ECLI:NL:RBMNE:2026:3818

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3382, 26/3387, 26/5493 en 26/5772
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verkeersbesluit knip Catharijnesingel Utrecht

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht nam op 13 april 2026 een verkeersbesluit om de Catharijnesingel tussen de Stationsstraat en Spoorstraat te sluiten voor doorgaand gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van ontheffinghouders. Dit besluit, ook wel de 'knip' genoemd, beperkt de bereikbaarheid van parkeergarages in het centrum. Vier partijen, waaronder Hoog Catharijne en Stichting Centrum Management Utrecht, stelden beroep in tegen dit besluit en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de realisatie van de knip zou uitstellen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de verzoekers geen spoedeisend belang hadden. Hoewel zij financiële belangen aanvoerden, maakten zij niet aannemelijk dat zij door het besluit in een acute financiële noodsituatie zouden verkeren. Ook de vrees voor imagoschade, verminderde bereikbaarheid en gevolgen voor de bedrijfsvoering werden niet voldoende onderbouwd. Daarnaast werd overwogen dat de knip niet onomkeerbaar is en bij een gegrond verklaard beroep eenvoudig kan worden teruggedraaid.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het besluit niet evident onrechtmatig is, zodat ook op die grond geen voorlopige voorziening kan worden getroffen. De verzoeken werden daarom afgewezen, waardoor het college de knip kan realiseren. De verzoekers hebben geen recht op proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en staat uitvoering van de knip op de Catharijnesingel toe.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/3382, 26/3387, 26/5493 en 26/5772

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting Centrum management Utrecht (CmU), uit Utrecht,

(gemachtigde: J.E. Hagenouw)

Hoog Catharijne B.V. (Hoog Catharijne), uit Utrecht,

(gemachtigde: mr. M.Y.C.L. de Wit),
SHV Holding N.V. (SHV), uit Utrecht,
(gemachtigde: mr. A.M. Nijboer)
Exploitatiemaatschappij Grand Hotel Karel V BV. (Karel V) uit Utrecht,
(gemachtigden: mr. A.P. Cornelissen en mr. J. de Haas)
samen: verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M.J.O. Copier).

Procesverloop

1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaan over de geslotenverklaring van de Catharijnesingel in Utrecht en de daarmee samenhangende plaatsing van verkeersborden (de knip). De knip is gesitueerd tussen de Stationsstraat en de Spoorstraat in Utrecht. De knip zorgt ervoor dat verkeer niet langer van noord naar zuid en vice versa kan doorrijden op de Catharijnesingel. Dit geldt niet voor ontheffinghouders. De knip heeft tot gevolg dat de parkeergarages P1, P2 en P5 alleen nog vanuit het noorden bereikbaar zijn en de parkeergarages P3, P4 en P5 alleen nog vanuit het zuiden. De parkeergarages zijn eigendom van Hoog Catharijne.
1.1.
Het college heeft op 20 november 2024 drie verkeersbesluiten genomen om de knip te realiseren. In de drie besluiten is de geslotenverklaring van de Catharijnesingel geregeld en de plaatsing van de verschillende verkeersborden, zowel aan de noordkant (Daalsesingel) als aan de zuidkant (Catharijnesingel ter hoogte van de Marga Klompébrug).
1.2.
Verzoekers zijn het niet eens met deze verkeersbesluiten en hebben bezwaar gemaakt. Het college heeft in het bestreden besluit van 13 april 2026 weliswaar de bezwaren gegrond verklaard, maar het primaire besluit tot geslotenverklaring gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.
1.3.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat de geslotenverklaring niet gerealiseerd zal worden totdat er uitspraak is gedaan op de beroepen van verzoekers.
1.4.
Hoog Catharijne heeft de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen, omdat het college de uitspraak van de voorzieningenrechter niet wil afwachten. De voorzieningenrechter heeft geen ordemaatregel getroffen, omdat de werkzaamheden volgens het college niet eerder starten dan half juli 2026. De zitting van de voorzieningenrechter vindt voor die tijd plaats en ook de uitspraak zal voor die datum worden uitgesproken, zodat een ordemaatregel niet nodig is.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 17 juni 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers en de gemachtigde van het college. Verder was voor CmU aanwezig: centrummanager [A] , voor Hoog Catharijne: [B] , voor SHV: [C] en voor Karel V: [D] . [E] was als deskundige aanwezig voor Hoog Catharijne en CmU. Voor het college waren op de zitting aanwezig [F] , mr. [G] , [H] en [I] .
