ECLI:NL:RBMNE:2026:3794

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/5546
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:45 AwbArt. 6:46 AwbArt. 6:96 AwbArt. 6:97 AwbArt. 6:99 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens niet toekennen dwangsom bij belastingaanslag grafrecht

De heffingsambtenaar van de gemeente Baarn legde op 26 februari 2023 een aanslag algemeen onderhoud graf op aan eiser. Eiser maakte bezwaar tegen deze aanslag en stelde de heffingsambtenaar in februari 2024 in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar, met het verzoek om een dwangsom toe te kennen. De heffingsambtenaar wees het bezwaar ongegrond en weigerde een dwangsom toe te kennen, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat eerdere uitspraken over de publicatie van beleidsregels onherroepelijk zijn en dat eiser onvoldoende gemotiveerd had betoogd waarom deze onjuist zouden zijn. Het beroep spitste zich toe op de vraag of de kostendekkendheid van de grafrechten voldoende was onderbouwd. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar dat er geen inkomsten uit verkoop van edelmetalen zijn en dat de gemeente slechts twee begraafplaatsen beheert, waardoor geen sprake is van willekeurige belastingheffing.

Wel stelde de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar de ingebrekestelling ontving en niet binnen de gestelde termijn op het bezwaar had beslist, waardoor een dwangsom van € 322,- is verbeurd. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover deze de dwangsom betrof en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van de dwangsom, proceskosten, reiskosten, verletkosten en griffierecht. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen vanwege het geringe financiële belang en de omstandigheden van de zaak.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het niet toekennen van een dwangsom en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van de dwangsom en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: S. Quijs en J.J.J. van der Tuuk).

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft op 26 februari 2023 aan eiser een aanslag “algemeen onderhoud graf” van € 103,65,- opgelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.
1.2
Bij brief van 12 februari 2024, ontvangen door de heffingsambtenaar op
13 februari 2024, heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom toe te kennen indien niet binnen de gestelde termijn uitspraak op bezwaar werd gedaan.
1.3
Bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en vastgesteld dat eiser geen recht heeft op een dwangsom. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 27 mei 2026. Eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat over de vraag of de heffingsambtenaar de beleidsregels van de gemeente Baarn op de juiste manier heeft gepubliceerd, in eerdere procedures bij deze rechtbank al een oordeel is gegeven. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5 van de uitspraken van 30 januari 2026. [1] Eiser heeft niet gemotiveerd betoogd waarom deze eerdere oordelen onjuist zijn. Het betoog slaagt dan ook niet. De rechtbank zal op de overige onderdelen van het betoog van eiser hieronder ingaan.
3. Ter zitting is aan de orde gekomen dat het beroep van eiser zich toespitst op de vraag of de heffingsambtenaar de kostendekkendheid van de grafrechten voldoende heeft onderbouwd. Eiser stelt dat er sprake is van willekeurige belastingheffing, omdat er ten eerste door de heffingsambtenaar geen inzicht is gegeven in de opbrengsten van de verkoop van edelmetalen bij geruimde graven en ten tweede de gemeente meer begraafplaatsen beheert dan de twee begraafplaatsen die de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar noemt. Er zijn namelijk nog 20 grafheuvels waar de gemeente ook zorg voor draagt en kosten voor maakt.
4. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de gemeente geen inkomsten voor de begraafplaatsrechten door verkoop van edelmetalen kent. Daarom is hier geen post voor opgenomen. De heffingsambtenaar stelt verder dat de gemeente Baarn twee begraafplaatsen beheert en geen grafheuvels. De door eiser geschetste omstandigheden kunnen volgens de heffingsambtenaar daarom niet leiden tot een overschrijding van de kostendekking. De rechtbank ziet geen reden om aan de woorden van de heffingsambtenaar te twijfelen en volgt hem in zijn betoog. Uit hetgeen de heffingsambtenaar heeft overgelegd en tijdens de zitting heeft toegelicht volgt dat de gemeente Baarn, in de omstandigheden die eiser schetst, geen inkomsten genereert of extra kosten maakt die tot gevolg kunnen hebben dat de totaal geraamde opbrengsten boven de totaal geraamde kosten uitstijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsom
5. Eiser heeft de heffingsambtenaar bij brief van 12 februari 2024 in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken op het bezwaar te beslissen. De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling ontvangen op 13 februari 2024. Gelet op de uitspraakdatum is de heffingsambtenaar een dwangsom van € 322,- verschuldigd (14 dagen, € 23,- per dag). Ter zitting hebben partijen dit bevestigd. De rechtbank zal de hoogte van verbeurde dwangsom vaststellen op € 322,-.
6. Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen voor zover deze betrekking heeft op afwijzen van de dwangsom.
Proceskostenvergoeding
7. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser betalen. Eiser heeft ook gevraagd om reis- en verletkostenvergoeding. Eiser vraagt om verletkosten van € 103,- per uur. De rechtbank ziet aanleiding aan te sluiten bij haar uitspraken van 14 maart 2025 en 4 februari 2026, waarin ook verletkosten aan eiser zijn toegekend. [2]
8. Op 27 mei 2026 stonden vier zaken van eiser tegelijk op zitting gepland. Het beroep van eiser in onderhavige zaak en in de zaak UTR 24/2784 (voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op bezwaar) zijn gegrond. De rechtbank deelt de reis- en verletkostenvergoeding daarom door twee. De rechtbank stelt deze kosten als volgt vast:
€ 7,20,- (€ 14,40 / 2) aan reiskosten en € 110,25,- (2,5 x € 89 / 2) aan verletkosten, omdat eiser door de reis naar en aanwezigheid op de zitting zijn werk als zelfstandige niet heeft kunnen doen. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in deze proceskosten veroordelen.
Immateriële schadevergoeding
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
10. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser door de heffingsambtenaar op 21 maart 2023 is ontvangen. Sindsdien zijn er (afgerond) 3 jaren en 3 maanden verstreken. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar met (afgerond) 1 jaar en 3 maanden overschreden.
11. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 [3] heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van
€ 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4] Als de termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, moet naar bevind van zaken worden beslist. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [5]
12. In dit geval is de termijn met meer dan twaalf maanden overschreden. Daar staat tegenover dat, gelet op het geringe bedrag van de naheffingsaanslag (€ 103,54,-) het financiële belang van de procedure ver onder de bagatelgrens van € 1.000,- blijft. Ook uit de aard van deze zaak en de daarin door eiser ingenomen standpunten, is de rechtbank niet gebleken van een grote spanning en frustratie bij eiser. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden volstaat de rechtbank in dit geval dan ook met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarbij is nagelaten een dwangsom toe te kennen aan eiser;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd en stelt de hoogte van die dwangsom vast op € 322,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser ten bedrage van
€ 110,25;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de reiskosten tot een bedrag van
€ 7,20;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser het griffierecht van € 51,- voldoet;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 30 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:219 en ECLI:NL:RBMNE:2026:220.
2.Rechtbank Midden-Nederland 14 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7104. Rechtbank Midden-Nederland 4 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:297.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
4.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.
5.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.