ECLI:NL:RBMNE:2026:3891

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/4908 en UTR 25/4759
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 OmgevingswetArt. 5.30 OmgevingswetArt. 5.37 OmgevingswetArt. 1.16 Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024Art. 2.1 Waterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over omgevingsvergunning wateractiviteiten natuurgebied Bodegraven Noord

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de omgevingsvergunning verleend door het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden voor wateractiviteiten ten behoeve van de transformatie van agrarisch veengebied naar natuurgebied in Bodegraven Noord. Eisers, omwonenden en agrarische eigenaren of pachters, betwisten de wijzigingen in de waterhuishouding vanwege mogelijke nadelige gevolgen voor hun agrarische percelen met onderbemaling.

De rechtbank beoordeelt diverse beroepsgronden, waaronder de waterbergingscapaciteit, peilscheidingen, waterkwaliteit, en de rol van de buffersloot. Hoewel de rechtbank het besluit in grote lijnen rechtvaardig acht, constateert zij een motiveringsgebrek over de effecten op grondwaterstromingen en kwelvorming. Dit gebrek is tijdens de beroepsprocedure door het hoogheemraadschap hersteld met een geohydrologische analyse.

Verder oordeelt de rechtbank dat een voorschrift inzake afwijking van peilbegrenzingen onvoldoende duidelijk is en vervangt dit door een aangescherpt voorschrift. De overige beroepsgronden, zoals over wateroverlast, onderhoudsverplichtingen en belangenafweging, worden afgewezen. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, vernietigt het besluit deels, maar laat de rechtsgevolgen grotendeels in stand. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan eisers vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt deels het besluit van het hoogheemraadschap wegens een motiveringsgebrek en past een voorschrift aan, maar laat de omgevingsvergunning verder in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4908 en UTR 25/4759

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaken tussen

1. de stille maatschap [eisers-1] en haar maten [eisers-1],
en 14 anderen [1] ,
(gemachtigde: mr. J.H.D. Elings), eisers-1
2. de vennootschap onder firma [eisers-2],
(gemachtigde mr. P.J.G. Goumans)
allen uit [plaats] (gemeente Bodegraven-Reeuwijk), eisers-2,
samen eisers,
en
het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder
(gemachtigde: mr. W.S. Zorg).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
1.
de provincie Zuid-Holland(vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. R. Brouwer),
2. de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederlandgevestigd in
Amersfoort (gemachtigde: E.M. Kool) (Natuurmonumenten).
Partijen worden in deze uitspraak eisers-1, eisers-2, het hoogheemraadschap, vergunninghouder en Natuurmonumenten genoemd.

Inleiding

1. In 2016 hebben verschillende bestuursorganen in de provincie Zuid-Holland de “Gebiedsovereenkomst Veenweiden Gouwe Wiericken 2016-2021” getekend. In deze overeenkomst zijn opgaven bepaald voor natuur, recreatie en landbouw en de daaraan gerelateerde bodem- en waterbeheerkwesties. Onderdeel van de natuuropgave in de Gouwe Wiericke is de inrichting van een permanent natuurgebied in Bodegraven Noord als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het natuurgebied moet worden gerealiseerd op agrarische grond. De gemeenteraad van Bodegraven-Reeuwijk heeft daarom het wijzigingsplan ‘Natuurgebied Bodegraven Noord’ en het bestemmingsplan ‘Natuurgebied Bodegraven Noord’ vastgesteld om de bestemming van de gronden te wijzigen van ‘Agrarisch met waarden’ in de bestemming ‘Natuur’. Het wijzigingsplan is op 26 november 2024 en het bestemmingsplan is op 18 december 2024 vastgesteld. Beide plannen zijn geheel in werking getreden.
2. Na de inrichting van het natuurgebied zal Natuurmonumenten zorgen voor het beheer van het gebied. De gronden rondom het natuurgebied behouden een agrarische bestemming. Eisers pachten, of zijn eigenaar, van de agrarische gronden rondom het natuurgebied en zijn het niet eens met de ontwikkeling. Zij zijn opgekomen tegen het wijzigingsplan en het bestemmingsplan. Daarover zijn door eisers bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) beroepen ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers is door de Afdeling afgewezen. [2]
3. Om het agrarisch (veen)gebied om te zetten naar natuurgebied moet ook de waterhuishouding in het gebied worden aangepast. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het hoogheemraadschap heeft verleend voor het uitvoeren van verschillende wateractiviteiten ten behoeve van de inrichting van het natuurgebied (het projectgebied).

