ECLI:NL:RBMNE:2026:377

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/16/595529 / HL ZA 25-165
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 BWArt. 33 lid 2 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring paulianeuze overdracht auto wegens belastingschulden en faillissement

De Ontvanger van de Belastingdienst vordert een verklaring voor recht dat de overdracht van een Mercedes van [gedaagde sub 1] naar zijn broer [gedaagde sub 2] paulianeus is en vernietigd moet worden. [gedaagde sub 1] was belastingschulden verschuldigd en wilde deze ontlopen door de auto over te dragen. De rechtbank verleent verstek tegen [gedaagde sub 1] en behandelt het verweer van [gedaagde sub 2].

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] eigenaar was van de auto en dat de overdracht aan de voorwaarden van pauliana voldoet, omdat [gedaagde sub 1] wist van de belastingschulden en de overdracht de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger zou verminderen. De Ontvanger heeft de overdracht terecht buitengerechtelijk vernietigd.

Omdat [gedaagde sub 1] failliet is verklaard, valt de auto in de faillissementsboedel en kan de Ontvanger niet rechtstreeks aanspraak maken op de auto buiten de curator om. De vordering tot dulden wordt daarom afgewezen. De gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten, die verschillend zijn per partij.

Uitkomst: De overdracht van de auto is paulianeus en nietig verklaard, de vordering tot dulden is afgewezen en de gedaagden zijn veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/595529 / HL ZA 25-165
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/UTRECHT-GOOI,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: de Ontvanger,
advocaat: mr. C. Rijckenberg,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
advocaat: mr. J.B.M. Swart,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
De procedure is als volgt verlopen. Eerst heeft de Ontvanger op 9 april 2025 een dagvaarding uitgebracht. [gedaagde sub 1] heeft daarna niet voor antwoord geconcludeerd en heeft ook niet om uitstel gevraagd. Aan [gedaagde sub 1] is verstek verleend. [gedaagde sub 2] heeft met een conclusie van antwoord op de dagvaarding gereageerd.
1.2.
Vervolgens is bekend geworden dat [gedaagde sub 1] op 29 juli 2025 failliet is verklaard. De procedure is vervolgens geschorst en de Ontvanger heeft de curator (mr. J.W.H. Rouers) opgeroepen om alsnog in het geding te verschijnen. De curator heeft daarvan geen gebruik gemaakt en is niet verschenen. Het tegen [gedaagde sub 1] verleende verstek blijft dus bestaan. De procedure is daarna doorgegaan tegen [gedaagde sub 2] . De Ontvanger heeft een conclusie van repliek genomen en [gedaagde sub 2] heeft een conclusie van dupliek genomen.
1.3.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1] heeft belastingschulden. De Ontvanger wil die schulden bij [gedaagde sub 1] innen, door aanspraak te maken op zijn vermogen. Volgens de Ontvanger was [gedaagde sub 1] van dat laatste op de hoogte, toen hij zijn auto (een dure Mercedes) overschreef op naam van zijn broer, [gedaagde sub 2] . De Ontvanger heeft beslag gelegd op de auto en heeft de overdracht van de auto van [gedaagde sub 1] naar [gedaagde sub 2] buitengerechtelijk vernietigd [1] . Volgens de Ontvanger schreef [gedaagde sub 1] de auto namelijk alleen over met de bedoeling om deze uit de handen van de Ontvanger te houden. De Ontvanger vordert een verklaring voor recht dat (zo begrijpt de rechtbank) de overdracht van de auto paulianeus [2] was en de vernietiging doel heeft getroffen. Ook vordert de Ontvanger dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om te dulden dat de Ontvanger aanspraak maakt op de auto. [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 1] geen eigenaar was en [gedaagde sub 2] dus geen eigenaar geworden kan zijn, en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank wijst de verklaring voor recht toe en de veroordeling tot dulden af.

