ECLI:NL:RBMNE:2026:3866

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 23/6323
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 6:19 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen UWV-besluit over niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid afgewezen

Eiser, voormalig werknemer, is sinds 7 juni 2021 ziek gemeld en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 79,59%. Na bezwaar en beroep heeft het UWV dit percentage verhoogd naar 80-100%, maar bleef bij de conclusie dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke cardioloog als deskundige, die concludeerde dat er concrete en individuele behandelmogelijkheden zijn waardoor verbetering van de cardiale klachten te verwachten is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde eveneens dat zowel de psychische als cardiale klachten niet duurzaam zijn.

Eiser voerde aan dat zijn hartfalen in NYHA III stadium duurzaam is en dat zijn klachten niet verbeteren, mede door een pacemaker. De rechtbank oordeelde echter dat het gaat om de verwachting van verbetering door behandelingen en niet om de feitelijke situatie na de datum in geding.

De rechtbank volgde het deskundigenrapport en de medische rapporten van het UWV en concludeerde dat eiser geen recht heeft op een IVA-uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6323

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.D. van Alphen)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder.
(gemachtigde: J. Staarthof).

Inleiding

1. Eiser was voorheen werkzaam als [functie] voor 39,77 uur per week. Hij heeft zich op 7 juni 2021 ziek gemeld. Met het besluit van 15 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser per 5 juni 2023 een uitkering op grond van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 79,59%.
1.1
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.2
Met de beslissing op bezwaar van 4 december 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
Met het besluit van 1 maart 2024 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 5 juni 2023 is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.5
Eiser heeft desgevraagd aan de rechtbank meegedeeld dat hij het ook niet eens is met het gewijzigde besluit en wat zijn gronden daarvoor zijn.
1.6
De zaak is bij de rechtbank behandeld op de zitting van 2 mei 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv.
1.7
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Vervolgens heeft de rechtbank cardioloog dr. [deskundige] als onafhankelijk deskundige benoemd.
1.8
De deskundige heeft op 14 januari 2025 zijn rapport uitgebracht. Het Uwv en eiser hebben hier schriftelijk op gereageerd. Op 23 juni 2025 heeft de deskundige op verzoek van de rechtbank aanvullend gerapporteerd. Daarop is alleen door eiser gereageerd. Eiser heeft de rechtbank op 30 december 2025 schriftelijk geïnformeerd over een onderzoek naar hartfalen waar eiser voor is uitgenodigd.
1.9
Op verzoek van eiser heeft de rechtbank een tweede zitting gepland op 13 mei 2026. Op 21 april 2026 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij door persoonlijke omstandigheden niet bij de zitting zal zijn en dat hij de uitspraak tegemoet ziet. Het Uwv heeft desgevraagd telefonisch aan de griffier meegedeeld dan evenmin behoefte te hebben aan een zitting. Wel heeft het Uwv bij brief van 23 april 2026 nog een aantal door eiser in een andere, civiele procedure ingebrachte stukken, alsmede een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de brieven van eiser van 24 juni 2025, 28 juli 2025 en 30 december 2025 en de daarbij gevoegde stukken overgelegd. Daarop heeft de rechtbank geen reactie meer ontvangen van eiser. De rechtbank heeft vervolgens besloten geen nadere zitting meer te houden en het onderzoek gesloten.

Het geschil

2. Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiser volledig arbeidsongeschikt is. Partijen verschillen er wel van mening over of die volledige arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is en of eiser daarom recht heeft op een IVA-uitkering.

Beoordelingskader

3. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet aan (één van) de drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling niet klopt. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid.

