ECLI:NL:RBMNE:2026:3830

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3209
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Stijnen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op verzoek herbeoordeling WIA met dwangsom

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat dit niet tijdig heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van een WIA-uitkering. De rechtbank stelt vast dat het UWV de aanvraag op 28 januari 2026 ontving, maar niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Na ontvangst van een ingebrekestelling op 1 april 2026 verstreken twee weken zonder besluit, waarna het beroep op 7 mei 2026 werd ingediend.

De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing moet nemen, gelet op het tekort aan verzekeringsartsen. Tevens wordt een dwangsom vastgesteld van €1.442,- voor de periode van 42 dagen dat het besluit te laat is genomen, en een aanvullende dwangsom van €100,- per dag voor elke dag dat de termijn na deze uitspraak wordt overschreden, met een maximum van €15.000,-.

Daarnaast wordt het griffierecht van €397,- en een proceskostenvergoeding van €467,- toegekend aan eiseres. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van het besluit en draagt het UWV op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen en betaalt een dwangsom en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3209

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland, uit Utrecht, eiseres

(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar verzoek. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 28 januari 2026. Niet in geschil is dat
verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 1 april 2026 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 7 mei 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit
alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen
tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [1] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt,
het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
7. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu
alsnog (artikel 8:55c Awb). Nu niet is gebleken dat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen, is voor 42 dagen een dwangsom verbeurd. De hoogte van de dwangsom wordt daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb bepaald op € 1.442,-.
8. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor
elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

9. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet binnen een termijn van vier maanden na verzending
van deze uitspraak een beslissing nemen op het verzoek van eiseres.
10. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft
gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres
betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1442,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.