ECLI:NL:RBMNE:2026:3784

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
16/230376-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 60a SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 13 jaar gevangenisstraf voor doodslag na afwijzing noodweerberoep

Op 19 juli 2025 heeft de verdachte in Utrecht het slachtoffer meermalen met een mes in de nek en bovenarm gestoken, wat leidde tot diens overlijden. De verdachte voerde noodweer aan, stellende dat hij uit reflex handelde tijdens een aanval van het slachtoffer. De rechtbank oordeelde echter dat het noodweerberoep faalde omdat de verdachte zich aan de aanval had kunnen onttrekken (onttrekkingsvereiste) en de verdediging niet noodzakelijk was.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte bewust de messen had uitgekozen en meegenomen naar de voordeur, anticiperend op een confrontatie. Het feit dat de verdachte de voordeur opende ondanks het dreigend gevaar en de mogelijkheid om de politie te bellen, maakte de verdediging niet subsidiarisch. De doodslag werd bewezen verklaard en strafbaar geacht.

De verdachte werd veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De rechtbank legde geen gedragsbeïnvloedende maatregel op vanwege onvoldoende recidivegevaar. De voorlopige hechtenis bleef geschorst vanwege de terminale ziekte van de verdachte.

De nabestaanden van het slachtoffer vorderden schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank wees de vorderingen grotendeels toe, met uitzondering van niet-onderbouwde posten gederfd levensonderhoud. Affectieschade en schokschade werden erkend en toegewezen, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor doodslag; beroep op noodweer verworpen wegens ontbreken subsidiariteit; vorderingen nabestaanden deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/230376-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1982] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.De zitting

De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 juni 2026.
Op de inhoudelijke zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie, mr. M.A.P.J.J. Lousberg;
  • de advocaat van de verdachte, mr. M.H.H. Meulemeesters;
  • de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] ;
  • de advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden), mr. C.H. Dijkstra.

2.De tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 19 juli 2025 in Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door hem met een mes in zijn nek en zijn bovenarm te steken.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde doodslag, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Weliswaar heeft de verdachte met een mes in de richting van de nek van het slachtoffer gestoken, waardoor een aanmerkelijke kans ontstond dat het slachtoffer zou worden gedood, maar de verdachte heeft deze kans niet willens en wetens aanvaard, zoals is vereist voor voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft onwillekeurig en in een reflex steekbewegingen gemaakt. Het handelen van de verdachte kan dus niet worden gezien als gericht op het doden van het slachtoffer, aldus de advocaat.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
De bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2.
Bewijsoverweging
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens een ruzie [slachtoffer] meermalen met kracht met een groot keukenmes diep in de nek heeft gestoken. Dit is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. De verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren op [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met kracht met een mes in de nek van die [slachtoffer] te steken.

