ECLI:NL:RBMNE:2026:381

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/16/599452 / HA RK 25-157
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 185 WegenverkeerswetArt. 6:101 Burgerlijk WetboekArt. 6:96 lid 2 Burgerlijk WetboekArt. 1019w-1019cc Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 1019aa lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met elektrische bakfiets en snorscooter: aansprakelijkheid 75%-25%, geen billijkheidscorrectie

Op 5 april 2023 vond een aanrijding plaats tussen een snorscooter met blauw kenteken bestuurd door [A] en een elektrische bakfiets bestuurd door [verzoekster], die zwanger was en haar jonge kind vervoerde. [verzoekster] liep letsel op en vordert volledige schadevergoeding van ASR, de verzekeraar van [A]. ASR erkende aansprakelijkheid voor 50% op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet Pro (WVW), met een beroep op eigen schuld van [verzoekster].

De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] geen voorrang heeft verleend aan [A], wat mede heeft bijgedragen aan het ongeval. De causale verdeling wordt vastgesteld op 75% voor [verzoekster] en 25% voor [A]. De rechtbank oordeelt dat geen billijkheidscorrectie op de vergoedingsplicht van ASR moet worden toegepast, mede omdat het inherent gevaar van gemotoriseerd verkeer al is verdisconteerd en het letsel van [verzoekster] onvoldoende ernstig is aangetoond.

Verder worden de buitengerechtelijke kosten deels toegewezen: ASR moet de kosten van de sommatiebrief vergoeden, maar niet de procesadvieskosten. De kosten van de deelgeschilprocedure worden gematigd en deels toegewezen aan [verzoekster]. Het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wordt afgewezen. De rechtbank veroordeelt ASR tot betaling van 50% van de schade en de toegewezen kosten.

Uitkomst: ASR is aansprakelijk voor 50% van de schade na verkeersongeval, met causale verdeling 75%-25% ten nadele van de fietser, zonder billijkheidscorrectie.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/599452 / HA RK 25-157
Beschikking van 13 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. W. Oudijk en mr. S.M.P. van Reedt Dortland,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: ASR,
advocaat: mr. F.W. Vergonet.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (gewijzigde) verzoekschrift met producties 1 t/m 18 van 24 september 2025,
- het verweerschrift met producties 1 t/m 3 van 5 november 2025,
- aanvullende producties 19 t/m 21 van 27 november 2025 van [verzoekster] ,
- spreekaantekeningen van [verzoekster] ,
- spreekaantekeningen van ASR,
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter partijen meegedeeld dat op 13 januari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen de heer [A] (hierna: [A] ), verzekerde van ASR, en mevrouw [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) heeft een aanrijding plaatsgevonden. [A] reed op dat moment op een snorscooter met blauw kenteken en [verzoekster] op een elektrische bakfiets. ASR heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet Pro (WVW) aansprakelijkheid voor 50% erkend. [verzoekster] verzoekt voor recht te verklaren dat ASR haar schade volledig moet vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoekster] af, omdat het oordeel van de rechtbank over de causale verdeling en over de toepassing van de billijkheidscorrectie niet resulteert in een hoger vergoedingspercentage dan 50%. De verzoeken van [verzoekster] over betaling van de buitengerechtelijke kosten en de kosten in deze deelgeschilprocedure wijst de rechtbank gedeeltelijk toe.

3.De achtergrond van de zaak3.1.Op 5 april 2023 rond 15.55 uur heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen [A] en [verzoekster] . Hierbij reed [A] op een snorscooter met blauw kenteken en [verzoekster] op een elektrische bakfiets. [verzoekster] was op dat moment zwanger van haar tweede kind. Haar nog jonge eerste kind zat voorin de bakfiets. Als gevolg van dit ongeval heeft [verzoekster] letsel opgelopen. [verzoekster] voert op dit punt aan dat zij kampt met niet aangeboren hersenletsel waar zij tot op de dag van vandaag klachten van ondervindt. [verzoekster] lijdt hierdoor naar eigen zeggen forse schade die onder meer uit verlies van arbeidsvermogen bestaat. [verzoekster] is zelfstandige en runt een eigen drogisterij en parfumerie. Zij zou ook bezig zijn geweest met de overname van een tweede drogisterij. Volgens [verzoekster] gaat de overname van de tweede drogisterij door de gevolgen van het ongeval niet door en is zij zelfs genoodzaakt om haar drogisterij en parfumerie te verkopen.