Beoordeling voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de uitspraak op het beroep).
3. Tussen partijen is in geschil of verzoekers een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben. Zij licht hierna toe hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Financieel belang
4. Volgens vaste rechtspraak vormt een financieel belang op zichzelf in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. [1] Maar er kan aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen als aannemelijk is dat verzoekers anders in een financiële noodsituatie zullen komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering van verzoekers in gevaar komt als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
5. Hoog Catharijne heeft gesteld dat de knip grote financiële gevolgen voor haar heeft. Zij heeft ter onderbouwing daarvan in bezwaar een rapport overgelegd van adviesbureau [adviesbureau] , dat in december 2024 onderzoek heeft gedaan in de parkeergarages P1 tot en met P5. Door middel van enquêtes is onderzocht wat de economische impact van de voorgenomen knip voor het winkelcentrum is. De conclusie van dit rapport is dat de knip effect heeft voor de winkel- en horecaomzet in winkelcentrum Hoog Catharijne en leidt tot een omzetverlies van enkele miljoenen. Ook heeft de knip effect op de parkeerinkomsten van Hoog Catharijne. Hoog Catharijne heeft op de zitting toegelicht dat een omzetverlies voor de winkeliers in het winkelcentrum, zich vertaalt in lagere huurpenningen voor haar, omdat de huur van de winkelpanden afhankelijk is van de gemaakte omzet.
5.1.
De voorzieningenrechter heeft bij het college het rapport van [adviesbureau] opgevraagd. Dit rapport is overgelegd. De concrete bedragen en een deel van de percentages is weggelakt, omdat het om gevoelige bedrijfsinformatie gaat. De conclusie van het rapport is dat [adviesbureau] verwacht dat de winkels in Hoog Catharijne een omzetverlies van 2% zullen lijden als gevolg van de knip. Welk concreet bedrag hierbij hoort, is vanwege de weglakkingen verder niet duidelijk.
5.2.
Dat is in zoverre niet relevant, omdat een omzetverlies bij uitstek een financieel belang is, dat – zoals hiervoor is vermeld – in beginsel geen spoedeisend belang oplevert om een voorlopige voorziening te treffen. Als Hoog Catharijne door dit omzetverlies in een financiële noodsituatie zou komen te verkeren, zou dit anders kunnen zijn, maar dat heeft zij niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt.
6. Ook CmU stelt dat zij vreest voor omzetverlies voor de 1700 winkeliers in de binnenstad die zij vertegenwoordigt. CmU vreest vooral voor een vermindering van de omzet voor de zelfstandige winkeliers aan de zuidkant van het centrum. Mensen die met de auto uit het noorden van de stad komen, kunnen niet meer dichtbij die winkels parkeren. Zij moeten óf verder lopen vanaf de parkeergarages P1, P2 of P5 óf omrijden om één van de andere parkeergarages te kunnen bereiken. CmU verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het hiervoor genoemde rapport van [adviesbureau] . Als voor de winkeliers in Hoog Catharijne al een omzetverlies te verwachten valt van 2% dan kan het omzetverlies van de winkeliers aan de zuidkant van de binnenstad volgens CmU oplopen tot 10%. Dit is het gevolg van de ongunstige ligging van die winkels ten opzichte van knip. CmU vreest voor leegstand in de binnenstad. Zij wijst erop dat winkeliers en horeca in de binnenstad het al zwaar te verduren hebben, vanwege een algemene stijging van de kosten en vanwege de toch al kleine marges.
6.1.
