ECLI:NL:RBMNE:2026:3781

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
13/030133-23 (uitstel VI) Zaaksnummer VI: 99/000677-58
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:12 SvArt. 6:6:8 SvArt. 6:1:3 SvArt. 6a OverleveringswetArt. 1.9 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstig misdragen in detentie

De veroordeelde, oorspronkelijk veroordeeld in Polen tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 10 maanden, verblijft sinds april 2023 in Nederland waar de straf wordt ten uitvoer gelegd. De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was vastgesteld op 8 juni 2026. Het Openbaar Ministerie verzocht om uitstel van deze invrijheidstelling vanwege het ernstige en herhaaldelijke ongewenste gedrag van de veroordeelde tijdens detentie.

Tijdens de zitting op 3 juni 2026 werden de officier van justitie, de veroordeelde met zijn advocaat en een reclasseringswerker gehoord. Uit rapportages bleek dat de veroordeelde zich vrijwel uitsluitend ongewenst gedroeg, met 24 disciplinaire straffen voor onder meer drugsgebruik, geweld en verbale agressie. De reclassering adviseerde uitstel van de invrijheidstelling en stelde voor om eerst de andere straf ten uitvoer te leggen.

De verdediging voerde aan dat het uitstel disproportioneel is, mede vanwege de hoge straffen in Polen en het ontbreken van perspectief op resocialisatie. De rechtbank oordeelde dat afstel niet proportioneel is, maar dat uitstel van 180 dagen passend is gezien het gedrag van de veroordeelde. Tevens gaf de rechtbank het Openbaar Ministerie in overweging om de volgorde van strafuitvoering te herzien met oog op resocialisatie.

De beslissing werd genomen door drie rechters en uitgesproken op 16 juni 2026, waarbij het verzoek tot uitstel gedeeltelijk werd toegewezen en de duur van het uitstel werd vastgesteld op 180 dagen vanaf de oorspronkelijke datum van voorwaardelijke invrijheidstelling.

Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met 180 dagen vanwege ernstig misdragen tijdens detentie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 13/030133-23 (uitstel VI)
Zaaksnummer VI: 99/000677-58
Beslissing ex artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 17 juni 2026
op de vordering van de officier van justitie tot afstel subsidiair uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] [postcode] in [plaats]
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) [locatie] ,
(hierna: veroordeelde).

1.De procedure

In 2016 heeft the District Court in Siedlce Polen veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 4 jaar en 10 maanden voor meerdere delicten gepleegd in Polen. Op 20 september 2022 is een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door the Regional Court in Siedlce Polen. De overlevering van veroordeelde werd verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bovengenoemde vrijheidsstraf. De veroordeelde verbleef op dat moment in Nederland. De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft in haar beslissing van 12 april 2023 met parketnummer 13/030133-23 het Europees aanhoudingsbevel geweigerd op grond van artikel 6a Overleveringswet en heeft de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland bevolen. Deze beslissing is onherroepelijk.
De veroordeelde heeft van 31 januari 2023 tot en met 15 februari 2023 in uitleveringsdetentie gezeten. De verdere tenuitvoerlegging van deze straffen is vervolgens op 12 april 2023 gestart.
De voorlopige datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde is 8 juni 2026. Hierna zal veroordeelde nog de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf van 1 jaar en 469 dagen moeten uitzitten (onder parketnummer 13/030139-23).
De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 6 mei 2026 strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege zal laten, subsidiair met 365 dagen zal uitstellen.
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op tijd is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.
De rechtbank is bevoegd om de vordering te behandelen, nu de veroordeelde momenteel gedetineerd is in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] .

2.2. Het onderzoek ter terechtzittingHet onderzoek is gehouden op de openbare zitting van 3 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. E. Wiersma;
- de veroordeelde, bijgestaan door zijn advocaat, mr. D.M.P. van Eijsden;
- mevrouw H.K.T. Stoel, reclasseringswerker.