3.2.
Op 5 mei 2023 heeft ASR als WAM-verzekeraar van [A] aansprakelijkheid voor het ongeval op basis van artikel 185 WVW Pro erkend. ASR doet wel een beroep op eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] en stelt dat haar vergoedingsplicht op basis daarvan niet hoger is dan de 50%. Daarop heeft [verzoekster] op basis van artikel 185 WVW Pro recht. Ook het beroep van [verzoekster] op toepassing van de billijkheidscorrectie wijzigt het standpunt van ASR niet. [verzoekster] is het hier niet mee eens en meent dat zij recht heeft op een volledige vergoeding van haar schade. Partijen hebben deze discussie niet buiten rechte kunnen oplossen. Daarom is [verzoekster] deze deelgeschilprocedure gestart.

4.De beoordeling

Deze zaak is geschikt voor deelgeschil
4.1.
[verzoekster] heeft haar verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure, zoals opgenomen in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoekster] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.
ASR hoeft niet meer dan 50% van de schade van [verzoekster] te vergoeden
Hoofdregel artikel 185 WVW Pro
4.2.
In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen [verzoekster] als (elektrische) fietser en [A] als bestuurder van een bromfiets. Voor zo’n situatie, waarin een gemotoriseerde (bromfietser) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (fietser) betrokken is, bepaalt de wet (artikel 185 WVW Pro) dat de schade van de ongemotoriseerde door de gemotoriseerde (in de praktijk vaak diens verzekeraar) vergoed moet worden. Ongemotoriseerde verkeersdeelnemers worden namelijk als zwakkere verkeersdeelnemers gezien ten opzichte van gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Deze regel geldt niet als de gemotoriseerde zich kan beroepen op overmacht. Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat artikel 185 WVW Pro van toepassing is op deze zaak. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat ASR zich niet kan beroepen op overmacht aan de zijde van [A] . Wel stelt ASR dat zij zich kan beroepen op een andere uitzonderingsbepaling op de hoofdregel, namelijk de ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). ASR meent namelijk dat [verzoekster] zelf (ook) een (belangrijk) aandeel heeft in het ontstaan van het ongeval en dat zij daarom niet de volledige schade van [verzoekster] hoeft te vergoeden.
Causale verdeling
4.4.
Een geslaagd beroep op ‘eigen schuld’ in combinatie met artikel 185 WVW Pro kan de vergoedingsplicht van de gemotoriseerde met maximaal 50% verlagen. Dat betekent dat de ongemotoriseerde in ieder geval recht heeft op een vergoeding van 50% van zijn of haar schade. Om te beoordelen of [verzoekster] recht heeft op een hoger vergoedingspercentage dan 50%, zoals door haar gevorderd, zal om te beginnen de causale verdeling moeten worden vastgesteld. Dit betekent dat gekeken wordt naar de mate waarin de gedragingen van zowel de gemotoriseerde als de ongemotoriseerde hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Aan de hand hiervan zal de schade in evenredigheid verdeeld worden tussen de gemotoriseerde en de ongemotoriseerde.
4.5.
ASR stelt kort gezegd dat [verzoekster] zelf voor een groot deel heeft bijgedragen aan het ongeval door [A] geen voorrang te verlenen, terwijl zij dit wel had moeten doen gelet op de verkeerssituatie ter plaatse. [verzoekster] meent daarentegen dat zij geen verkeersfouten heeft gemaakt en dat als dat wel het geval zou zijn geweest, deze verkeersfouten niet hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Het is volgens haar juist [A] die door zijn gedragingen het ongeval heeft veroorzaakt. Zij onderbouwt haar standpunt onder meer met een rapport (productie 11 Verzoekschrift) dat zij eenzijdig heeft laten opstellen door [B] (hierna: [B] ) van [bedrijf] ( [bedrijf] ) en met een aanvullend [bedrijf] rapport (productie 19 [verzoekster] ).
4.6.