4.De strafbaarheid van het feit

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat dit wordt gerechtvaardigd door noodweer. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte in zijn politieverhoren en ter zitting geschetste noodweersituatie op grond van het dossier aannemelijk is en niet kan worden weerlegd.
De door de verdachte geschetste noodweersituatie
De verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de keuken van zijn woning eten wilde gaan maken, en daarvoor een geschikt mes wilde uitkiezen. Op het moment dat hij twee grote keukenmessen in zijn rechterhand had, hoorde hij hard gebonk op de voordeur die zich een verdieping lager bevindt. De verdachte liep vervolgens de trap af naar de voordeur, in de veronderstelling dat het een pakketbezorger was die op de voordeur bonkte. Bij dit afdalen naar de voordeur hield de verdachte de twee keukenmessen, min of meer onbewust, in zijn rechterhand. Toen de verdachte de voordeur opendeed, bleek echter geen pakketbezorger voor de deur te staan, maar [slachtoffer] , het latere slachtoffer. [slachtoffer] stormde direct de hal in, viel de verdachte aan en sloeg op hem in, waardoor de verdachte een reflexbeweging maakte met zijn rechterhand, waarin hij de twee keukenmessen vasthad. Hierdoor werd [slachtoffer] , naar later bleek, dodelijk in de nek getroffen.
De ondersteuning voor de gestelde noodweersituatie in het dossier
Volgens de advocaat is het op grond van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de door de verdachte geschetste noodweersituatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vanwege het volgende.
Ten eerste is de hierboven geschetste gang van zaken in overeenstemming met hetgeen de verdachte vanaf zijn eerste verklaring ter plaatse tegen de politie tot en met de inhoudelijke behandeling op zitting consistent heeft verklaard. Ook in de afgeluisterde gesprekken blijft de verdachte consequent bij zijn verklaring over de noodweersituatie.
Ten tweede is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen inderdaad in zijn hand had, omdat hij wilde gaan koken. In zijn koelkast en vriezer werden voor het koken geschikte groenten en vlees aangetroffen en op het gasfornuis stond een steelpan. De toenmalige vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn eigen huis voor hen samen wilde gaan koken.
Ten derde is het aannemelijk dat de verdachte, toen hij de voordeur opende, in de veronderstelling verkeerde dat niet [slachtoffer] , maar een pakketbezorger voor de deur stond. De [straat] is een drukke straat en de verdachte was in de keuken op éénhoog, aan de achterkant van het gebouw, kookvoorbereidingen aan het treffen. Het kan dus heel goed dat de verdachte alleen het bonken, en niet het geschreeuw van [slachtoffer] heeft gehoord. Verder heeft de broer van de verdachte, die in dezelfde woning woont, verklaard dat er bij hen vaak pakketjes worden bezorgd, ook voor buren, en dat het goed zou kunnen dat hij die dag tegen de verdachte heeft gezegd dat hij een pakketje verwachtte.
Ten vierde is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen min of meer onbewust mee heeft genomen naar de voordeur, in ieder geval zonder de intentie om deze te gebruiken. Dit is in overeenstemming met het door de broer geschetste timide karakter van de verdachte. Verder is het niet heel vreemd om met twee messen in de hand een pakketje te willen aannemen. De messen kunnen na het openen van de voordeur immers uit het zicht blijven of even worden weggelegd. Verder geldt dat als de verdachte de messen al bewust zou hebben meegenomen in de wetenschap dat [slachtoffer] voor de deur stond, hij de messen ook kan hebben meegenomen om [slachtoffer] op afstand te houden.
Ten slotte staat op grond van de vele getuigenverklaringen vast, dat [slachtoffer] , nadat de voordeur door de verdachte werd geopend, als eerste in de aanval is gegaan, de verdachte naar achteren heeft geduwd en hard op hem in heeft geslagen. De verdachte heeft hierbij zelf ook lichamelijk letsel, waaronder een breuk in zijn sleutelbeen, opgelopen.
Voldaan aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, geen culpa in causa
Volgens de advocaat voldoet de door de verdachte in deze noodweersituatie verrichte verdedigingshandeling aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Tegen de aanval door het slachtoffer was immers verdediging noodzakelijk (subsidiariteit) en de verdachte heeft met zijn verdedigingshandeling de grenzen van deze noodzakelijke verdediging niet overschreden (proportionaliteit).
De verdediging was noodzakelijk, doordat de verdachte onverhoeds, in een kleine ruimte en vanaf korte afstand werd aangevallen door [slachtoffer] , die veel groter en zwaarder was dan hij. Er was in de nauwe hal geen mogelijkheid om zich aan deze aanval te onttrekken en geen andere mogelijkheid om deze aanval te pareren dan door zich te verdedigen zoals hij heeft gedaan. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn hierbij niet overschreden. Gelet op het fysieke krachtsverschil en het door het slachtoffer in zeer korte tijd toegepaste geweld en het toegebrachte letsel, was het verdedigingsmiddel, het steken met een mes, niet onevenredig. Hierbij speelt mee dat de verdachte zich in een zeer bedreigende situatie bevond en in een fractie van een seconde moest beslissen hoe te reageren en hoe de aanval te stoppen.
Ten slotte is van culpa in causa geen sprake. De verdachte heeft de fysieke aanval door [slachtoffer] immers niet uitgelokt of geïnitieerd, aldus de advocaat.
Conclusie
De advocaat concludeert dat de bewezenverklaarde geweldshandelingen zijn begaan uit zelfverdediging en niet strafbaar zijn, omdat deze worden gerechtvaardigd door noodweer. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde strafbaar is, omdat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van noodweer. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Het beoordelingskader
Als door de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter onder meer de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Bij dit onderzoek kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.
