersfoort’ uit maart 2009, in
11.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:492.