Procesverloop

4. In 2024 heeft de provincie bij het hoogheemraadschap een omgevingsvergunning aangevraagd voor verschillende wateractiviteiten uit de waterschapsverordening, ten behoeve van het project Natuurontwikkeling Bodegraven Noord. Met het besluit van 9 december 2024 (het primaire besluit) heeft het hoogheemraadschap de omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor onder meer het dempen en graven van watergangen, het aanleggen van een peilscheiding, het realiseren van peilwijzigingen en het aanleggen van diverse dammen met duiker op meerdere percelen in de Noordzijpolder, de Meijepolder en de Polder Weijland en de Bree. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
5. Met de beslissing op bezwaar van 11 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het hoogheemraadschap de bezwaren van eisers gegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering en met wijziging van de voorschriften, in stand gelaten. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben daartegen beroep ingesteld. Zij hebben ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die door deze rechtbank is afgewezen. [3]
6. De beroepen van eisers zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van 9 april 2026. Namens eisers-1 hebben [eiser-1] en [eiser-1] aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens eisers-1 was [deskundige] van [bedrijf] als deskundige bij de zitting aanwezig. Namens eisers-2 was [eiser-2] bij de zitting aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het hoogheemraadschap heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door de medewerkers [A] (vergunningverlener), [B] (senior geohydroloog), [C] (medior geohydroloog) en door [D] en [E] . De provincie heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [F] (projectleider). Natuurmonumenten heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [F] (ecoloog).
7. Omdat de zaken op zitting gezamenlijk, maar niet gevoegd zijn behandeld beschikken eisers-1 en eisers-2 niet over dezelfde processtukken. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het hoogheemraadschap na afloop van de zitting aan de gemachtigde van eisers-2 zijn (Geo)Hydrologische analyse Bodegraven-Noord van 18 februari 2026 verstrekt en dat hij aan de gemachtigde van eisers-1 het Deskundigenoordeel van [deskundige] van 26 maart 2026 verstrekt, dat is ingebracht door eisers-2. Met partijen is tijdens de zitting afgesproken dat zij binnen 14 dagen na de behandeling ter zitting om heropening kunnen verzoeken als zij na kennisname van deze stukken nog een nadere schriftelijke reactie willen indienen. Een verzoek van partijen tot heropening is uitgebleven.

Het projectgebied

8. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van het projectgebied. Het projectgebied is gelegen binnen de rode omlijning en maakt deel uit van vijf verschillende peilgebieden. Water wordt onder andere het gebied in- en uitgevoerd via de Oud Rijn, de Meijevliet en de Molentocht. Daarbij speelt het gemaal Meijepolder, gelegen in het uiterste zuidelijke deel van het projectgebied, een belangrijke rol. Het peil in het projectgebied verschilt per peilgebied, maar wordt gemiddeld hoger dan in het omliggende agrarisch gebied. Het hogere peil in het projectgebied heeft tot doel om verschillende natuurbeheertypen in het gebied te kunnen realiseren. Het agrarisch gebied rondom het projectgebied maakt gebruik van onderbemaling. Dit betekent dat het peil gemiddeld lager ligt dan het niveau dat het hoogheemraadschap voor het gebied hanteert. Het watersysteem van het projectgebied moet volledig geïsoleerd worden aangelegd van het watersysteem van de omliggende agrarische gronden. Daarvoor komt er rondom het projectgebied een buffersloot op het peil van de aangrenzende agrarische percelen. De buffersloot wordt deels nieuw aangelegd, maar zal voor het grootste deel bestaan uit al bestaande sloten. Langs de buffersloot en tussen de begrenzingen van de verschillende peilgebieden binnen het projectgebied worden peilscheidingen met een beheerpad aangelegd. De peilscheidingen moeten ervoor zorgen dat binnen het natuurgebied een hoger waterpeil kan worden gerealiseerd en dat eventueel overtollig water in het natuurgebied kan worden vastgehouden.