Voor de aanvaarding van het noodweerverweer is vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag daarvan voldoende aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat noodweerberoep steunt geldt niet als maatstaf dat het buiten redelijke twijfel moet zijn dat deze noodweersituatie heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg. [1]
4.3.2.
De aannemelijkheid van het noodweerscenario
De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat:
de verdachte op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken;
de verdachte op het moment dat hij de voordeur opende niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond;
de verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen.
De rechtbank licht dit als volgt toe.
Ad a)
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte, messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ten eerste heeft de verdachte wisselend verklaard over welk eten hij wilde klaarmaken, en zijn verklaring daarover aangepast aan de onderzoeksbevindingen.
Ten tweede heeft de politie vrijwel direct na de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer de keuken in de woning van de verdachte doorzocht. Hierbij heeft de politie geen concrete aanwijzingen gevonden dat de verdachte kookvoorbereidingen aan het treffen was.
Ten slotte is uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte gebleken dat de verdachte kort voor de confrontatie met het slachtoffer intensief chatverkeer met zijn toenmalige vriendin had. Uit deze chatberichten blijkt dat de verdachte in zijn woning aan het wachten was op een zekere “ [naam] ”, een drugsdealer, en dat de verdachte naar de woning van zijn vriendin zou gaan zodra deze “ [naam] ” was langsgekomen. Uit de chatberichten blijkt niet dat de verdachte van plan was om, voordat hij naar de woning van zijn vriendin zou gaan, voor hen beiden in zijn woning te gaan koken.
De advocaat heeft verwezen naar het verhoor bij de politie van de toenmalige vriendin van de verdachte op 29 november 2025, waarin zij verklaart dat de verdachte die avond in zijn woning “eten zou maken voor ons twee”. De rechtbank hecht echter geen waarde aan dit onderdeel van haar verklaring, vanwege het volgende. In een eerder verhoor bij de politie, op 22 juli 2025, heeft zij alleen verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn woning “aan het wachten was”, en niet dat hij voor hen beiden eten zou gaan koken. Verder reageert zij in een afgeluisterd telefoongesprek tussen haar en de verdachte op 6 augustus 2025, als de verdachte haar vertelt dat hij die avond wilde gaan koken, met “Dat dacht ik al”. De rechtbank leidt hieruit af dat zij daarvóór nog niet wist dat de verdachte die avond wilde gaan koken.
Ad b)
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat hij zijn voordeur opende, niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond, op grond van het volgende.
In het dossier bevinden zich camerabeelden, inclusief geluidsopnamen, van de kapperszaak die zich direct naast de woning van de verdachte bevindt. Op deze beelden is duidelijk te zien en op het geluid daarbij is te horen dat [slachtoffer] enige tijd voor de voordeur van de woning van de verdachte heeft gestaan en dat hij hierbij hard om de verdachte schreeuwt en hard op de voordeur bonkt. Dit geschreeuw en gebonk gaat door tot het moment dat de verdachte de voordeur opent. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het schreeuwen en bonken op zijn weg naar de voordeur en dus ook op het moment vóórdat hij de voordeur opent luid en duidelijk heeft gehoord. Ook kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dat moment wist dat het [slachtoffer] was die daar stond te schreeuwen en op zijn deur stond te bonken. De verdachte kende het slachtoffer immers al jaren en had kort voor dit moment op dezelfde dag nog een telefoongesprek met hem gevoerd waarin zij ruzie hebben gemaakt. Bovendien gebruikte [slachtoffer] voor de voordeur scheldwoorden die overeenkomen met de scheldwoorden die hij eerder die dag in het telefoongesprek en kort daarvoor in chatberichten gericht aan de verdachte had gebruikt.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de broer van de verdachte heeft verklaard dat hun gezamenlijke woning zeer gehorig is, zodat je in de woning de straatgeluiden duidelijk kunt horen. Dit blijkt ook uit de verklaring van de directe buurman van de verdachte dat hij vanuit zijn woning op éénhoog, voordat de voordeur door de verdachte werd opengedaan, hard geschreeuw bij de voordeur heeft gehoord.
De rechtbank gaat er, gelet op het bovenstaande, dus van uit dat de verdachte, voordat hij de voordeur opende, wist dat niet een pakketbezorger, maar [slachtoffer] voor de deur stond.
Ad c)
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen, op grond van het volgende.
Ten eerste acht de rechtbank het a priori onwaarschijnlijk dat iemand een groot keukenmes, laat staan twee van zulke messen, langere tijd in één hand vasthoudt zonder zich hiervan bewust te zijn. Dit geldt te meer als er met deze twee messen een relatief lange looproute wordt afgelegd, die bovendien de nodige aandacht vergt, omdat deze langs een smalle trap naar beneden loopt.
Ten tweede blijkt uit de foto’s in het dossier en de verklaring van de verdachte dat hij de betreffende twee messen bewust heeft uitgekozen uit meerdere andere aanwezige keukenmessen. Dit is een contra-indicatie voor het “min of meer onbewust” meenemen van deze messen naar de voordeur.
Ten derde heeft de politie in de woning van de verdachte op de vloer van de gang, bovenaan de trap, een ijsje aangetroffen dat door de verdachte, blijkens zijn eigen verklaring, kort daarvoor uit de vriezer was gehaald. Dit past bij het scenario dat de verdachte dit ijsje in zijn handen had toen hij gebonk hoorde op de voordeur, waarna hij het ijsje op de vloer heeft neergelegd of laten vallen en in de keuken messen is gaan uitzoeken.
