ECLI:NL:RBMNE:2026:3824

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3368
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Stijnen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op verzoek herbeoordeling WIA-uitkering

Eiseres heeft een verzoek tot herbeoordeling van haar WIA-uitkering ingediend bij het UWV op 3 juni 2025. Verweerder heeft niet tijdig op dit verzoek beslist, waarna eiseres een ingebrekestelling stuurde op 12 februari 2026. Na het verstrijken van de wettelijke termijn stelde eiseres op 12 mei 2026 beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank oordeelt dat verweerder in gebreke is gebleven en stelt een nieuwe beslistermijn van vier maanden vast, gelet op het tekort aan verzekeringsartsen dat verweerder heeft aangevoerd. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van het griffierecht van € 397 en een proceskostenvergoeding van € 467 aan eiseres, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het geschil.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter R. Stijnen en griffier L. El Kabch op 25 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een beslistermijn van vier maanden en een dwangsom op aan het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar verzoek. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 3 juni 2025. Niet in geschil is dat verweerder
te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 12 februari 2026 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 12 mei 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit
alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen
tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [1] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor
elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet binnen een termijn van vier maanden na verzending
van deze uitspraak een beslissing nemen op het verzoek van eiseres.
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft
gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres
betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.