ECLI:NL:RBMNE:2026:3790

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/2837
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 GemeentewetArt. 7:15 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onjuist kenteken en proceskostenvergoeding griffierecht

Eiser parkeerde op 12 juli 2023 een auto op een betaalde parkeerplaats in Utrecht en betaalde parkeerbelasting, maar gaf daarbij een onjuist kenteken op. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op, die eiser betwistte. In bezwaar werd het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde.

Tijdens de beroepsprocedure erkende de heffingsambtenaar dat de naheffingsaanslag onterecht was en vernietigde deze, maar wees een verzoek tot proceskostenvergoeding af. De rechtbank oordeelde dat naheffing niet mogelijk is als de belasting is betaald, ook al is het kenteken onjuist ingevoerd. De naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar worden daarom vernietigd.

De rechtbank overweegt dat het niet correct invoeren van het kenteken een voorschrift is voor de aangifte en dat het niet tijdig overleggen van bewijs door eiser ertoe leidde dat de naheffingsaanslag niet eerder werd vernietigd. De hoorplicht is niet geschonden, aangezien eiser voldoende gelegenheid tot hoorzitting kreeg. De proceskosten in bezwaar en beroep worden niet vergoed, omdat de procedurekosten niet redelijkerwijs noodzakelijk waren. Wel moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd en het griffierecht aan eiser wordt vergoed, proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24 / 2837

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: J. Pablo)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft op 26 juli 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 23 februari 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft daarin de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd en het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen.
1.3
De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten
2. Eiser heeft op 12 juli 2023 om 16:32 uur een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats op het Brederoplein in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan.
Geschil
3. Eiser voert aan dat hij wel parkeerbelasting heeft betaald op 12 juli 2023 om
13:01 uur, maar dat de parkeerautomaat het laatste teken van zijn kenteken niet heeft overgenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser tijdens de beroepsprocedure een betaaloverzicht overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat op 12 juli 2023 tussen 13:01 uur en 23:00 uur parkeerbelasting is betaald voor een auto met kenteken [kenteken] .
4. De heffingsambtenaar gaat in beroep mee met eiser en vernietigt in het verweerschrift de naheffingsaanslag. Hierbij heeft de heffingsambtenaar gesteld dat eiser niet voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt, omdat de naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en de naheffingsaanslag in bezwaar ook niet onrechtmatig is gehandhaafd. Eiser is het daar niet mee eens.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat eiser de voor het parkeren van zijn voertuig verschuldigde belasting heeft betaald, zij het daarbij een onjuist kenteken is ingevoerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat naheffing in dat geval niet mogelijk is. [1] Dat brengt mee dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven en het beroep gegrond is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Proceskosten in bezwaar
6. De rechtbank overweegt verder dat het invoeren van het (juiste) kenteken behoort tot de voorschriften voor de wijze van voldoening op aangifte van parkeerbelasting als bedoeld in artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet. Eiser heeft niet op de voorgeschreven wijze aangifte gedaan en als gevolg daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het herroepen van de naheffingsaanslag het gevolg is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. [2] Daarom bestaat geen aanleiding voor het vergoeden van de proceskosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Proceskosten in beroep
7. Ook voor het toekennen van een vergoeding van de proceskosten in beroep bestaat geen aanleiding. Omdat eiser het betaaloverzicht met het onjuiste kenteken pas in beroep heeft overgelegd, was er voor de heffingsambtenaar ook in de bezwaarfase geen aanleiding om de naheffingsaanslag te vernietigen. Het ligt op de weg van eiser om stukken, waarmee hij zijn stelling aannemelijk kan maken, tijdig over te leggen. Als eiser het betaaloverzicht eerder had overgelegd, was de naheffingsaanslag al eerder vernietigd en was een beroepsprocedure niet nodig geweest.
8. De rechtbank gaat in dat kader ook niet mee in het betoog van eiser dat hij in bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, en dat als dat wel was gebeurd, hij de mogelijkheid zou hebben gehad om uit te leggen dat er een fout zat in het ingevoerde kenteken. Met de overgelegde screenshots van de e-mails van
30 november 2023, 12 januari 2024, 2 februari 2024 en de uitnodiging van 19 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat eiser voldoende gelegenheid is geboden om deel te nemen aan een hoorzitting. Er is uiteindelijk een hoorzitting gehouden op 22 februari 2026, maar (de gemachtigde van) eiser is daarbij niet verschenen. De hierboven genoemde e-mails zijn gestuurd naar het e-mailadres [emailadres] .nl. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat dit het juiste e-mailadres is. In de bijlage bij de e-mails is een pdf-document opgenomen met de titel “ [eiser] (BMW)”. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de uitnodigingen voor de hoorzittingen ook op onderhavige zaak betrekking hadden. Uit de door eiser overgelegde e-mails blijkt daarnaast – in tegenstelling tot wat eiser stelt – niet dat de hoorzitting pas op 22 maart 2024 zou plaatsvinden. De heffingsambtenaar heeft de hoorplicht dus niet geschonden.
9. Gelet op het voorgaande was het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de beroepsfase naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk. [3] De daarvoor gemaakte proceskosten hoeven daarom niet aan eiser te worden vergoed, nu het hier niet gaat om kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr.A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
De rechter is verhinderd om te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:316.
2.Vgl Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3226.
3.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127.