Ten slotte acht de rechtbank, zoals onder ad a) en ad b) is uiteengezet, het niet aannemelijk dat de verdachte de messen had uitgezocht om mee te gaan koken, en ook niet dat hij niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond. De rechtbank acht het daarentegen aannemelijk dat de verdachte deze messen heeft uitgezocht met het oog op een aanstaande confrontatie met het [slachtoffer] , en dat hij deze messen daartoe bewust heeft meegenomen naar de voordeur.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt wél dat de verdachte en [slachtoffer] een (langlopend) zakelijk conflict hadden. Op 19 juli 2025 escaleerde het conflict. Beiden waren kwaad en over en weer zijn er beledigingen en bedreigingen geuit. Ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen is [slachtoffer] naar de woning van de verdachte gegaan. Daar heeft hij al schreeuwend hard op de deur gebonkt en tegen de deur getrapt. Toen de verdachte zijn voordeur opende, is hij vrijwel direct door [slachtoffer] aangevallen. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt bevestigd door vrijwel alle getuigen van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] .
Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bij het verdere oordeel over het noodweerverweer uitgaan van de situatie dat
  • er sprake was van een langlopend conflict waarbij er op 19 juli 2025 door de verdachte en door [slachtoffer] over en weer bedreigingen en beledigingen zijn geuit;
  • [slachtoffer] naar het huis van de verdachte is gegaan en daar hard op de deur heeft gebonkt en hard heeft geschreeuwd;
  • de verdachte op het moment van bonken en schreeuwen wist dat [slachtoffer] woedend voor de deur stond;
  • de verdachte met het oog op de te verwachten confrontatie met [slachtoffer] twee grote keukenmessen heeft uitgezocht en meegenomen naar de voordeur;
  • de verdachte na het openen van de voordeur vrijwel direct door [slachtoffer] werd geduwd en geslagen;
  • de verdachte vervolgens in de nek en bovenarm van [slachtoffer] heeft gestoken.
4.3.3.
Een dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding
Tegen de achtergrond van het langlopende conflict en de bedreigingen en beledigingen die eerder op de dag (over en weer) zijn geuit, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte op het moment dat [slachtoffer] hard op de voordeur van de verdachte bonkte en tegelijkertijd hard schreeuwde.
4.3.4.
De noodzakelijkheid van de verdediging (subsidiariteit)
De rechtbank dient te beoordelen of de door de verdachte in de praktijk gebrachte verdediging tegen deze dreigende aanval noodzakelijk was (de subsidiariteitseis). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hierbij geldt als maatstaf dat de verdediging niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk, maar óók dat de verdediging niet als noodzakelijk kan worden gezien, wanneer de verdachte bijvoorbeeld zich aan de (dreigende) aanval had kunnen en moeten onttrekken (het onttrekkingsvereiste). Van dit laatste is sprake wanneer er voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid was om zich aan de (dreigende) aanval te onttrekken, én deze onttrekking ook van de verdachte kon worden gevergd. [2]
De rechtbank is van oordeel dat er geen noodzaak tot verdediging was. Ten tijde van het bonken op de voordeur op de begane grond bevond de verdachte zich veilig in zijn woning op de eerste verdieping, met een werkende telefoon tot zijn beschikking. De verdachte had er, toen hij [slachtoffer] al schreeuwend op zijn voordeur hoorde bonken, voor kunnen kiezen om de voordeur niet open te doen, in zijn woning te blijven en eventueel de politie te bellen.
De rechtbank is van oordeel dat de keuze voor dit reële en redelijke alternatief ook van de verdachte kon worden gevergd, en overweegt daartoe als volgt. De verdachte was die dag in een hoog oplopend conflict met het slachtoffer verwikkeld, waarbij over en weer forse beledigingen en bedreigingen werden geuit. De verdachte heeft, toen hij het slachtoffer ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen op zijn voordeur hoorde bonken en schreeuwen, twee grote keukenmessen uitgezocht en deze meegenomen naar de voordeur. De verdachte ging er blijkbaar van uit dat, als hij de voordeur zou openen, een confrontatie met het slachtoffer zou volgen waarvoor hij deze keukenmessen nodig had. De verdachte anticipeerde hiermee, voordat hij de voordeur opendeed, op een dreigende fysieke aanval door het slachtoffer.
Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte niet met twee grote keukenmessen in de hand de confrontatie met het slachtoffer aan moeten gaan, maar deze confrontatie uit de weg moeten gaan en een van de hierboven geschetste alternatieven moeten beproeven. Deze confrontatie kon immers, volgens zijn eigen inschatting, levensbedreigende gevolgen hebben voor hemzelf en/of het slachtoffer.
De verdachte is echter de confrontatie met het slachtoffer aangegaan, met de twee grote keukenmessen in de hand. Na de aanval door het ongewapende slachtoffer heeft de verdachte hem met de meegebrachte messen gedood. Dit kan niet worden gerechtvaardigd of verontschuldigd door de aanval van het slachtoffer, omdat de verdachte de voor hem risicoloze alternatieven had moeten kiezen en dus de voordeur niet open had moeten doen en eventueel de politie had moeten bellen.
4.3.5.
Conclusie en kwalificatie
De rechtbank concludeert dat er voor de verdachte geen noodzaak was tot verdediging
en daarom strandt het beroep op noodweer.
Omdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar en levert het volgens de wet het volgende strafbare feit op:
doodslag.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de advocaat
De advocaat heeft bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde wordt verontschuldigd door noodweerexces.
5.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, omdat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft onder 4.3. geconcludeerd, dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat er geen noodzaak tot verdediging was. Dit betekent dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.
Er is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.De straf