De rechtbank oordeelt (mede op basis van dezelfde [bedrijf] rapporten) dat het handelen van [verzoekster] wel degelijk voor een aanzienlijk deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval. Overeenkomstig het standpunt van ASR, had [verzoekster] inderdaad voorrang moeten verlenen aan [A] en dat heeft zij niet gedaan. Gelet op alle omstandigheden komt de rechtbank tot een causale verdeling van 75% - 25% in het nadeel van [verzoekster] . Om dit oordeel toe te kunnen lichten, volgen hieronder een aantal afbeeldingen voorzien van een toelichting die de verkeerssituatie ten tijde van het ongeval weergeven.
Figuur 1: luchtfoto met bewerkingen van de politie, weergegeven in [bedrijf] Rapport (productie 11 verzoekschrift, p. 2)
Het ongeval heeft plaatsgevonden in [plaats] ter hoogte van de plek waar de [straat] en de [straat] elkaar kruisen. [A] reed op het fietspad dat parallel loopt aan de [straat] (hierna: het fietspad), in figuur 1 met rood weergegeven. [A] reed door een groen stoplicht. [verzoekster] reed op de [straat] en sloeg rechtsaf het fietspad op waar [A] reed, in figuur 1 met geel weergegeven. [verzoekster] was van plan direct daarna linksaf te slaan om de [straat] over te steken. De blauwe cirkel is de plek waar [verzoekster] en [A] elkaar raakten.
Figuur 2: afbeelding [bedrijf] Rapport, productie 11 verzoekschrift, p. 9)
Op het moment van het ongeval stonden een aantal auto’s te wachten voor het rode stoplicht dat te zien is in figuur 2. [verzoekster] is met haar bakfiets links langs de wachtende auto’s gereden en vervolgens rechtsaf geslagen, het fietspad op. Zij mocht het rode verkeerslicht negeren vanwege het verkeersbord “rechtsaf voor fietsers vrij” dat naast het stoplicht hangt.
Figuur 3: afbeelding [bedrijf] Rapport, productie 11 verzoekschrift, p. 10)
Deze foto in figuur 3 geeft het perspectief van [A] weer. [A] reed hier door een groen stoplicht. [verzoekster] kwam van rechts het fietspad oprijden.
4.7.
Allereerst is het belangrijk de verkeerssituatie te duiden. Beide partijen hebben immers niet (ongeoorloofd) een rood stoplicht genegeerd. Op basis van de geldende verkeersregels had [A] voorrang op [verzoekster] . Het groene verkeerslicht van [A] gaat namelijk voor op het bordje “rechtsaf voor fietsers vrij”. Dit volgt uit artikel 68 lid 5 Reglement Pro Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV):
“Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan.”
4.8.
Daarnaast is van belang vast te stellen wat “voorrang verlenen” inhoudt. De definitie van voorrang verlenen staat in artikel 1 RVV Pro:
“voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen”
Hieruit volgt dat niet zomaar de conclusie getrokken kan worden dat de ene verkeersdeelnemer aan de andere voorrang heeft verleend als ze elkaar bij het kruisen niet hebben geraakt. Er is meer voor nodig, namelijk dat degene die voorrang heeft, ongehinderd zijn of haar weg kan vervolgen. ASR heeft voldoende onderbouwd dat het handelen van [verzoekster] hier niet aan heeft voldaan.
4.9.
Zo hebben [A] en [verzoekster] elkaar slechts enkele meters na het kruisingsvlak van de [straat] met het fietspad (hierna: het kruisingsvlak) geraakt. [verzoekster] voert zelf aan dat dit vier à vijf meter voorbij het kruispunt is geweest. Dit staat in het [bedrijf] rapport en [B] zou deze conclusie gebaseerd hebben op bevindingen van de politie:
Figuur 4: afbeelding [bedrijf] Rapport, productie 11 verzoekschrift, p. 11, met daaronder de tekst: “De aanrijding vond enkele meters voorbij het kruispunt plaats; de politie volgend was dat zo'n 4 á 5 meter voorbij het kruispunt.”)