De besluitvorming van het hoogheemraadschap

9. Zoals al vermeld heeft het hoogheemraadschap een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van verschillende vergunningplichtige wateractiviteiten in het projectgebied, waaronder het dempen en graven van watergangen, het aanleggen van een peilscheiding, het realiseren van peilwijzigingen en het aanleggen van diverse dammen met duikers op meerdere percelen in de Noordzijpolder, de Meijepolder en de Polder Weijland en de Bree. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden die zien op de uitvoering en het beheer van de verschillende wateractiviteiten.

Het toetsingskader

10. Uit artikel 5.3 van de Omgevingswet (Ow) volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit zoals bedoeld in artikel 5.3 van de Ow, kan een omgevingsvergunning alleen worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn bepaald in de waterschapsverordening. Dit volgt uit artikel 5.30 van de Ow.
11. Op deze zaak is de ‘Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024’ (de Verordening) van toepassing. De Verordening bevat regels voor activiteiten met betrekking tot een waterstaatswerk. Voor deze activiteiten gelden, naast de algemene zorgplicht uit de Ow, specifieke zorgplichten op grond van de Verordening, afhankelijk van de activiteit. Daarnaast zijn in de Verordening activiteiten aangewezen waarvoor het verbod geldt om deze te verrichten zonder een omgevingsvergunning. Op grond van artikel 5.30 van de Omgevingswet kan de omgevingsvergunning voor deze activiteiten alleen worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn bepaald in de Verordening. Voor alle activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning in deze zaak is aangevraagd geldt de beoordelingsregel uit artikel 1.16, eerste lid, van de Verordening. Daarin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
12. De beoordeling die het hoogheemraadschap moet uitvoeren is of de aangevraagde activiteiten verenigbaar zijn met de limitatief opgenomen doelstellingen uit artikel 1.16 van de Verordening. Het hoogheemraadschap heeft op de zitting toegelicht dat het criterium van ‘de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen’ oorspronkelijk bedoeld is voor klassieke functies van watersystemen zoals de scheepvaart. Volgens het hoogheemraadschap kan het agrarisch gebruik van gronden in beginsel niet gezien worden als ‘de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen’, zodat agrarisch gebruik in beginsel niet onder de c-grond van artikel 1.16 van de Verordening valt. Het hoogheemraadschap heeft in dat verband wel benadrukt dat zij bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten op grond van artikel 1.16 van de Verordening een belangenafweging moet maken, waarbij ook de belangen van de gebruikers van de omliggende agrarische gronden moeten worden betrokken.
13. De rechtbank overweegt dat de beoordelingsregel in artikel 1.16 van de Verordening overeenkomt met de doelstellingen uit artikel 2.1 van de voormalige Waterwet. De beoordelingsregel onder de Waterwet zag ook op een belangenafweging waarbij een watervergunning niet kon worden verleend voor zover deze niet met de doelstellingen uit artikel 2.1 van de Waterwet verenigbaar was. Uit rechtspraak die ten tijde van de Waterwet is gewezen volgt dat een waterschap moet toetsen aan de limitatief opgesomde weigeringsgronden in de Waterwet, en daarbij de belangen van derden moet meewegen. [4] Vanwege de overeenkomst tussen de doelstellingen en de beoordelingsregel in de Waterwet en de beoordelingsregel in artikel 1.16 van de Verordening ziet de rechtbank aanleiding om de omgevingsvergunning in deze zaak op gelijke wijze te beoordelen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak beoordeelt of het hoogheemraadschap in redelijkheid heeft vastgesteld dat de verleende omgevingsvergunning verenigbaar is met de limitatief in artikel 1.16 van de Verordening opgesomde doelstellingen.