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van het voorarrest;
  • de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van strafrecht (Sr);
  • een contactverbod met de nabestaanden en een locatieverbod voor de gemeente De Meern (op grond van artikel 38z Sr).
De officier van justitie heeft hierbij verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat geen enkele straf aanvaardbaar is voor de verdachte.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de advocaat primair bepleit deze op te heffen, vanwege de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de advocaat verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen, onder verwijzing naar de motivering door de rechtbank van de schorsingsbeslissing van 15 januari 2026 en de verslechterde gezondheidstoestand van de verdachte, zoals deze onder 6.3.5. zal worden besproken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
6.3.1.
Inleidende opmerkingen
Bij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3.2.
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] , een man van 39 jaar oud, in de kracht van zijn leven. De verdachte heeft door zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft ook de nabestaanden van [slachtoffer] hierdoor onherstelbaar leed berokkend en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Zij zullen moeten leven zonder hun geliefde vader, partner, kind, broer, zwager en vriend.
[benadeelde 1] , de partner van het slachtoffer, heeft ter zitting indringend verklaard hoe groot de verslagenheid en het verdriet was én is vanwege de gewelddadige dood en het plotselinge verlies van [slachtoffer] en het gemis dat deze onomkeerbare daad bij haar en haar gezin heeft veroorzaakt. Er is onzekerheid over alles, over de basisveiligheid. Hun gezin is voor altijd en blijvend ontwricht. Voor [benadeelde 4] en [benadeelde 5] was [slachtoffer] een held, een voorbeeld, een rots in de branding. Zij zullen verder moeten zonder hun liefdevolle vader.
Dat [slachtoffer] geliefd was en dagelijks gemist wordt, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel nabestaanden bij de zittingen.
De rechtbank weegt verder mee dat het door de verdachte gepleegde feit niet alleen voor de nabestaanden een traumatische ervaring is, maar mogelijk ook voor degenen die daarvan getuige zijn geweest. De doodslag vond plaats in een drukke straat met winkels en horeca, waardoor veel omstanders hiervan getuige zijn geweest. De verdachte heeft daardoor, in forse mate bijgedragen aan angstgevoelens in de samenleving.
De reden voor de doodslag was een escalatie van een zakelijk conflict. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De verdachte heeft hiermee het conflict geëscaleerd naar doodslag en alleen hij is daardoor verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij in plaats van deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, de verantwoordelijkheid voor de doodslag bij het slachtoffer legt.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.
6.3.3.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
De reclassering heeft op 19 mei 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de verdachte tot aan het moment dat hij in het kader van de onderhavige zaak in detentie kwam geen maatschappelijke problemen ervoer. De reclassering maakt zich wel zorgen over het middelengebruik van de verdachte. De verdachte gebruikt veelvuldig alcohol en cocaïne. Desondanks kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten, omdat zij maar beperkt zicht heeft gekregen op risicoverhogende en delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen, vanwege de slechte gezondheid van de verdachte.
Uit de door de advocaat verstrekte medische stukken over de verdachte blijkt dat de verdachte terminaal ziek is. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het erg slecht met hem gaat.
6.3.4.
De op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel kan terugdraaien wat er is gebeurd of het verdriet en de pijn van de nabestaanden kan wegnemen of verzachten.
De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag, een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, waarvoor binnen de rechtspraak doorgaans een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank houdt er rekening mee wat in andere, vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd.
Bovendien heeft de wetgever het strafmaximum voor doodslag per 1 juli 2023 verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar, om dit meer in balans te brengen met de strafmaxima van andere ernstige geweldsdelicten en meer recht te doen aan de ernst van doodslag. De rechtbank ziet hierin reden om zwaarder te straffen dan vóór deze wetswijziging in vergelijkbare zaken is gedaan.
De rechtbank zal bij de oplegging van de straf geen rekening houden met de slechte gezondheid van de verdachte. Deze slechte gezondheid doet immers niets af aan de ernst van het bewezenverklaarde, zoals deze in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, en de schuld van de verdachte hieraan.
De rechtbank zal bij de oplegging van de straf ook geen rekening houden met het achterliggende conflict tussen de verdachte en [slachtoffer] en de rol van [slachtoffer] daarin. Zoals in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, is alleen de verdachte verantwoordelijk voor de escalatie van het conflict, die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .
De rechtbank zal, alles overwegende, conform de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een gevangenisstraf van 13 jaar opleggen, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (op grond van artikel 38z Sr) niet opleggen. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende recidivegevaar, nu de doodslag plaatsvond binnen de specifieke context van een persoonlijk conflict. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet mogelijk is om nu in de strafzaak op grond van artikel 38z Sr een contact- en locatieverbod op te leggen. De inhoud van een dergelijke maatregel wordt pas ingevuld na een vordering tot tenuitvoerlegging aan het einde van de gevangenisstraf.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
6.3.5.
De voorlopige hechtenis
De verdachte is per 16 januari 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal aan de verdachte een straf opleggen die de duur van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht overstijgt. Dit betekent dat de verdachte naar de gevangenis moet als deze uitspraak onherroepelijk is.
De vraag die de rechtbank ook moet beantwoorden is of de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en de schorsing van de voorlopige hechtenis dus moet worden opgeheven. Dit zou betekenen dat de verdachte nu direct, voordat de zaak onherroepelijk is, terug naar de gevangenis moet. De rechtbank benadrukt dat dit een andere vraag is dan de vraag welke straf passend is voor wat de verdachte heeft gedaan. De rechtbank heeft, zoals hierboven weergegeven, geoordeeld dat aan verdachte een gevangenisstraf van 13 jaren wordt opgelegd.
De officier van justitie vindt dat de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en stelt dat sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de schorsing van verdachte eerder dit jaar. Die schorsing was volgens de officier van justitie ingegeven door onderzoeken en de start van de behandeling, die de verdachte moest ondergaan. Er is nu geen duidelijke prognose wanneer verdachte komt te overlijden en de behandeling is levensverlengend. Dit persoonlijke belang vindt de officier van justitie niet zwaarder wegen dan het belang van strafvordering en dus ook de samenleving bij het benemen van de vrijheid van verdachte.
De advocaat heeft bepleit dat het onmenselijk zou zijn om de verdachte – in zijn huidige toestand – terug te sturen naar de gevangenis.
De advocaat heeft verder verzocht de voorwaarden van de schorsing aan te passen, in die zin dat een identiteitsbewijs aan de verdachte zal worden teruggegeven. De verdachte ondervindt er in het dagelijks leven en bij zijn medische behandeling veel praktische hinder van dat hij geen enkel identiteitsbewijs tot zijn beschikking heeft, en wil te zijner tijd, bijvoorbeeld bij verdere verslechtering van zijn gezondheid, naar Marokko kunnen reizen.
Bij de beslissing over de voorlopige hechtenis gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die belangenafweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. De enkele omstandigheid dat bij het vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis, is geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Met andere woorden: het gegeven dat er aan de verdachte een lange gevangenisstraf is opgelegd waarvan hij nog een (groot) deel moet uitzitten, zoals in deze zaak, is onvoldoende om de verdachte direct weer vast te zetten. Ook in dat geval moet de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. [3]
In deze zaak betrekt de rechtbank het volgende bij de afweging van belangen.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Gelet op de huidige gezondheidstoestand van de verdachte en de specifieke context waarin het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen gevaar voor herhaling meer is. De twaalfjaarsgrond (met geschokte rechtsorde) is nog wel onverkort aanwezig. En met dit veroordelend vonnis zijn de belangen van strafvordering in gewicht toegenomen.
Deze belangen van strafvordering weegt de rechtbank af tegen de volgende persoonlijke belangen van de verdachte. De verdachte is terminaal ziek, zoals blijkt uit de door de advocaat overgelegde medische stukken en zijn toelichting ter zitting.
De verdachte heeft kleincellige longkanker (SCLC - Small Cell Lung Cancer), een van de agressiefste vormen van longkanker. De ziekte bevindt zich in stadium IV, wat het hoogste en ernstigste stadium is: de kanker heeft zich al buiten de longen verspreid naar andere organen, waaronder de lymfeklieren in het mediastinum (het gebied tussen de longen, rondom het hart), de hersenen (hersenmetastasen), de alvleesklier (pancreas) en de wervelkolom. Dit laatste is medisch zeer ernstig, omdat dit druk op het ruggenmerg veroorzaakt en tot ernstige zenuwpijn leidt. De verdachte gebruikt hiervoor zware pijnstillers.
De verdachte ondergaat behandelingen die gericht zijn op levensverlenging, niet op genezing. Verdachte verklaarde op zitting dat het heel slecht met hem gaat, hij de hele dag pijn heeft en bijna de hele dag in bed doorbrengt. Dat de gezondheid van de verdachte is verslechterd de afgelopen maanden, was ook op de zitting zichtbaar voor de rechtbank.
Het belang van verdachte om in vrijheid zijn proces af te wachten is er in gelegen dat hij in vrijheid zijn behandelingen kan ondergaan en het laatste stuk van zijn leven, met de continue pijn en achteruitgang die daarmee gepaard gaat, in zijn eigen huis en in aanwezigheid van zijn familie kan doorbrengen.
Alles afwegende weegt op dit moment het belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.
Wel zal de rechtbank de schorsingsvoorwaarde wijzigen, in die zin dat de verdachte zich niet mag begeven in de wijk [wijk] van Utrecht (i.p.v. gemeente De Meern).
Anders dan de advocaat ziet de rechtbank geen reden om de overige bijzondere voorwaarden te wijzigen. De rechtbank zal de overige bijzondere voorwaarden in stand laten.