3.De rapportage en toelichting daarop

Uit het advies van de (plv) vestigingsdirecteur van de PI [plaats] , locatie [locatie] , blijkt dat de veroordeelde gedurende zijn detentieperiode bijna alleen maar ongewenst of ontoelaatbaar gedrag laat zien. Veroordeelde heeft daarom bijna zijn gehele detentieperiode in het basisprogramma doorgebracht, neemt niet deel aan de arbeid en zet zich ook niet in het bijzonder in voor zijn re-integratie. In totaal heeft de veroordeelde 24 disciplinaire straffen opgelegd gekregen voor onder andere positieve urinetesten, het bezit van alcohol of softdrugs, verbale agressie en het gebruiken van fysiek geweld. Met deze gedragingen is de directie van de PI [plaats] van mening dat het toekennen van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet passend is.
Uit het rapport van 29 maart 2026 van Reclassering Nederland, opgesteld door mevrouw H.K.T. Stoel, blijkt dat het gedrag van veroordeelde in detentie op dit moment tot zorgen leidt. Op het moment van schrijven werd overplaatsing naar een andere PI overwogen. De reclassering heeft de indruk dat veroordeelde met softdrugsgebruik spanningen die hij in detentie opdoet tracht te luxeren. Naar aanleiding van het detentie & re-integratieadvies was met veroordeelde afgesproken in kader ‘Reclasseren in de PI’ periodiek gesprekken te houden die hem mogelijk zouden kunnen ondersteunen om te stoppen met softdruggebruik en vervolgens abstinent te blijven. Een uitkomst daarvan is dat veroordeelde is aangemeld voor de leefstijltraining. Dit is nog niet van start gegaan. Zijn situatie na detentie is vooralsnog weinig concreet en stabiel. De reclassering adviseert op dit moment uitstel van de voorlopige invrijheidstelling. Het recente grensoverschrijdende gedrag van veroordeelde vraagt om nader onderzoek naar de motivatie erachter. De reclassering acht het daarom wenselijk dat er uitgebreider onderzoek plaatsvindt om tot een nieuw advies te komen. Aangezien het door de nog uit te zitten straf van parketnummer 13/030139-23 nog even duurt voordat veroordeelde daadwerkelijk met voorwaardelijke invrijheidstelling zal kunnen gaan, acht de reclassering het wenselijk om tegen die tijd opnieuw een advies te vragen.
Mevrouw H.K.T. Stoel, reclasseringswerkster, is op de zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat in de penitentiaire inrichting de hulpverlening nog niet effectief van start is gegaan, maar dat sprake is van een terugval in gedrag bij veroordeelde. Deze terugval heeft de deskundige nog niet met veroordeelde kunnen bespreken. De indruk van de deskundige is dat een hoop communicatieve problemen en onduidelijkheden van invloed zijn geweest op het gedrag van de veroordeelde van de afgelopen maanden. Het zou meer recht doen aan de situatie van veroordeelde als de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 13/030139-23 eerst ten uitvoer zou worden gelegd, voordat wordt beoordeeld of veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld voor de straf met onderhavig parketnummer. Veroordeelde heeft dan iets om naartoe te werken en dan kan hij concreet aan de slag met zijn resocialisatie. Het advies van de reclassering is dan ook om de beslissing tot uitstel of afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen, niet om de voorwaardelijke invrijheidstelling zelf uit te stellen.