[verzoekster] doet voorkomen alsof dit een grote afstand is. Althans, voldoende om haar standpunt, dat de voorrangssituatie voorbij was op het moment van het ongeval, te onderbouwen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verkeerssituatie, niet het geval. Nog los van de vraag of de door [verzoekster] genoemde afstand van vier à vijf meter correct is – dit wordt namelijk door ASR betwist – of in werkelijkheid korter is. Vier à vijf meter is namelijk helemaal geen grote afstand als gekeken wordt naar de grootte van de voertuigen. Uitgaande van het aanvullende [bedrijf] rapport (productie 19 [verzoekster] , p. 1) is de bromfiets 1,76 meter lang en de bakfiets maar liefst 2,63 meter lang. De botsing heeft dus plaatsgevonden op een afstand van minder dan twee keer de lengte van de bakfiets gerekend vanaf het eind van het kruisingsvlak. Deze situatie is in het aanvullende [bedrijf] rapport ook op schaal ingetekend:
Figuur 5: afbeelding aanvullende [bedrijf] Rapport, productie 19 [verzoekster] , p. 2)
Dat de afstand tussen het einde van het kruisingsvlak en het ongeval kort is, maakt dat de voorrangssituatie nog niet voorbij was. [1] Op basis van figuur 5 zou overigens zelfs uitgegaan kunnen worden van een afstand van drie à vier meter tussen het einde van het kruisingsvlak en de plek van het ongeval, in plaats van de vier à vijf meter waarop het oordeel van de rechtbank gebaseerd is.
4.10.
Wanneer de in overweging 4.9 genoemde afstand van vier à vijf meter gecombineerd wordt met de snelheden van [verzoekster] en [A] , kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat [verzoekster] – overeenkomstig het standpunt van ASR – geen voorrang als bedoeld in artikel 1 RVV Pro aan [A] heeft verleend. De rechtbank gaat voor dit oordeel uit van het onweersproken feit dat [verzoekster] de kruising is opgereden zonder te stoppen, en van de snelheid waarmee in het (aanvullende) [bedrijf] rapport gerekend wordt. In dit rapport wordt er namelijk van uitgegaan dat [A] en [verzoekster] ten tijde van het ongeval respectievelijk met een snelheid van 30 km/h en 12,5 km/h hebben gereden. Dit heeft [B] volgens zijn rapport gebaseerd op dat wat [verzoekster] en [A] daar zelf over hebben verklaard. Alhoewel [verzoekster] in haar verzoekschrift aanvoert dat [A] harder heeft gereden en ASR in haar verweerschrift dat [A] zachter heeft gereden, hebben beide partijen deze tegengestelde standpunten niet onderbouwd. Ook blijkt nergens uit dat het rapport een onjuiste weergave bevat van de verklaringen van [verzoekster] en [A] op dit punt. De rechtbank gaat daarom uit van de snelheden zoals die in het (aanvullende) [bedrijf] rapport genoteerd zijn.
4.11.
Een snelheid van 30 km/h is hetzelfde als 8,33 m/s. Dit betekent dat in ongeveer een halve seconde vier à vijf meter wordt afgelegd, de door [verzoekster] aangevoerde afstand vanaf het eind van het kruisingsvlak tot de plek van de botsing. Het kan daarom niet anders dan dat er maar weinig afstand heeft gezeten tussen [A] en [verzoekster] op het moment dat [verzoekster] rechtsaf sloeg. Deze afstand was in ieder geval te klein voor [verzoekster] om nog op een veilige manier voor [A] langs het fietspad op te kunnen rijden. Dat is zeker zo als rekening gehouden wordt met de omstandigheid dat [verzoekster] juist vaart minderde ter voorbereiding op haar voornemen om na het rechtsaf slaan linksaf te slaan, zoals [verzoekster] ook zelf verklaarde tijdens de mondelinge behandeling. Dat [verzoekster] geen voorrang heeft verleend aan [A] heeft evident rechtstreeks bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. De snelheden van [A] en [verzoekster] in combinatie met de korte afstand tot elkaar, maken een botsing haast onvermijdelijk.
4.12.
Ook de verklaring van de heer [getuige] (hierna: [getuige] ) onderbouwt het standpunt van ASR over het schenden van de voorrangsplicht door [verzoekster] . Hoewel [getuige] het ongeval zelf niet heeft zien gebeuren, heeft hij [A] wel vlak na het ongeval gesproken. Hij verklaart hierover:
“ik heb samen met omstanders hulp geboden en heb de bestuurder van de scooter zelf nog gesproken over wat er gebeurd was. hierbij andtwoorde hij dat hij moest uitwijken en daardoor de bakfiets niet meer kon ontwijken, (…).”