Beoordeling door de rechtbank

De belanghebbendheid van eisers
14. De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve te beoordelen of eisers als belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt in deze procedure. De rechtbank overweegt in dat kader dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat belanghebbendheid in beginsel wordt aangenomen voor eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat. [5] De rechtbank stelt vast dat de meerderheid van de eisers percelen hebben die grenzen aan het projectgebied. Voor de overige eisers die als pachter percelen aangrenzend of nabij het projectgebied in gebruik hebben of eigenaren die percelen bezitten nabij het projectgebied neemt de rechtbank de belanghebbendheid aan omdat het aannemelijk is dat zij mogelijk gevolgen van de vergunde activiteiten kunnen ondervinden in hun woon-, leef- of bedrijfssituatie. Bij deze overweging van de rechtbank speelt een rol dat het hoogheemraadschap, vergunninghouder en Natuurmonumenten de belanghebbendheid van eisers hebben aangenomen. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de beroepen van eisers inhoudelijk beoordeelt.
Vergunninghouder
15. Eisers-2 hebben aangevoerd dat onduidelijk is wie vergunninghouder is. Eisers-2 hebben toegelicht dat voor hen vooral van belang is om te weten tot wie zij zich kunnen richten wanneer zij in de aanleg- en gebruiksfase overlast ervaren.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet geldt een omgevingsvergunning voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Tussen partijen is niet in geschil dat de provincie Zuid-Holland vergunninghouder is. Dit is ook besproken tijdens de hoorzitting die in het kader van de bezwaarfase is gevoerd. Het hoogheemraadschap heeft tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat de verleende omgevingsvergunning een vergunning is met een voortdurende werking. Dit betekent dat de omgevingsvergunning niet alleen ziet op de aanlegfase (tijdens het verrichten van de werkzaamheden), maar dat deze ook daarna voor de beheerfase geldt. Besproken is dat Natuurmonumenten vergunninghouder wordt zodra de aanlegwerkzaamheden in het projectgebied zijn afgerond en de beheerfase van het project begint. Natuurmonumenten wordt dan verantwoordelijk voor het beheer van het projectgebied en de naleving van de omgevingsvergunning in die fase. Als Natuurmonumenten zich tijdens de beheerfase dus niet aan de voorschriften uit de omgevingsvergunning houdt, dan kunnen eisers-2 (of andere belanghebbenden) zich tot het hoogheemraadschap wenden met een verzoek om handhaving. Overigens heeft Natuurmonumenten tijdens de zitting toegelicht ook zelf met de grondgebruikers goede contacten te willen onderhouden. Gelet op het voorgaande treft de beroepsgrond dat onduidelijk is wie vergunninghouder is, geen doel.
De waterbergingscapaciteit
17. Het hoogheemraadschap heeft uitgangspunten gehanteerd op basis waarvan de omgevingsvergunning voor de wateractiviteiten kan worden verleend. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in de voorschriften bij de omgevingsvergunning. Als voorschrift is onder andere opgenomen dat het projectgebied zodanig moet worden ingericht dat het gebied 150 millimeter (mm) neerslag kan bergen die binnen 48 uur valt. Tijdens de zitting heeft het hoogheemraadschap toegelicht dat dit een zware norm is en dat daar bij het ontwerp van het projectgebied juist voor is gekozen om wateroverlast voor de omliggende agrarische percelen zoveel mogelijk te voorkomen. De situatie waarin er 150 mm neerslag valt in 48 uur komt volgens het hoogheemraadschap bij het huidige klimaat eens in de 800 jaar voor. Om te onderbouwen dat de waterbergingscapaciteit van het projectgebied zeer robuust is heeft het hoogheemraadschap erop gewezen dat voor de omliggende percelen een norm geldt waarbij een overstroming eens in de tien jaar kan voorkomen (een zogenaamde inundatienorm van T=10).
18. Eisers-1 voeren aan dat de vastgestelde waterbergingscapaciteit van het projectgebied oncontroleerbaar en niet realistisch is. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers een rapport overgelegd van [bedrijf] van 8 januari 2026 (het rapport van [bedrijf] ). Hieruit volgt dat voor het vaststellen van de waterbergingscapaciteit van het projectgebied een oppervlaktewatermodel is gebruikt, maar dat slechts beperkt inzicht is gegeven in de opzet, de aannames en de kwaliteit van dit model. Hierdoor kan de betrouwbaarheid, representativiteit en validiteit van het model niet worden gecontroleerd. Bovendien is de waterbergingscapaciteit alleen haalbaar als alle grond- en oppervlaktewaterpeilen exact op streefpeil zijn en na afloop geen aanvullende neerslag valt. Deze aannames zijn niet waarschijnlijk.
19. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond van eisers-1 over de waterbergingscapaciteit is gericht tegen een voorschrift uit de omgevingsvergunning waar vergunninghouder en Natuurmonumenten tijdens de aanleg- en beheerfase aan moeten voldoen. Vergunninghouder en Natuurmonumenten hebben geen bezwaren geuit tegen dit vergunningvoorschrift. Eisers hebben met hun beroepsgrond uitsluitend vraagtekens geplaatst bij de haalbaarheid van de norm voor waterbergingscapaciteit in het projectgebied. Eisers hebben niet gesteld dat de norm onjuist is vastgesteld of dat een strengere norm nodig is. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat eisers bij het hoogheemraadschap kunnen verzoeken om handhavend op te treden als de waterbergingscapaciteit in het projectgebied niet overeenkomstig het voorschrift wordt gehaald. Deze beroepsgrond treft geen doel.
20. Eisers-1 hebben verder aangevoerd dat de effectiviteit van de waterbergingscapaciteit ook afhankelijk is van het sturingsprotocol van de stuwen die in het projectgebied worden aangelegd. Eisers hebben in dat kader een aanvullend rapport van [bedrijf] van 9 maart 2026 overgelegd (het aanvullend rapport van [bedrijf] ). In dit rapport wordt gesteld dat het hoogheemraadschap ten onrechte geen inzicht heeft gegeven in het sturingsprotocol van de stuwen en dat bovendien niet duidelijk is of het sturingsprotocol in de modellen over de waterbergingscapaciteit zijn betrokken. Volgens [deskundige] (hierna: [deskundige] ) moet het sturingsprotocol van de stuwen in het model worden ingebracht en moet de bediening van de stuwen worden gekoppeld aan een hoeveelheid neerslag. Verder heeft ook de breedte van de stuwen invloed op de bergingscapaciteit. Ten slotte is in het aanvullend rapport van [bedrijf] aangevoerd dat de waterbergingscapaciteit eenvoudig aantoonbaar moet zijn aan de hand van een zogenaamde Sobek-berekening vóór en na de aanleg van het natuurgebied, maar dat deze gegevens ontbreken.
21. De rechtbank overweegt dat het hoogheemraadschap heeft gereageerd op de rapporten van [bedrijf] met het rapport ‘(Geo)hydrologische analyse Bodegraven-Noord’ van 18 februari 2026 (hierna: de geohydrologische analyse). Daaruit volgt dat de stuwen in het definitieve ontwerp minder breed zijn dan waar in de modelberekening van uit is gegaan. Dit heeft volgens het hoogheemraadschap echter geen negatieve invloed op de waterbergingscapaciteit van het projectgebied. Kleinere stuwen zorgen ervoor dat het langer duurt om overtollig water vanuit het projectgebied af te voeren. Dit betekent juist dat overtollig water langer in het projectgebied wordt vastgehouden en de omliggende gronden minder zwaar belast worden bij een grote hoeveelheid neerslag. De rechtbank kan deze toelichting volgen. In de geohydrologische analyse is bovendien inzicht gegeven in het gebruikte Sobek-model. Over de besturing van de stuwen heeft het hoogheemraadschap op de zitting toegelicht dat zij een automatisch systeem hanteert voor de besturing van de stuwen. Dit systeem is zo ingesteld dat de stuw automatisch opent of sluit bij een bepaalde waterstand. De bediening van de stuwen is, anders dan [deskundige] voorstelt, niet gekoppeld aan een hoeveelheid neerslag omdat het afhankelijk is van de weersomstandigheden en de omstandigheden in het gebied of een hoeveelheid neerslag tot wateroverlast zal leiden. Na lange perioden van droogte zal een grote regenbui bijvoorbeeld niet direct tot wateroverlast leiden. In voorschrift 13.5 van de verleende omgevingsvergunning is daarom opgenomen dat de uitlaatstuwen zo moeten worden uitgevoerd dat ze kunnen worden geautomatiseerd. Uit voorschrift 13.3 volgt dat het hoogheemraadschap bij extreme neerslag de bediening van de uitlaatstuwen overneemt. Hiermee heeft het hoogheemraadschap de bevoegdheid en de technische mogelijkheden om de uitlaatstuwen bij extreme neerslag op de juiste wijze automatisch te bedienen. De rechtbank kan de toelichting van het hoogheemraadschap over de besturing van de stuwen en de gevolgen voor de waterbergingscapaciteit volgen en ziet geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Dat het hoogheemraadschap geen inzicht heeft gegeven in het sturingsprotocol van de stuwen, leidt niet tot een ander oordeel. Het sturingsprotocol van de stuwen maakt immers geen onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond van eisers treft geen doel.
