ECLI:NL:RBMNE:2026:378

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11767163 \ UC EXPL 25-5464
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid huurder voor huurachterstand en herstelkosten ondanks niet-bewoning

Mitros vordert betaling van huurachterstand en herstelkosten van twee huurders die samen een woning huurden. Alleen de eerste huurder heeft daadwerkelijk in de woning gewoond; de tweede huurder was medehuurder maar heeft nooit in de woning verbleven en was niet op de hoogte van de achterstand.

De huur is geëindigd na opzegging door de eerste huurder, met een openstaande schuld van €997,49 en herstelkosten van €340,50. De tweede huurder betwist betaling omdat zij niet in de woning woonde en niets wist van de kosten.

De kantonrechter oordeelt dat beide huurders hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de huurovereenkomst en algemene voorwaarden. De tweede huurder heeft de verhuurder niet geïnformeerd over haar vertrek en het feit dat zij nooit in de woning woonde. De vordering wordt daarom volledig toegewezen, inclusief wettelijke rente en proceskosten. De tweede huurder kan eventueel regres nemen op de eerste huurder, maar dat is niet aan de rechter in deze procedure.

Uitkomst: Beide huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van huurachterstand, herstelkosten, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11767163 \ UC EXPL 25-5464
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
STICHTING MITROS, (mede) h.o.d.n. QLINKER,
in Utrecht,
eisende partij,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

in [plaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde sub 2],
in [plaats] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen.
Partijen zullen hierna worden genoemd: Mitros, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het tegen [gedaagde sub 1] verleende verstek,
- de schriftelijke reactie van [gedaagde sub 2] op de dagvaarding,
- de conclusie van repliek,
- de schriftelijke reactie van [gedaagde sub 2] op de conclusie van repliek.
1.2.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in 2017 samen een woning van Mitros gehuurd. Alleen [gedaagde sub 1] is in de woning gaan wonen. In 2020 zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gescheiden. De huur is door opzegging van [gedaagde sub 1] geëindigd op 7 januari 2023. Op dat moment bedroeg de huurachterstand € 997,49, als gevolg van een storno van december 2022. Ook heeft Mitros na het vertrek van [gedaagde sub 1] uit de woning herstelkosten moeten maken van € 340,50. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze kosten (samen € 1.337,99) niet hebben betaald, vordert Mitros nu in deze procedure betaling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] vindt dat alleen [gedaagde sub 1] die kosten moet betalen. Zij heeft nooit in de woning gewoond en wist niets van een huurachterstand of andere kosten. De kantonrechter wijst de vordering van Mitros toe.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat [gedaagde sub 1] niet is verschenen in deze procedure, is tegen hem verstek verleend. Omdat [gedaagde sub 2] wel is verschenen, heeft dit vonnis ten opzichte van [gedaagde sub 1] wel te gelden als een vonnis op tegenspraak.
3.2.
De vorderingen van Mitros worden op zichzelf niet betwist, en de kantonrechter ziet geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Ambtshalve is onderzocht of mogelijk onredelijk bezwarende bedingen in de algemene huurvoorwaarden van Mitros in de weg staan aan toewijzing, maar dat blijkt niet het geval. Op grond van de huurovereenkomst en de toepasselijke algemene voorwaarden zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beiden hoofdelijk aansprakelijk voor het nakomen van de huurovereenkomst. [gedaagde sub 2] heeft de huurovereenkomst als medehuurder gesloten en die overeenkomst tussen haar en Mitros is nooit geëindigd. Ook heeft [gedaagde sub 2] kennelijk Mitros niet op de hoogte gesteld van haar scheiding met [gedaagde sub 1] , en ook niet van het feit dat zij nooit in de woning heeft gewoond. [gedaagde sub 2] voert aan dat zij nooit heeft ingeschreven gestaan op het adres van de woning. Maar het is niet aan Mitros om te controleren of haar huurders zich wel hebben ingeschreven op het adres van het gehuurde.
3.3.
De vordering van Mitros wordt daarom hoofdelijk toegewezen. Dat wil zeggen dat als de een betaalt, de ander tot de hoogte daarvan is gevrijwaard. Mitros kan echter de volledige vordering op zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] afzonderlijk verhalen.
3.4.
De kantonrechter kan zich voorstellen dat [gedaagde sub 2] niet op de hoogte was van de vordering en onplezierig verrast was toen deze haar bekend werd. Maar dat verminderd haar betaalplicht niet. Voor zover [gedaagde sub 2] meer heeft betaald dan haar deel, kan zij dat in regres verhalen op [gedaagde sub 1] . Maar dat kan de kantonrechter in deze zaak niet beslissen, omdat daarover geen rechtsvorderingen zijn ingesteld.
3.5.
Mitros vordert ook € 160,24 aan verschenen wettelijke rente tot de dagvaarding (24 juni 2025), plus de wettelijke rente over de hoofdsom en verschenen rente (samen € 1.337,99 + € 160,24 =) 1.498,23 vanaf die datum. Het eerste wordt toegewezen, het tweede afgewezen. Niet gesteld of gebleken is dat tot aan de dagvaarding precies een heel jaar is afgerond. Als het mindere zal de wettelijke rente over de hoofdsom worden toegewezen vanaf genoemde datum.
3.6.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mitros worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
994,47

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan Mitros te betalen een bedrag van € 1.498,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.337,99, met ingang van 24 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 994,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. F.H. Charbon op 14 januari 2026.
RW1368