De advocaat van [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesuggereerd dat het goed mogelijk is dat [A] met zijn opmerking over het uitwijken bedoelde dat hij voor iets anders moest uitwijken en dat dat ervoor gezorgd heeft dat hij tegen [verzoekster] aan is gereden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank te vergezocht. Niets wijst er immers op dat [A] voor iets anders dan voor de bakfiets van [verzoekster] moest uitwijken.
4.13.
Gelet op het oordeel in overweging 4.9 t/m 4.11 over de afstand en de snelheid, is het des te opmerkelijker dat [verzoekster] [A] niet heeft zien aankomen. Hierbij is ook relevant dat dit deel van het kruispunt overzichtelijk is en [verzoekster] een aantal stilstaande auto’s aan de linkerkant heeft ingehaald voor het afslaan. Zij moet dus goed zicht hebben gehad op van links komend verkeer. In het [bedrijf] rapport (p. 15) staat hierover:
“De fietsster gaf tijdens het gesprek op locatie aan dat zij de scooter niet had zien naderen. Op de foto hierboven kunnen wij zien dat de stopstreep vrij ver voor het kruisend fietspad ligt. In de tijd dat deze afstand al fietsen werd afgelegd moet er voldoende tijd c.q. gelegenheid zijn geweest om zich ervan te overtuigen of er (van links) over het fietspad verkeer nadert. In dat geval had de fietsster de naderende scooter kunnen zien.”
Ook deze omstandigheid legt de rechtbank in het nadeel van [verzoekster] uit. Had [verzoekster] [A] namelijk wel gezien, dan had ze een andere afweging kunnen maken en kunnen wachten met rechtsaf slaan tot [A] was gepasseerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] weliswaar verteld dat zij [A] wel in de verte heeft gezien toen ze de bocht omging, maar dit acht de rechtbank niet aannemelijk. Dit komt niet alleen omdat zij dit pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, maar ook omdat onder 4.11 is geconcludeerd dat er maar weinig afstand moet hebben gezeten tussen [A] en [verzoekster] op het moment dat [verzoekster] rechtsaf sloeg.
4.14.
De twee kijkmomenten van [verzoekster] die in het aanvullende [bedrijf] Rapport (p. 3 en 4) zijn gesimuleerd, waarbij de situatie is geschetst dat bij het eerste kijkmoment een afstand van 14,44 meter en bij het tweede kijkmoment een afstand van 10,51 meter zou bestaan tussen [A] en [verzoekster] , maakt het oordeel in overweging 4.10 en 4.11 niet anders. Nog los van de vraag of deze gegevens in het rapport juist zijn, volgt uit hetzelfde rapport dat [A] en [verzoekster] elkaar enkele meters na het kruisingsvlak geraakt hebben en [A] niet te hard heeft gereden (zie overweging 4.9 en 4.10). Deze omstandigheden, gecombineerd met de omstandigheid dat [verzoekster] [A] niet heeft zien aankomen, maakt dat de informatie over de kijkmomenten niets afdoet aan het oordeel dat [verzoekster] ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan [A] .
4.15.
Naast het oordeel van de rechtbank over het handelen van [verzoekster] , oordeelt de rechtbank dat ook het handelen van [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, zij het in mindere mate dan het handelen van [verzoekster] . Zoals [verzoekster] verweten kan worden dat zij [A] niet heeft zien rijden, zo kan het [A] verweten worden dat hij [verzoekster] wel heeft zien fietsen, maar daar onvoldoende op heeft geanticipeerd. Gelet op de verkeerssituatie die weergegeven is in de figuren 1 t/m 5, werd het zicht van [A] op [verzoekster] niet gehinderd door obstakels. Dit is ook niet door ASR aangevoerd. [A] had dus kunnen anticiperen op de verkeersfout van [verzoekster] , maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. Het lijkt er namelijk op dat [A] op de situatie heeft proberen te anticiperen door [verzoekster] links te willen passeren, omdat [verzoekster] voor hem het fietspad op reed en daardoor zijn vrije doorgang blokkeerde met haar bakfiets. Dat dit een bewuste inhaalactie zou zijn geweest van [A] in plaats van een uitwijkpoging, zoals door [verzoekster] gesteld wordt, en [A] daarbij te weinig ruimte heeft gelaten tussen hem en [verzoekster] is, gelet op de betwisting door ASR, onvoldoende onderbouwd. Wel oordeelt de rechtbank dat [A] (eerder) vaart had kunnen minderen.