7.De in beslag genomen goederen

De in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 2 juni 2026.
7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer:
  • 1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)
  • 2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).
De officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan de rechthebbende, zijnde de verdachte:
  • 3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi), rechthebbende: de verdachte.
  • 5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).
De officier van justitie heeft gevorderd het volgende in beslag genomen voorwerp terug te geven aan de rechthebbende, zijnde [A] :
4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo).
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de rechthebbende is van de telefoon van het merk Oppo met goednummer PL0900-2025244684-3562097, en niet [A] .
De advocaat heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer, omdat met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde doodslag is gepleegd, en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang:
  • 1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)
  • 2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).
De rechtbank zal de volgende voorwerpen teruggeven aan de rechthebbende, te weten de verdachte.
  • 3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);
  • 4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);
  • 5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook de rechthebbende is van de Oppo-telefoon met goednummer PL0900-2025244684-3562097, die immers in de woning van de verdachte is aangetroffen.

8.De vorderingen door benadeelde partijen

8.1.
De vorderingen
8.1.1.
De benadeelde partij [benadeelde 1]
Nabestaande [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van
€ 239.651,50 vordert, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
Dit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
- € 189.651,50 € 189.651,50 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:
 € 14.651,50 als vergoeding voor kosten voor lijkbezorging;
 € 175.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;
- € 50.000,- € 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:
 € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;
 € 30.000,- als vergoeding voor schokschade.
8.1.2.
De benadeelde partij [benadeelde 5]
Namens de minderjarige nabestaande [benadeelde 5] (dochter van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
  • € 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;
  • € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).
8.1.3.
De benadeelde partij [benadeelde 4]
Namens de minderjarige nabestaande [benadeelde 4] (zoon van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
Dit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
  • € 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;
  • € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).
8.1.4.
De benadeelde partij [benadeelde 3]
Nabestaande [benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade) die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.
8.1.5.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen vorderen tevens een verhoging van de gevorderde bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.
8.3.
Het standpunt van de verdediging
8.3.1.
Ten aanzien van alle vorderingen
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de advocaat verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.
Bij toewijzing van (een deel van) de vorderingen heeft de advocaat verzocht om op grond van artikel 6:101 BW Pro jo. 6:108 lid 5 BW op alle posten een “eigen schuld”-correctie toe te passen tussen de 50% en 75% van het gevorderde bedrag. De gedragingen van het slachtoffer hebben immers in vergaande mate bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de advocaat.
8.3.2.
Ten aanzien van de vordering door [benadeelde 1]
De advocaat heeft bepleit de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor schokschade. De directe confrontatie van deze benadeelde partij met de gevolgen van de ten laste gelegde doodslag was immers niet onverhoeds en onvermijdbaar, waardoor toekenning van een vergoeding voor schokschade niet op zijn plaats is.
8.4.
Het oordeel van de rechtbank
8.4.1.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.
De materiële schade
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten voor lijkbezorging” toe, omdat de gestelde schade (€ 14.651,50) voldoende is onderbouwd en niet inhoudelijk is betwist.
De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.
De immateriële schade.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en artikel 6:108 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Het gevorderde bedrag van
€ 20.000,- is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zal worden toegewezen.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “schokschade” gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door de directe (visuele) confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het strafbare feit is gedood.
De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op dit punt ter terechtzitting nader toegelicht.
De rechtbank stelt op grond van deze onderbouwing vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken.
Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis.
De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen. [4] De rechtbank stelt, alles overwegende, de door de benadeelde partij geleden schokschade vast op € 15.000,- en zal deze post van haar vordering tot dit bedrag toewijzen.
De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit gedeelte van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal
De rechtbank waardeert de totale te vergoeden materiële en immateriële schade op
€ 49.651,50 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.
8.4.2.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.
De materiële schade
De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.
De immateriële schade.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW Pro. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
8.4.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.
De materiële schade
De rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.
De immateriële schade.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW Pro. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
8.4.4.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW Pro. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.
8.4.5.
Geen eigen schuld
De rechtbank zal op de toe te wijzen schadevergoedingen geen eigen schuld-correctie toepassen, omdat niet is gebleken van een gedraging door het slachtoffer die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door de benadeelde partijen geleden schade.
8.4.6.
De wettelijke rente
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025 voor de affectieschade en schokschade en 28 september 2025 voor de kosten voor lijkbezorging.
8.4.7.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8.4.8.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.
Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoedingen, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoedingen te betalen.
In totaal mag niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling worden opgelegd. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank zal daarom het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar evenredigheid vaststellen, uitgaande van een totaalmaximum van 365 dagen.
8.4.9.
De proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