4.De standpunten

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting gevorderd de voorwaardelijke invrijheidstelling met 365 dagen uit te stellen. Het gedrag van veroordeelde tijdens zijn detentie is ontoelaatbaar en moet worden gesanctioneerd. De reclassering ziet wel dat de veroordeelde in zijn detentieperiode ook goede ontwikkelingen heeft doorgemaakt en dat onduidelijke communicatie ook een rol heeft gespeeld in zijn gedrag. Tijdens de periode dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld, is het aan veroordeelde om te laten zien dat hij zijn gedrag in positieve zin kan veranderen. Tijdens deze 365 dagen kan ook worden gekeken of maatwerk mogelijk is in de volgorde van tenuitvoerlegging van straffen. Het zou wenselijk zijn de straf in parketnummer 13/030139-23 ten uitvoer te leggen, voordat de voorlopige invrijheidstelling in onderhavig parketnummer aan de orde komt.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat er geen maatwerk is geleverd in de volgorde van de tenuitvoerlegging van straffen, waardoor veroordeelde geen perspectief heeft. Er kan niet concreet worden toegewerkt naar resocialisatie, omdat veroordeelde eerst de straf in parketnummer 13/030139-23 zal moeten uitzitten. Het drugsgebruik van veroordeelde is het grootste probleem in detentie. In de tijd dat veroordeelde in Nederland woonde en werkte, heeft dit echter niet voor problemen gezorgd. Veroordeelde heeft in detentie geprobeerd af te kicken, maar dit riep bepaalde emoties op, die de aanleiding zijn geweest van een geweldsincident waardoor veroordeelde is overgeplaatst. Er is ook sprake van veel miscommunicatie, onder andere door de taalbarrière. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om ook rekening te houden met het feit dat de straffen die in Polen zijn opgelegd veel hoger zijn dan de straffen die veroordeelde in Nederland voor soortgelijke feiten zou hebben gekregen. Het gaat ook om zeer oude feiten. Het is niet proportioneel om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen of achterwege te laten.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de zaak aan te houden, zodat kan worden nagegaan of het mogelijk is dat de straf in parketnummer 13/030139-23 eerst ten uitvoer wordt gelegd. Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen met een half jaar.

5.Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6:2:12, eerste lid, onder b sub 2, van het Wetboek van Strafvordering kan een voorwaardelijke invrijheidstelling onder meer worden uitgesteld of achterwege blijven, indien veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, welke misdraging kan blijken uit gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de raadsvrouw eens dat het op dit moment niet proportioneel is om de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig achterwege te laten. De primaire vordering tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Veroordeelde heeft zich tijdens zijn detentieperiode ernstig misdragen. Hij heeft 24 disciplinaire straffen opgelegd gekregen voor onder andere drugsgebruik/drugsbezit, het weigeren van instructies en het plegen van geweld binnen de inrichting. De directeur van de penitentiaire inrichting omschrijft het gedrag van veroordeelde tijdens zijn detentie als bijna alleen maar ongewenst of ontoelaatbaar. Het gedrag van veroordeelde tijdens zijn detentieperiode is naar het oordeel van de rechtbank reden om de vordering tot uitstel van de voorwaardelijk invrijheidstelling gedeeltelijk toe te wijzen, namelijk voor een termijn van 180 dagen. Het verzoek tot aanhouding van de raadsvrouw wijst de rechtbank dan ook af.
Volgorde tenuitvoerlegging straffen
De officier van justitie heeft op de zitting benoemd dat het wenselijk zou zijn als de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde pas aan de orde komt als hij de andere aan hem opgelegde straf, waarbij geen voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is, heeft uitgezeten. In deze zaak wordt echter een andere volgorde gehanteerd. De rechtbank wijst in dat kader op artikel 6:1:3 Wetboek Pro van Strafvordering en artikel 1.9 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, waarin staat dat bij de tenuitvoerlegging van straffen ook rekening wordt gehouden met de resocialisatie van de veroordeelde en dat gekeken kan worden naar een persoonsgerichte invulling bij de volgorde van de tenuitvoerlegging van straffen. De rechtbank geeft de officier van justitie daarom in overweging om aandacht te besteden aan de volgorde waarin de aan veroordeelde opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd, al dan niet in overleg met de hiervoor verantwoordelijke instanties, zodat dit mogelijk nog kan worden aangepast.

6.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe;
- bepaalt de duur van het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling op 180 dagen, te rekenen vanaf de oorspronkelijke datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beslissing is genomen door mr. S. Ourahma, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. van Balkom als griffier en uitgesproken ter openbaar terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.