4.16.
Wanneer de rechtbank de hiervoor beschreven gedragingen van [verzoekster] en [A] tegen elkaar afweegt en beoordeelt in welke mate de gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, komt de rechtbank tot het oordeel dat de gedragingen van [verzoekster] voor 75% en de gedragingen van [A] voor 25% aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen. De causale verdeling is dan dus 75% - 25% in het nadeel van [verzoekster] . Na de causale verdeling moet beoordeeld worden of een billijkheidscorrectie moet worden toegepast in het voordeel van [verzoekster] en zo ja, in welke mate.
Billijkheidscorrectie
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om een billijkheidscorrectie in het voordeel van [verzoekster] toe te passen. De reeds door ASR erkende aansprakelijkheid van 50% wordt daarom niet verhoogd. Dit wordt hieronder toegelicht.
4.18.
De ongemotoriseerde kan op grond van artikel 6:101 BW Pro nog een beroep doen op de billijkheidscorrectie op basis waarvan het percentage van de vergoedingsplicht van de gemotoriseerde naar boven kan worden bijgesteld. Factoren als de mate van verwijtbaarheid van de ongemotoriseerde, de ernst van de gemaakte fouten, de ernst van het letsel van de ongemotoriseerde, de rechtsverhouding tussen de gemotoriseerde en ongemotoriseerde en hun draagkracht, c.q. verzekeringsposities zijn van belang voor de beoordeling.
4.19.
Anders dan [verzoekster] stelt, vormen de eerste twee factoren geen aanleiding om een billijkheidscorrectie toe te passen gelet op de ernst van de verkeersfouten die [verzoekster] heeft gemaakt ten opzichte van het rijgedrag van [A] . [verzoekster] doet ook nog een beroep op het “betriebsgefahr” (het inherente gevaar dat een gemotoriseerd voertuig in het verkeer vormt vanwege de massa en de snelheid die het met zich meebrengt ten opzichte van een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer). In de verplichting voor ASR om op basis van artikel 185 WVW Pro 50% van de schade van [verzoekster] te vergoeden, ondanks het oordeel over de causale verdeling in overweging 4.16, zit het “betriebsgefahr” al verdisconteerd. Dit is dus geen factor die ook nog apart wordt meegenomen bij de beoordeling van de billijkheidscorrectie. Bovendien is de rechtbank het met ASR eens dat een bromfietser (met blauw kenteken) en een elektrische bakfiets qua gevaarzetting niet zo heel veel van elkaar verschillen.
4.20.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om vanwege de ernst van het letsel een billijkheidscorrectie toe te passen. [verzoekster] stelt hersenletsel te hebben opgelopen, met als gevolg aanhoudende cognitieve klachten, hoofdpijn, duizeligheid, overprikkeling tinnitus en vermoeidheid. Daarnaast zou zij meerdere kneuzingen hebben gehad met pijnklachten van de nek, linker heup en linker bovenbeen en last hebben nachtmerries en psychische klachten. ASR betwist de ernst van diverse van deze klachten en de relatie tot het ongeval. Beide partijen hebben medisch advies ingewonnen bij een medisch adviseur waarop hun standpunt gebaseerd is. De medisch adviseurs zijn het op diverse punten niet met elkaar eens. Zonder het letsel van [verzoekster] te bagatelliseren, staat daarom voor de rechtbank op dit moment onvoldoende vast dat het letsel van [verzoekster] zo ernstig is dat een billijkheidscorrectie op zijn plaats is. De rechtbank sluit niet uit dat dit in de toekomst verandert, bijvoorbeeld na het plaatsvinden van een of meerdere (deskundigen)onderzoek(en), en de ernst van het letsel wel aanleiding geeft voor toepassing van een billijkheidscorrectie. Het is echter nog maar de vraag of de eventuele billijkheidscorrectie in dat geval wel boven de 50% uitkomt. Tot slot is alleen de omstandigheid dat [A] bij ASR verzekerd is voor de schade zoals door [verzoekster] is geleden, op zichzelf niet voldoende voor toepassing van de billijkheidscorrectie.