Beoordeling door de rechtbank

4. Met het besluit van 1 maart 2024 heeft het Uwv het bestreden besluit ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd. Omdat eiser het ook met deze wijziging niet eens is, merkt de rechtbank het beroep van eiser, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, aan als gericht tegen het bestreden besluit, zoals op 1 maart 2024 gewijzigd.
5. Eiser vindt dat hij niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing hiervan heeft hij de brief van zijn cardioloog van 16 februari 2024 overgelegd. Daarin wordt beschreven dat het doel van de behandeling gericht is op verbetering van de cardiale functie, de prognose en mortaliteit en morbiditeit bij hartfalen, maar tegelijkertijd merkt de cardioloog op dat de linker ventrikel ejectiefractie niet direct iets zegt over de klachten of mate van functioneren van patiënten met hartfalen. Eiser wijst erop dat sprake is van hartfalen in NYHA III stadium. Deze klachten zijn duurzaam. Eiser zal altijd met hartfalen blijven kampen met de daarbij komende beperkingen. Ook al zou er ten aanzien van de hartklachten een verbetering optreden, dan zou die verbetering nog steeds ertoe leiden dat op basis van zijn hartklachten indeling in arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% aan de orde is. Overigens vindt eiser dat hij zijn cardiale klachten in onderlinge samenhang met zijn overige lichamelijke klachten en zijn psychische klachten moeten worden bezien.
6. Vast staat dat alle klachten van eiser samen, inclusief de cardiale klachten, leiden tot het een volledige arbeidsongeschiktheid. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of deze klachten duurzaam zijn.
7. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op langere termijn een geringe kans op herstel bestaat.
8. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de rapporten van 22 februari 2024 en 25 april 2024 gemotiveerd ingegaan op de duurzaamheid van eisers beperkingen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn zowel de psychische klachten als de cardiale problematiek niet duurzaam.
Ten aanzien van de psychische klachten is er specifiek voor eiser gerichte behandeling beschikbaar waardoor verbetering te verwachten is bij goed effect. Uit de informatie van [instelling] blijkt dat zij de huisarts hebben geadviseerd eiser door te verwijzen naar GIT-PD gericht op behandeling voor dieperliggende patronen en het duurzaam verbeteren van de impuls en emotieregulatieproblematiek o.a. middels het uitvoeren van VERS training. Verder wilde [instelling] gedurende de wachttijd hiervoor Focaal overbrugging aanbieden, één keer in de twee/drie weken door middel van het maken van een crisispreventieplan en het starten met activatie. Daarnaast heeft [instelling] eiser en partner geadviseerd om het sociaal Wijkteam in te zetten. Omdat Running Therapie eerder effectief was, wilde [instelling] eiser ook hiervoor aanmelden.
Ook voor de cardiale problematiek is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een behandeling die specifiek is gericht op de klachten van eiser, die volgens de behandelend cardioloog naar verwachting tot verbetering leidt. De behandeling van hartfalen bestaat uit hartfalenmedicatie, waarop eiser momenteel stapsgewijs wordt ingesteld. Dit traject duurt enkele weken. Het doel van de behandeling is verbetering van de cardiale functie, de prognose en mortaliteit en morbiditeit bij hartfalen; hierbij is vaak dan ook verbetering van de linkerventrikelfunctie. Daarbij merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de linkerventrikel ejectiefractie niet direct iets zegt over de klachten of mate van functioneren van eiser met hartfalen, dit kan per persoon sterk verschillen. Hiermee is de verzwaring van beperkingen ten aanzien van onder andere tillen in bezwaar, die geleid heeft tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, ook niet duurzaam.
9. Wat betreft de duurzaamheid van lichamelijke klachten, niet zijnde cardiale klachten, stelt de rechtbank allereerst voorop dat de door eiser in zijn brief van 23 juni 2025 genoemde klachten en diagnoses blijkens de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet alle eerder zijn genoemd. Het gaat dan om de diagnoses MS/CVS in combinatie met Restless Legs Syndroom, auto-immuun problematiek en het syndroom van Tietze. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiermee dan ook in haar beoordeling van de duurzaamheid terecht geen rekening gehouden. De rechtbank stelt verder vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de duurzaamheid van de wel bekende lichamelijke klachten niet uitdrukkelijk is ingegaan in haar rapporten. Uit de rapporten van de verzekeringsarts blijkt echter dat voor die klachten alleen enige beperkingen voor zware fysieke belasting zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst en dat de volledige arbeidsongeschiktheid van eiser vooral samenhangt met de forse urenbeperking in verband met de psychische klachten en de beperkingen die nodig zijn in verband met de cardiale klachten. De rechtbank kan daarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat zij deze klachten niet expliciet heeft betrokken in haar beoordeling van de duurzaamheid.
10. Ten aanzien van de duurzaamheid van de cardiale klachten heeft de rechtbank na de behandeling op de zitting geconstateerd dat zij behoefte heeft aan een deskundigenadvies over de behandel- en verbetermogelijkheden van eiser op dit gebied.