9.De toegepaste wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.3.5. is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
  • 1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050);
  • 2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047);
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
  • 3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);
  • 4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);
  • 5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL;
benadeelde partij [benadeelde 1]
  • wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 49.651,50, bestaande uit een vergoeding van € 14.651,50 voor materiële schade en een vergoeding van € 35.000,- voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
  • legt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 49.651,50 te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 169 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;
  • verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
benadeelde partij [benadeelde 5]
  • wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
  • bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;
  • legt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;
  • verklaart [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
benadeelde partij [benadeelde 4]
  • wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
  • bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;
  • legt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;
  • verklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
benadeelde partij [benadeelde 3]
  • wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
  • legt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 17.500,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil.
Voorlopige hechtenis
wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;
wijzigt de bij bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 15 januari 2026 opgelegde
voorwaarden in die zin dat de voorwaarden komen te luiden:
1. de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen;
2. indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan;
3. de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
4. de verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
5. de verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie;
6. de verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie;
7. de verdachte heeft alle op zijn naam staande paspoorten en identiteitsbewijzen ingeleverd bij het Openbaar Ministerie;
8. de verdachte zal Nederland niet verlaten;
9. de verdachte zal op geen enkele wijze, direct of indirect, contact opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen:
- [benadeelde 1] , geboortedatum [1989] ;
- [benadeelde 5] , geboortedatum [2016] ;
- [benadeelde 4] , geboortedatum [2018] .
De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
10. de verdachte zal zich niet begeven in de wijk [wijk] van de gemeente Utrecht. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of de bovenarm, althans in
het lichaam, van die [slachtoffer] te snijden/te steken.
Bijlage II: De bewijsmiddelen [5]
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Op zaterdag 19 juli 2025 omstreeks 20:10 uur, reed ik samen met collega [verbalisant] op de [straat] te [woonplaats] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] .
Ik zag dat er een man vanaf links, de weg op liep. Ik zag dat de man midden op de weg ging staan.
Ik zag dat de man zijn linkerhand op zijn op de linkerkant van zijn keel gedrukt had. Ik zag dat er uit de linkerkant van de nek van de man extreem veel bloed spoot. Ik zag aan zijn blik dat de man duidelijk in paniek was.
Ik zag dat de man naar de bijrijdersdeur van ons dienstvoertuig liep.
Ik zag dat er een bloedspoor op de grond lag vóór ons dienstvoertuig. Ik zag dat dit bloedspoor richting de woning van de [adres] ging. Ik zag dat er bloed op de muur naast de voordeur van de [adres] zat. Ik zag dat er een mannelijk persoon uit de deur kwam lopen. Hierna zal ik deze persoon noemen als zijnde verdachte.
Ik hoorde dat de verdachte zei: “Ik ben hierbij betrokken” of woorden van gelijke strekking. [6] Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen of woorden van gelijke strekking:
- ik heb hem neergestoken;
- het mes waarmee ik hem heb neergestoken, ligt achter de voordeur.
Verdachte: [verdachte] , geboortedatum [1982] te [geboorteplaats] .
Ik zag dat de man die eerder bloedend over straat liep, aan de overkant van de straat op de grond lag. [7]
Ik ben vervolgens aan de rugzijde van de man gaan zitten en plaatste mijn linkerhand op zijn buik en mijn rechterhand op zijn rug om de ademhaling in de gaten te houden.
Na ongeveer een minuut voelde ik dat de man niet meer ademde. Samen met collega’s heb ik de man op zijn rug gedraaid en ben ik de traumatische reanimatie van de man gestart.
Omstreeks 20.20 uur was de ambulance ter plaatse en hebben de reanimatie overgenomen en omstreeks 20.35 uur, zag ik dat het Mobiel Medisch Team ter plaatse kwam en ondersteunde bij de reanimatie.
Om 20.46 uur hoorde ik de arts van het Mobiel Medisch Team zeggen dat de man was overleden.
De overledene bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] . [8]
Op zondag 20 juli 2025 om 12:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] ter hoogte van nummer [huisnummer] . [9]
Begane grond (hal):
Bij het openen van de deur kwam ik terecht in een hal. Aan het einde van de hal zag ik een wit geverfde, steile trap naar boven.
Tegen de linker muur, op de vloer tegen het stootbord van de eerste traptrede, zag ik een vuilniszak liggen. Ik zag achter de vuilniszak, tegen de muur aan twee handvaten uitsteken, van messen. Ik heb eerst het voorste mes (het mes wat het meest tegen de vuilniszak aanlag) veiliggesteld. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en een wit lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Over het gehele lemmet zag ik bloedsporen.
Achter dit mes, tegen de muur aan, zag ik een tweede mes. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en zwart lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Op het lemmet zag ik bloedsporen. [10]
Getuige [getuige] heeft het volgende verklaard:
Vandaag op zaterdag 19 juli 2025 ging ik een stukje wandelen door de buurt samen met mijn moeder. Ik liep op de [straat] in de richting van de stad.
Ik zag dat er een busje geparkeerd stond recht voor de deur van de [adres] . [11] Ik zag dat er een grote man rondom het busje liep. Ik hoorde hem hard schreeuwen. Ik zag dat de man richting de deur van de [adres] liep.
Ik zag dat de deur werd geopend door een kleine man. Ik zag dat er een worsteling ontstond tussen de grote man en de kleine man.
Ik zag dat de kleine man een mes in zijn rechterhand vasthield.
Ik zag dat de kleine man het mes meerdere malen in de nek van de lange man stak. Ik zag dat er meerdere keren kort achter elkaar in de nek van de lange man werd gestoken. [12]
Ik zag dat de grote man naar buiten kwam lopen. Ik zag dat er extreem veel bloed uit de nek kwam van de grote man. [13]
In een deskundigenrapport van het NFI staat het volgende:
Overledene: [slachtoffer] , geboortedatum [1985] . [14]
Resultaten uit- en inwendige schouwing:
Aan de hals links, op circa 170 cm van de voetzolen en circa 7 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 4,2 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 9 cm.
Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader, een aftakking van de linker diepe halsader, een vertakking van de linker halsslagader en het strottenhoofd.
Aan de hals links, op circa 165,5 cm van de voetzolen en circa 6 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 2,0 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 5 cm.
Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader en diepere weke delen. [15] Deze steekletsels hebben geleid tot ernstig bloedverlies. Ook zijn hierbij functiestoornissen te verwachten van de ademhaling en de longen (door inademing van bloed bij de perforatie van het strottenhoofd), alsook van het hart (mede door aanzuiging van lucht via de geperforeerde halsaders). Op basis hiervan wordt het overlijden zonder meer verklaard. [16]
De verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik had koksmessen vast. [17]
Toen ik de deur open deed zag ik [slachtoffer] voor de deur staan.
Ik heb hem gestoken. [18]

Voetnoten

1.HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.
3.HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.
5.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-202544684, doorgenummerd pagina 1 tot en met 601, met als bijlage een Forensisch dossier, apart doorgenummerd pagina 1 tot en met 286. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
6.Proces-verbaal van bevindingen, pag. 12.
7.Proces-verbaal van bevindingen, pag. 13.
8.Proces-verbaal van bevindingen, pag. 15.
9.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 127.
10.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 129.
11.Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 52.
12.Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 53.
13.Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 54.
14.Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 100.
15.Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 101.
16.Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 103.
17.Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 142.
18.Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 596.