ASR moet een deel van de buitengerechtelijke kosten en van de deelgeschilkosten betalen
De kosten voor het procesadvies en voor de sommatiebrief
4.21.
[verzoekster] vordert als buitengerechtelijke kosten de kosten voor het procesadvies van de advocaten van [verzoekster] aan DAS Rechtsbijstand (de rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoekster] ) en de kosten voor de sommatiebrief van dezelfde advocaten aan ASR ter hoogte van respectievelijk € 4.000,00 en € 900,00 excl. btw. Volgens [verzoekster] moet ASR deze kosten vergoeden, omdat deze kosten zijn gemaakt vanwege de discussie over de vergoedingsplicht. ASR is het hier niet mee eens en voert hiertoe aan dat er geen grondslag bestaat voor deze kosten, dat voor de proceskosten geldt dat dit geen schadepost is van [verzoekster] , maar een kostenpost van DAS en dat de kosten niet zijn gemaakt in het kader van de belangenbehartiging van [verzoekster] , omdat [verzoekster] op dat moment niet werd bijgestaan door DAS en AK advocaten. Bovendien worden de kosten voor het procesadvies voor het eerst pas in deze procedure aan ASR voorgelegd. Voor die tijd waren deze kosten dus geen onderwerp van dit geschil, aldus ASR.
4.22.
De rechtbank oordeelt dat ASR wel de kosten voor de sommatiebrief van € 900,00 excl. btw aan [verzoekster] moet betalen. Deze brief is geschreven in het kader van de discussie tussen partijen over de vergoedingsplicht van ASR en valt (daarom) onder artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. Met deze brief heeft [verzoekster] namelijk in een laatste poging geprobeerd om buiten rechte met ASR de discussie over de aansprakelijkheid te beslechten. Gelet op de inhoud en omvang van de brief zijn deze kosten daarom, hoewel aan de hoge kant, in redelijkheid gemaakt.
4.23.
Dit geldt niet voor de kosten van het procesadvies ter hoogte van € 4.000,00 excl. btw. De rechtbank ziet geen grondslag voor de vergoeding van deze kosten. [verzoekster] schrijft zelf in haar verzoekschrift over deze kosten:
“Daarnaast is op verzoek van DAS een procesadvies uitgebracht (…).”
Ook uit de urenspecificatie die volgens [verzoekster] bij dit procesadvies hoort (productie 16 verzoekschrift), valt op te maken dat voornamelijk tijd is besteed aan het bestuderen van het dossier en aan het contact van de advocaten met DAS en met de andere belangenbehartiger van [verzoekster] , mr. B. Meilink.
4.24.
De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet gezien kunnen worden als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. Dat [verzoekster] aanvoert dat de kosten van het procesadvies zijn gemaakt vanwege de discussie over de vergoedingsplicht en daarmee onderdeel zijn van het geschil, is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. De kosten zijn misschien wel gemaakt vanwege de discussie tussen partijen over de vergoedingsplicht, maar zien niet op het voeren van de discussie zelf. Het is immers een advies aan DAS.
De kosten van deze deelgeschilprocedure
4.25.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.26.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.27.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 10.843,42 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Waarbij is gerekend met een uurtarief van € 310,00 voor mr. Van Reedt Dortland en € 230,00 voor mr. Oudijk. ASR voert primair aan dat zij in het geheel niet gehouden is deze kosten te betalen, omdat deze kosten kunnen worden geclaimd bij DAS als rechtsbijstandsverzekering. Subsidiair voert ASR aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
4.28.
De rechtbank is van oordeel dat ASR moet worden veroordeeld in de kosten van deze deelgeschilprocedure. Het feit dat [verzoekster] een rechtsbijstandsverzekering bij DAS heeft brengt niet automatisch mee dat zij geen aanspraak kan maken op een kostenveroordeling. [verzoekster] heeft aangetoond dat de proceskosten verzekerd zijn, tenzij deze kosten op een ander verhaald kunnen worden. De dekking is dus voorwaardelijk en daarom zijn de proceskosten aan te merken als schade van [verzoekster] .
4.29.
