ECLI:NL:RBMNE:2026:376
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontslag op staande voet wegens ontbreken dringende reden en doorbetaling loon
Werknemer was sinds 2 augustus 2025 in dienst bij werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden, lopende tot 2 februari 2026. Op 15 september 2025 ontving zij via WhatsApp bericht dat zij op staande voet was ontslagen wegens herhaald verzoek om salarisbetaling.
De kantonrechter oordeelde dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet, aangezien het herhaald vragen om salarisbetaling dit niet rechtvaardigt. Tevens was er geen geldige proeftijd overeengekomen, omdat de arbeidsovereenkomst korter dan zes maanden duurde, waardoor een proeftijd niet rechtsgeldig kon zijn.
Het ontslag op staande voet werd vernietigd en de arbeidsovereenkomst bleef van kracht totdat deze rechtsgeldig wordt beëindigd. Werkgever werd veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf de aanvang van het dienstverband tot de dag van rechtsgeldige beëindiging, waarbij het loon werd vastgesteld op het wettelijke minimumloon van €11,52 bruto per uur in plaats van het overeengekomen lagere bedrag.
Daarnaast werd werkgever veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het te laat betaalde loon en de wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid tot volledige betaling. De proceskosten van €768,00 en eventuele kosten van betekening kwamen eveneens voor rekening van de werkgever.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon inclusief wettelijke verhoging en rente.