3.De beoordeling

Dit vonnis is ook voor [gedaagde sub 1] een vonnis op tegenspraak
3.1.
[gedaagde sub 1] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. Maar omdat [gedaagde sub 2] wel is verschenen, heeft dit vonnis ook tegenover [gedaagde sub 1] te gelden als een vonnis op tegenspraak. [gedaagde sub 1] kan dus geen verzet instellen, maar moet (als hij/ de curator het niet eens is met deze beslissing) hoger beroep instellen.
Het betoog van [gedaagde sub 2] heeft te gelden als verweer
3.2.
[gedaagde sub 2] stelt in het petitum van zijn conclusies dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank, maar betoogt ook waarom volgens hem de vorderingen van de Ontvanger onterecht zijn. Dat betoog beschouwt de rechtbank als verweer, en ook voor [gedaagde sub 2] is dit vonnis daarom een vonnis op tegenspraak.
[gedaagde sub 1] was eigenaar van de auto en de overdracht is nietig
3.3.
Volgens [gedaagde sub 2] was niet [gedaagde sub 1] , maar een (door [gedaagde sub 2] met name genoemde) Duitse onderneming eigenaar van de auto. Maar [gedaagde sub 2] maakt die stelling op geen enkele manier concreet. Naar zeggen van [gedaagde sub 2] zou de bestuurder van de Duitse firma met facturen en foto’s diens eigenaarschap hebben toegelicht. Het had op de weg van [gedaagde sub 2] gelegen om die facturen en foto’s dan ook in het geding te brengen. Of in ieder geval het bestaan daarvan concreet te maken, door bijvoorbeeld te omschrijven wat er op die foto’s te zien is en wat er op de facturen zou staan. Dat doet [gedaagde sub 2] niet. Ook legt [gedaagde sub 2] niet uit waarom hij kennelijk gemakkelijk berust in het eigenaarschap van de Duitse firma, terwijl de auto naar zijn zeggen aan hem is overgedragen als terugbetaling van door hem aan [gedaagde sub 1] verstrekte geldleningen. De rechtbank gaat aan de stellingen van [gedaagde sub 2] op dit punt voorbij.
3.4.
Als onweersproken staat vast dat de auto voorafgaand aan de overdracht in kentekenregister op naam stond van [gedaagde sub 1] . De kentekenhouder wordt vermoed eigenaar te zijn. Het tegendeel is in deze zaak niet gebleken. De rechtbank gaat er dus vanuit dat [gedaagde sub 1] de eigenaar was van de auto, en [gedaagde sub 2] vervolgens eigenaar is geworden.
3.5.
Als onweersproken geldt ook dat de overdracht aan de voorwaarden van pauliana voldoet. [gedaagde sub 1] wist op het moment dat hij de auto overdroeg aan [gedaagde sub 2] dat de Ontvanger de belastingschulden wilde innen, en dat de overdracht de verhaalsmogelijkheid van de Ontvanger zou verminderen. Uit niets blijkt dat [gedaagde sub 1] verplicht was de auto over te dragen. Volgens de Ontvanger is van geldleningen van [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] geen sprake, en [gedaagde sub 2] onderbouwt zijn stellingen op dat punt niet nader. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [gedaagde sub 2] niets heeft betaald voor de auto. Het doet er dan niet meer toe of [gedaagde sub 2] op de hoogte was van de belastingschulden van [gedaagde sub 1] , of dat de Ontvanger aanspraak maakte op de auto. Omdat aan alle voorwaarden voor paulianeus handelen is voldaan, heeft de Ontvanger de overdracht terecht buitengerechtelijk kunnen vernietigen op 2 april 2025 [3] . De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
De Ontvanger kan geen aanspraak maken op de auto
3.6.
Omdat de overdracht van de auto vernietigd is, is [gedaagde sub 1] eigenaar gebleven van de auto. [gedaagde sub 1] is failliet verklaard, wat betekent dat de auto in de faillissementsboedel valt waarop alle schuldeisers zich kunnen verhalen. Het is aan de curator om te bepalen hoe de opbrengst van de auto verdeeld zal gaan worden, met inachtneming van de toepasselijke wettelijke regels daarover. De Ontvanger zal zich hierover tot de curator moeten wenden, en kan niet buiten de curator om aanspraak maken op de auto. De Ontvanger heeft weliswaar voorafgaand aan het faillissement beslag gelegd op de auto, maar dat beslag is met het faillissement vervallen [4] . De veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zij moeten dulden dat de Ontvanger aanspraak maakt op de auto is daarom niet toewijsbaar.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
3.7.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Ontvanger worden begroot op:
Voor [gedaagde sub 1] Boulash:
- kosten van de dagvaarding
21,00
- salaris advocaat
307,00
(1 punt x € 614,00 x 0,5)
- nakosten
89,00
(tarief € 178,00 x 0,5)
Totaal
417,00
Voor [gedaagde sub 2] :
- kosten van de dagvaarding
21,00
- salaris advocaat
921,00
(1,5e punt x € 614,00 x 0,5)
- nakosten
89,00
(tarief € 178,00 x 0,5)
Totaal
1.031,00
3.8.
De Ontvanger heeft gevorderd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten. Dat wordt afgewezen, omdat de proceskosten voor beide gedaagden verschillend zijn. De nakosten worden verder beperkt tot het salaris, omdat er geen veroordeling is waar gedaagde partijen al dan niet aan kunnen voldoen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat de rechtshandeling(en) - overeenkomst(en) en/of leveringshandeling - die ten grondslag ligt/liggen aan de eigendomsoverdracht van de auto van [gedaagde sub 1] naar [gedaagde sub 2] paulianeus is/zijn en de door de Ontvanger ingeroepen vernietiging doel heeft getroffen,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten aan de zijde van de Ontvanger, voor [gedaagde sub 1] begroot op € 417,00 en voor [gedaagde sub 2] begroot op € 1.031,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
verklaart dit vonnis voor de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. F.H. Charbon op 21 januari 2026.
RW4211

Voetnoten

1.Productie 7 van de Ontvanger
2.Zoals bedoeld in artikel 3:45 e.v. BW
3.Productie 7 van de Ontvanger
4.Artikel 33 lid 2 Faillissementswet Pro