Wel zal de rechtbank de kosten matigen, omdat het aantal bestede uren en het uurtarief van mr. Van Reedt Dortland bovenmatig is gelet op de mate van complexiteit van deze zaak. Een uurtarief van € 310,00 is zelfs voor juridisch complexe zaken fors te noemen. De zaak is mogelijk feitelijk complex, omdat het de vraag is hoe het ongeval precies is ontstaan. Maar dit betekent niet dat de zaak ook juridisch complex is. In een zaak als deze, uitgaande van een advocaat met ruime ervaring op het gebied van letselschade, acht de rechtbank een uurtarief van € 270,00 excl. btw passend. Daarnaast acht de rechtbank het aantal bestede uren van 33 uur en 27 minuten zeer fors. Gelet op de urenspecificatie die aan de spreekaantekeningen van de advocaten van [verzoekster] is gehecht, zijn teveel “dubbele uren” gerekend, ondanks de schrapping van dubbele uren door de advocaten zelf. Deze zaak rechtvaardigt namelijk niet het werk van twee advocaten. Verder zijn uren gerekend voor overleg en correspondentie met mr. Meilink, de belangenbehartiger van [verzoekster] die naast de genoemde twee advocaten nog steeds betrokken is bij de zaak. Ook weegt de rechtbank mee dat het verzoekschrift en de sommatiebrief (productie 12 verzoekschrift), waarover in overweging 4.22 is geoordeeld dat de kosten voor deze brief volledig moeten worden vergoed, op diverse punten overlap vertonen. Al met al acht de rechtbank een aantal bestede uren van 18 redelijk, wanneer uitgegaan wordt van een advocaat met ruime ervaring op het gebied van letselschade. Zonder een expliciete verdeling te maken in het uurtarief en in het bestede aantal uren per advocaat, matigt de rechtbank de kosten voor deze deelgeschilprocedure naar € 4.860,00 excl. btw. De totale deelgeschilkosten komen daarmee neer op € 5.880,60 incl. btw te vermeerderen met het griffierecht van € 1.374,00, totaal € 7.254,60.
Doorwerking percentage eigen schuld en de toepassing van de tweede billijkheidscorrectie
4.30.
Uitgangspunt is dat wanneer een schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW Pro wordt verminderd, dit in beginsel in dezelfde mate doorwerkt in de vergoedingsplicht van de in artikel 6:96 lid 2 BW Pro bedoelde kosten. De billijkheidscorrectie van het slot van artikel 6:101 lid 1 BW Pro kan echter meebrengen dat de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW Pro bedoelde kosten te vergoeden, niet of niet in gelijke mate als de primaire schadevergoedingsplicht wordt verminderd. Deze regel geldt ook voor de kosten van dit deelgeschil (ECLI:NL:GHARL:2024:30).
4.31.
De buitengerechtelijke kosten en de deelgeschilkosten zijn in de overwegingen 4.21 t/m 4.29 beoordeeld aan de hand van de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Het percentage “eigen schuld” van 50% moet hier nog in worden verdisconteerd. Dat betekent dat voor de sommatiebrief een bedrag van € 544,50 incl. btw en voor de kosten van deze deelgeschilprocedure € 3.627,30 wordt begroot.
4.32.
De rechtbank ziet mede gelet op de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden in dit geval geen aanleiding voor de toepassing van de in overweging 4.30 beschreven zogenaamde tweede billijkheidscorrectie. Het gaat in deze zaak bovendien uitsluitend om de vaststelling van de mate van aansprakelijkheid en ASR heeft in deze zaak voortvarend gehandeld door binnen twee weken na de aansprakelijkstelling, en daarmee slechts een maand na het ongeval, aansprakelijkheid voor 50% te erkennen. De uitkomst in deze procedure is hiermee in lijn. De bedragen zoals in overweging 4.31 genoemd, worden dus niet naar boven bijgesteld.
De beschikking wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.33.
[verzoekster] vraagt de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure in hoger beroep kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat ASR gehouden is 50% van de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval van 5 april 2023 als WAM-verzekeraar van [A] rechtstreeks te vergoeden aan [verzoekster] ,
5.2.
veroordeelt ASR tot betaling aan [verzoekster] van de kosten van de sommatiebrief ter hoogte van € 544,50 inclusief btw binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking,
5.3.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.627,30 inclusief btw en inclusief het door [verzoekster] betaalde griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
LMT 5629

Voetnoten