11. De deskundige heeft kennis genomen van het procesdossier en eiseres gezien en onderzocht op 12 december 2024. Ook heeft hij een nadien op 16 december 2024 verrichte echocardiografie bij zijn rapport betrokken. Op grond hiervan heeft hij in het rapport van 14 januari 2025 de vragen van de rechtbank beantwoord. Volgens de deskundige waren er voor eiser op de datum in geding concrete en individuele behandelmogelijkheden waarvan redelijkerwijs verbetering van zijn cardiale klachten te verwachten was. Die behandelmogelijkheden bestaan uit hartfalenmedicatie, een hartrevalidatietraject gericht op het optimaliseren van de (cardiale) conditie en tevens coping met de diagnose en, bij een eventuele verslechtering van de LV-ejectiefractie, toepassing van biventriculaire pacing. Dit effect kan in een periode van 6 maanden bereikt worden. De deskundige heeft ook toegelicht waarom deze behandelingen eisers klachten kunnen verminderen.
Hartfalenmedicatie, eventueel in combinatie met biventriculaire pacing in elk geval van een linker bundeltakblock en slechte linker ventrikelfunctie, kan klachten van hartfalen (NHYHA-klasse) verbeteren en hartfalen kan jarenlang stabiel blijven. Het advies van eventuele toepassing van een biventriculaire pacing is gebaseerd op wetenschappelijk bewijs vanuit meerdere grote studies en betreft dan ook een aanbeveling in de huidige (Europese) hartfalenrichtlijn. Positieve bevindingen uit deze studies zijn een stijging in ejectiefractie en verbetering van de klachten van hartfalen (met verbetering van de NYHA-klasse).
Het hartrevalidatietraject kan eiser helpen zijn angstklachten en onzekerheid te reduceren. Hoewel de angst, onzekerheid en vermoeidheid die eiser ervaart invoelbaar is, zijn deze klachten enigszins discrepant met de bevindingen van de deskundige.
12. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. [1] Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich in dit geval voor. De conclusies van de deskundige berusten op voldoende onderzoek en zijn inzichtelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de deskundige niet te volgen en gaat er daarom vanuit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft aangenomen dat in het geval van eiser sprake is van concrete en individuele behandelmogelijkheden, waardoor de cardiale klachten van eiser redelijkerwijs zullen verbeteren. Wat eiser heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. De rechtbank legt dat hierna uit.
13.1
De stelling van eiser dat de beoordeling van de deskundige onvolledig is, omdat hij niet lichamelijk is onderzocht, treft geen doel. De rechtbank merkt op dat de deskundige in het rapport van 14 januari 2025 heeft opgenomen dat hij eiser algemeen lichamelijk heeft onderzocht. Daarnaast heeft de deskundige de echocardiografie van 16 december 2024 bestudeerd. Dat de deskundige geen ECG heeft verricht en/of geen vochtretentie heeft afgenomen, betekent niet zonder meer dat de beoordeling onvolledig is verricht. Mits de deskundige de ECG van 16 december 2024 voldoende recent acht en daar voldoende informatie uit kan halen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek.
13.2
Verder heeft de deskundige volgens eiser ten onrechte aangenomen dat na de datum in geding sprake is van een verbetering van hartfalen NYHA III naar hartfalen NYHA II. Eiser benadrukt dat hij een chronische, progressieve aandoening heeft, die niet kan verbeteren. Verder wijst eiser erop dat bij hem inmiddels in verband met verslechtering van zijn situatie een pacemaker is geplaatst. De rechtbank overweegt hierover dat bij de beoordeling van de duurzaamheid van eisers cardiale klachten niet doorslaggevend is of eisers cardiale klachten na de datum in geding daadwerkelijk zijn verbeterd en daardoor niet meer in categorie NYHA III, maar in categorie NYHA II vallen. Het gaat immers om de vraag of er concrete en individuele behandelmogelijkheden zijn en of als gevolg daarvan redelijkerwijs verbetering te verwachten is. De opmerkingen van de deskundige die betrekking hebben op de feitelijke gezondheidssituatie van eiser na de datum in geding, ziet de rechtbank dan ook niet als een dragend deel van het rapport. De deskundige geeft hiermee enkel aan dat de hartmedicatie in de praktijk ook al effect heeft gehad.
13.3
Eiser vindt dat biventriculaire pacing en een nieuw hartrevalidatietraject geen adequate behandelingen voor hem zijn. De rechtbank overweegt hierover dat, hoewel de angst van eiser voor het plaatsten van een pacemaker invoelbaar is, dat er niet aan af doet dat deze behandeling zijn klachten kan verbeteren. Verder heeft de deskundige goed uitgelegd waarom een nieuw hartrevalidatietraject toch een positief effect kan hebben.

Conclusie en gevolgen

14. Op grond van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het deskundigenrapport komt de rechtbank tot de conclusie dat bij eiser geen sprake is van duurzame beperkingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op de beoordelingsdatum geen recht had op een IVA-uitkering.
15. Het beroep is ongegrond.
16. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Het Uwv is in beroep weliswaar de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 80 tot 100%, maar dit is het gevolg van pas in beroep door eiser overgelegde medische informatie, die bij de verzekeringsartsen ook niet eerder bekend kon zijn.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1802.