De voorzieningenrechter ziet ook hierin geen spoedeisend belang. CmU heeft geen onderbouwing gegeven voor de aannames die zij doet en de vrees die zij uitspreekt. Of en hoe de winkeliers in het zuiden van de binnenstad geraakt zullen worden door de knip heeft CmU niet inzichtelijk gemaakt. Het rapport van [adviesbureau] is daarvoor niet voldoende, omdat het niet gaat over de winkeliers in de binnenstad. CmU heeft de vrees uitgesproken dat individuele winkeliers en horecaondernemers het hoofd niet boven water zullen kunnen houden, maar zij heeft geen (begin) van bewijs aangeleverd dat de knip deze grote gevolgen zal hebben voor de winkeliers in de binnenstad.
Bereikbaarheid
7. Hoog Catharijne heeft de verminderde bereikbaarheid van het winkelcentrum genoemd als een zelfstandig belang waarmee rekening gehouden moet worden. Als klanten niet in de parkeergarage dichtbij de winkels van hun keuze kunnen parkeren, bijvoorbeeld de supermarkt, zullen zij kiezen voor andere plaatsen om hun boodschappen te doen. Hoog Catharijne wijst op de problemen in het verleden rond de bereikbaarheid van het winkelcentrum en de binnenstad van Utrecht. Hoog Catharijne en de gemeente Utrecht hebben hierover afspraken gemaakt en Hoog Catharijne heeft naar aanleiding daarvan grote investeringen gedaan. Zij vreest dat de bereikbaarheid opnieuw een probleem zal worden, wat voor haar grote gevolgen heeft.
7.1.
Anders dan Hoog Catharijne stelt, levert de wijziging van de bereikbaarheid van het winkelcentrum op zichzelf geen spoedeisend belang op voor het treffen van een voorlopige voorziening. De vraag is wat een wijziging van de bereikbaarheid concreet voor Hoog Catharijne betekent. Hoog Catharijne stelt dat zij vreest voor een verlies van klanten, wat leidt tot omzetverlies. Daarmee vertaalt de verminderde bereikbaarheid zich dus primair in een financieel belang, namelijk omzetverlies. Zoals hiervoor is overwogen is het omzetverlies dat Hoog Catharijne vreest niet aan te merken als een spoedeisend belang, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zij hierdoor in een financiële noodsituatie terechtkomt. Ook de vrees dat klanten die wegblijven vanwege de verminderde bereikbaarheid voor altijd weg zullen blijven is geen zelfstandig belang. Het wegblijven van klanten heeft geen zelfstandige betekenis voor Hoog Catharijne maar leidt opnieuw tot inkomstenverlies. Dat is een financieel belang.
8. Karel V heeft aangevoerd dat een verminderde bereikbaarheid van haar hotel zal leiden tot imagoschade. Zij noemt als voorbeeld dat klanten zullen moeten omrijden en dat file op de enige aanrijdroute naar het hotel ertoe zal kunnen leiden dat bijvoorbeeld congressen en vergaderingen te laat zullen beginnen. Klanten zullen Karel V daarom gaan mijden, is de voorspelling van Karel V. De voorzieningenrechter vindt dat Karel V met deze toelichting de imagoschade als zelfstandig belang niet voldoende heeft onderbouwd. Wat zij zegt komt er namelijk in de kern op neer dat klanten Karel V links zullen laten liggen ten gunste van beter bereikbare locaties, wat gevolgen heeft voor haar omzet. Minder klanten betekent namelijk minder omzet. Dat is dus een financieel belang en niet zozeer een imagokwestie. Karel V heeft niet concreet gemaakt dat zij verlies zal leiden door de knip, om hoeveel geld het gaat en of zij dit financieel kan dragen zonder in een financiële noodsituatie terecht te komen.
8.1.
Karel V heeft ook aangevoerd dat zij als vijfsterrenhotel verplicht is om in parkeermogelijkheden voor haar klanten te voorzien. Haar parkeerplaats moet dan wel goed bereikbaar blijven, zo stelt zij. De voorzieningenrechter ziet hierin ook geen spoedeisend belang. Karel V heeft niet toegelicht waarom een mogelijk verminderde toegankelijkheid van haar parkeerplaats gedurende de beroepsprocedure voor haar zo’n spoedeisend belang oplevert dat ingrijpen van de voorzieningenrechter nu nodig is.
