ECLI:NL:RBMNE:2026:3792

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/2784
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep paspoortleges wegens ontbreken procesbelang en toekenning dwangsom

De heffingsambtenaar van de gemeente Baarn legde aan eiser een legesaanslag van €77,85 op voor de aanvraag van een paspoort. Eiser stelde de heffingsambtenaar in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar en verzocht om een dwangsom. De heffingsambtenaar wees het bezwaar ongegrond en weigerde de dwangsom toe te kennen.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang had bij het beroep tegen de aanslag, omdat het ging om een principiële kwestie over de rechtsgeldigheid van de kassabon en niet om een persoonlijk belang. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Wel werd het beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar om geen dwangsom toe te kennen gegrond verklaard, en werd een dwangsom van €322 vastgesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.

Daarnaast werd eiser in de proceskosten veroordeeld, waaronder vergoeding van reiskosten en een deel van de verletkosten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat het financiële belang gering was en de overschrijding van de redelijke termijn beperkt. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 25 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de paspoortleges is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, maar de dwangsom wegens te late beslissing op bezwaar is toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2784

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: S. Quijs en J.J.J. van der Tuuk).

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag leges van € 77,85,- opgelegd in verband met de aanvraag van een paspoort.
1.2
Bij brief van 12 februari 2024, ontvangen door de heffingsambtenaar op
13 februari 2024, heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom toe te kennen indien niet binnen de gestelde termijn uitspraak op bezwaar werd gedaan.
1.3
Bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het tegen de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4
Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar vastgesteld dat eiser geen recht heeft op een dwangsom. De rechtbank zal dit besluit met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb betrekken bij het beroep.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 27 mei 2026. Eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
2. Eiser stelt dat de kassabon die hij ontving bij het ophalen van zijn paspoort niet voldoet aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan de wijze van belastingheffing. De kassabon geeft niet aan dat het een leges aanslag betreft en bevat ook geen rechtsmiddelenclausule. Eiser weerspreekt verder de stelling van de heffingsambtenaar dat de baliemedewerkers bij het afgeven van het paspoort de informatie mondeling mededelen.
3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de kassabon een beschikking is die volgens de wet moet voldoen aan een aantal verplichte eisen. Bij de bekendmaking van het besluit dient een melding gemaakt te worden van de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Dit kan ook mondeling. Mocht onverhoopt deze mededeling niet zijn gedaan, dan leidt dit niet tot nietigheid van de aanslag, maar enkel dat het termijn voor het indienen van bezwaar niet eindigt na zes weken. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting toegelicht dat het gaat om een heffingswijze ‘op andere wijze’ en dat de kenbaarheidsvereisten zijn opgenomen in de Legesverordening.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting heeft eiser expliciet verklaard dat deze beroepsprocedure voor hem gaat over de rechtsgeldigheid van de wijze van belastingheffing. Eiser wil duidelijkheid scheppen voor toekomstige situaties en ziet het als zijn taak om de gemeente op fouten te wijzen. De rechtbank leest het beroepschrift daarom zo, dat eiser geen grieven tegen de aanslag paspoortleges heeft, maar een principiële uitspraak vraagt over de rechtsgeldigheid van de kassabon en de procedure van uitgifte van een paspoort. Eiser heeft alleen een principieel belang bij een inhoudelijke beoordeling. Er is niet gebleken dat eiser een ander belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Voor de rechtbank weegt daarbij mee dat eiser ervan op de hoogte is dat het hier een aanslag leges betreft waar men bezwaar en beroep tegen kan instellen. Het hebben van een enkel principieel belang is onvoldoende om procesbelang aan te nemen. [1] De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft en verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 13 maart 2024 niet-ontvankelijk.
Dwangsom
5. Eiser heeft de heffingsambtenaar bij brief van 12 februari 2024 in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken op het bezwaar te beslissen. De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling ontvangen op 13 februari 2024. Op 5 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het verzoek van eiser om een dwangsom afgewezen. Gelet op de datum van de uitspraak op het bezwaar is de heffingsambtenaar een dwangsom van € 322,- verschuldigd (14 dagen, € 23,- per dag). Ter zitting hebben partijen dit bevestigd. De rechtbank zal de hoogte van verbeurde dwangsom vaststellen op € 322,-. Het beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 5 juni 2024 is gegrond.
Proceskostenvergoeding
6. Omdat het beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 5 juli 2024 gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser betalen. Eiser heeft ook gevraagd om reis- en verletkostenvergoeding. Eiser vraagt om verletkosten van € 103,- per uur. De rechtbank ziet aanleiding aan te sluiten bij haar uitspraak van 4 februari 2026 en
14 maart 2025, waarin ook verletkosten aan eiser zijn toegekend.
7. Op 27 mei 2026 stonden vier zaken van eiser tegelijk op zitting gepland. Het beroep van eiser in onderhavige zaak (voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op bezwaar) en in de zaak UTR 24/5546 zijn gegrond. De rechtbank deelt de reis- en verletkostenvergoeding daarom door twee. De rechtbank stelt deze kosten als volgt vast:
€ 7,20,- (€ 14,40 / 2) aan reiskosten en € 110,25,- (2,5 x € 89 / 2) aan verletkosten, omdat eiser door de reis naar en aanwezigheid op de zitting zijn werk als zelfstandige niet heeft kunnen doen. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in deze proceskosten veroordelen.
Immateriële schadevergoeding
8. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
9. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser door de heffingsambtenaar op 4 november 2023 is ontvangen. Sindsdien zijn er (afgerond) 2 jaren 8 maanden verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met (afgerond) 8 maanden overschreden.
10. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 [2] heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van
€ 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [3] Gelet op het geringe bedrag van de naheffingsaanslag blijft het financiële belang van de procedure ver onder de bagatelgrens van € 1.000,-. Ook uit de aard van deze zaak en de daarin door eiser ingenomen standpunten, is de rechtbank niet gebleken van een grote spanning en frustratie bij eiser. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar paspoortleges niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2024 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover daarbij is nagelaten een dwangsom toe te kennen aan eiser;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd en stelt de hoogte van die dwangsom vast op € 322,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser ten bedrage van
€ 110,25;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de reiskosten tot een bedrag van
€ 7,20;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser het griffierecht van € 51,- voldoet;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY4584.
2.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
3.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.