Bedrijfsvoering
9. SHV heeft erop gewezen dat de knip ongewenste gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering. Een deel van haar klanten en werknemers zal door de knip sowieso moeten omrijden. De eigen parkeerplaats is met ingang van de knip namelijk niet meer vanuit het noorden bereikbaar. Dit heeft tot gevolg dat werknemers en klanten er mogelijk voor zullen kiezen om niet meer te parkeren op de eigen parkeerplaats van SHV maar in de parkeergarages aan de noordkant, P1, P2 en P5. De parkeerplaats van SHV blijft dan onbenut. SHV vreest dat werknemers en klanten de parkeerkosten zullen gaan declareren. Ook vreest zij dat voor werknemers, die nu uit het noorden komen, de werk-privébalans verstoord zal raken als zij langere tijd onderweg zijn om op hun werk te komen, waardoor SHV als werkgever minder aantrekkelijk wordt.
9.1.
De voorzieningenrechter volgt SHV niet in dit standpunt. Wat SHV naar voren brengt over de mogelijkheid dat werknemers en klanten niet meer op haar eigen terrein zullen parkeren, rechtvaardigt niet dat de voorzieningenrechter ingrijpt. Het is namelijk aan SHV zelf om wel of niet de kosten voor betaald parkeren in de parkeergarages op zich te nemen. Mocht zij die kosten willen betalen, dan is dat dus aan haar. Los daarvan is niet aannemelijk geworden dat SHV deze kosten niet zou kunnen dragen voor de duur van de beroepsprocedure. Dat haar eigen parkeermogelijkheden niet volledig benut zouden worden, is ook geen belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. SHV heeft verder onvoldoende toegelicht hoeveel werknemers te maken krijgen met omrijdtijd, hoeveel omrijdtijd daarmee gemoeid is en welke gevolgen zij hier mogelijk op korte termijn aan zullen verbinden om de balans tussen werk en privé te bewaken. SHV heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op korte termijn werknemers zal verliezen als gevolg van de knip of dat zij geen mensen meer in dienst zal kunnen nemen.
10. Karel V heeft eveneens gewezen op de gevolgen van de knip voor het eigen personeel. Veel werknemers zijn aangewezen op vervoer per auto, omdat hun werktijden niet aansluiten op het openbaar vervoer. Karel V wijst als voorbeeld naar de nachtportier en de werknemers die verantwoordelijk zijn voor het ontbijt. Deze werknemers zullen, als zij uit het noorden afkomstig zijn, moeten omrijden. Het enkele feit dat Karel V in haar bedrijfsvoering wordt geraakt, is volgens haar al voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Zij wijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2026. [2]
10.1.
Dat Karel V in haar bedrijfsvoering geraakt zal kunnen worden, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf nog geen spoedeisend belang op. Anders dan Karel V stelt, is dat ook niet het geval in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Voor spoedeisend belang is nodig dat de gevolgen van de knip voor Karel V op korte termijn zo ingrijpend zijn dat dit een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter overweegt dat Karel V haar stellingen niet heeft onderbouwd met concrete feiten. Zo is niet bekend hoeveel personeelsleden moeten omrijden, waar zij precies vandaan komen, welke alternatieve vervoersmogelijkheden zij hebben en voor hoeveel omrijdtijd wordt gevreesd. Ook is niet toegelicht welke negatieve gevolgen Karel V denkt te gaan ondervinden, omdat een deel van haar personeel zal moeten omrijden. De voorzieningenrechter ziet hierin dus ook geen spoedeisend belang.
Onomkeerbare gevolgen
11. Als het onmogelijk is om de eventuele gevolgen van (de uitvoering van) een besluit nog te herstellen, bestaat er ook aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. [3]
12. Verzoekers vrezen dat de knip onomkeerbare gevolgen zal hebben. Weliswaar is er geen sprake van een fysieke barrière, maar het gaat volgens hen om een afsluiting die op termijn niet meer teruggedraaid zal kunnen worden. Hierbij is volgens verzoekers relevant dat er grote samenhang bestaat met andere door het college te nemen verkeersbesluiten, waaronder de knip op het Ledig Erf aan de zuidkant van de stad en het afslaggebod op de Vondellaan naar de Bleekstraat. Als de knip eenmaal gerealiseerd is, volgen de andere verkeersbesluiten. Na vaststelling van eventuele onrechtmatigheid van het besluit van 13 april 2026 is de knip niet meer goed terug te draaien, omdat zij ingebed is in een groter geheel, zo stellen verzoekers.
13. De voorzieningenrechter ziet niet in dat de samenhang met andere verkeersbesluiten maakt dat de knip onomkeerbaar zou zijn. Van belang is dat de genoemde verkeersbesluiten nog niet genomen zijn en dat ook niet zeker is dat deze gerealiseerd zullen zijn voordat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen van verzoekers. In zoverre is het treffen van een voorlopige voorziening op dit moment dus sowieso prematuur. Verzoekers hebben de door hen gestelde onomkeerbaarheid van de knip ook niet verder toegelicht. Dat de knip op de Catharijnesingel niet teruggedraaid kan worden als er verkeersmaatregelen worden genomen elders in de stad, is niet nader onderbouwd. Het college heeft bovendien weersproken dat de knip vanwege samenhang met andere verkeersbesluiten in feite onomkeerbaar is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college hierin niet te volgen.
13.1.
CmU heeft in verband met de onomkeerbaarheid van de knip nog gesteld dat verschillende winkeliers vanwege de knip failliet zullen gaan, wat onomkeerbaar is. CmU heeft de gevolgen van de knip voor de winkeliers in de binnenstad – zoals hiervoor ook is overwogen – echter verder niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbijgaat.
Uitvoering van de knip
14. Op de zitting heeft het college verklaard dat de knip in de maand september 2026 feitelijk zal worden gerealiseerd. Er zal voorafgaand aan de feitelijke uitvoering van het verkeersbesluit aandacht worden besteed aan informatievoorziening en voldoende bewegwijzering. Hoog Catharijne vreest dat de gewenning aan de knip zal moeten gaan plaatsvinden in het laatste kwartaal van het jaar. Zij vindt dit onacceptabel, omdat dit voor haar de drukste periode van het jaar is en zij chaos vreest.
15. De voorzieningenrechter verwijst naar wat zij hierboven heeft verwoord over het financiële belang van Hoog Catharijne. Hoog Catharijne heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in financiële nood zal komen te verkeren als de knip wordt gerealiseerd. Dat ligt niet anders voor een realisatie van de knip in de drukke laatste maanden van het jaar.
Geen evidente onrechtmatigheid
16. Omdat voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in beroep in stand zal blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, ondanks het ontbreken van spoedeisend belang, een voorlopige voorziening te treffen.
Afronding
De voorzieningenrechter onderkent dat de knip impact zal kunnen hebben voor verzoekers, bezoekers van Utrecht en de Utrechtse winkels, bedrijven en hotels en voor buurtbewoners. Het gaat om een groot verkeersbesluit dat brede uitstraling heeft. De noord-zuid route in de stad Utrecht is niet langer voor iedereen beschikbaar en dat heeft gevolgen. Er zullen mensen zijn die te maken krijgen met omrijdtijd en niet is uitgesloten dat dit voor hen nadelige gevolgen heeft. Dat maakt op zichzelf echter nog niet dat een voorlopige voorziening getroffen moet worden totdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep van verzoekers. Geen van de verzoekers heeft in voldoende mate toegelicht dat haar bedrijfsvoering in gevaar komt door de knip of dat er anderszins gevolgen optreden die zij niet kan dragen voor de duur van de beroepsfase. Aan een verdere belangenafweging komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe. Wat betreft de belangen van de buurtbewoners, overweegt de voorzieningenrechter dat geen van deze bewoners beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 13 april 2026 of om een voorlopige voorziening heeft verzocht. Dit heeft tot gevolg dat het belang van de bewoners in deze procedure niet wordt meegewogen.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Het besluit van het college van 13 april 2026 wordt dus niet geschorst en het college kan de knip feitelijk gaan realiseren.
18. Omdat de verzoeken om een voorlopige voorziening worden afgewezen, hebben verzoekers geen recht op een vergoeding van hun proceskosten. Het griffierecht hoeft ook niet te worden terugbetaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:753.
3.MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 506.