Voorschrift 3.1
22. Eisers-2 voeren aan dat uit voorschrift 3.1 van de verleende omgevingsvergunning ten onrechte niet volgt dat dit voorschrift ook tijdens de beheerfase van het natuurgebied geldt, terwijl dit wel zo tijdens de hoorzitting is besproken. Eisers-2 verzoeken de rechtbank om dit voorschrift aan te passen. Eisers-2 hebben verder verzocht om in de omgevingsvergunning te concretiseren wanneer sprake is van ‘wateroverlast’. Zij vrezen dat bij eventuele wateroverlast tussen partijen discussie zal ontstaan over de vraag of daar daadwerkelijk sprake van is.
23. Voorschrift 3.1 van de omgevingsvergunning luidt als volgt:
“Het werk wordt zodanig uitgevoerd dat er in alle fasen van het werk geen wateroverlast ontstaat voor eigenaren en gebruikers van aan het natuurgebied grenzende percelen.”.Zoals al eerder vermeld gaat het om een omgevingsvergunning met een voortdurende werking. Dit betekent dat de voorschriften uit de omgevingsvergunning niet alleen zien op de aanlegfase (tijdens het verrichten van de werkzaamheden), maar ook op de beheerfase. Om deze reden ziet voorschrift 3.1 op alle fasen van het werk. Als eisers wateroverlast ervaren tijdens de aanlegfase, of tijdens de beheerfase kunnen zij een beroep doen op voorschrift 3.1. De rechtbank kan deze toelichting van het hoogheemraadschap volgen en acht het voorschrift in combinatie met de gegeven toelichting, ook tijdens de hoorzitting, voldoende duidelijk. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het hoogheemraadschap in de besluitvorming moet definiëren wanneer sprake is van ‘wateroverlast’. Het hoogheemraadschap heeft op de zitting toegelicht dat ‘wateroverlast’ niet in één definitie is te vatten. Wanneer overlast wordt ervaren door water is situatief en afhankelijk van meerdere omgevingsfactoren die onvoorspelbaar zijn. Elke definitie van ‘wateroverlast’ zal volgens het hoogheemraadschap leiden tot een te beperkte opvatting en daarmee uitsluitend nadelig werken voor eisers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap hiermee voldoende deugdelijk toegelicht dat het juist in het belang is van eisers om het begrip ‘wateroverlast’ niet verder te definiëren. De rechtbank volgt deze toelichting van het hoogheemraadschap en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel temeer omdat eisers tijdens de zitting evenmin konden specificeren wanneer naar hun mening in zijn algemeenheid sprake is van wateroverlast. De beroepsgrond slaagt niet.
De onderbemaling
24. Eisers-1 en eisers-2 hebben gronden aangevoerd die zien op de voortzetting van de onderbemaling op hun agrarische percelen. Eisers hebben allereerst toegelicht dat het voor hen onduidelijk is in hoeverre de onderbemaling op hun percelen, met de realisatie van het projectgebied, in stand kan blijven.
25. Eisers hebben verder gronden aangevoerd tegen voorschrift 6.4 van de omgevingsvergunning. Voorschrift 6.4 luidt als volgt:
“Daar waar een onderbemaling wateroverlast ondervindt ten gevolge van het project, dient vergunninghouder adequate maatregelen te (doen) treffen ter voorkoming van deze overlast. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het aanbieden van een onderbemalingsvoorziening (pomp) met een grotere capaciteit, het (doen) aanleggen van drains binnen het projectgebied ter plaatse van de onderbemaling ter voorkoming van het optreden van wegzijging van grondwater of een andere adequate maatregel.”.
26. Eisers voeren hiertegen aan dat met dit voorschrift onvoldoende wordt geborgd dat zij geen nadelige gevolgen zullen ervaren door wateroverlast. Volgens eisers legt het voorschrift aan vergunninghouder ten onrechte geen verplichting op tot het treffen van maatregelen en hoeven maatregelen pas getroffen te worden als de wateroverlast zich al voordoet. Bovendien volgt uit het voorschrift dat de bewijslast bij wateroverlast volledig bij eisers ligt zodat rechtsonzekerheid ontstaat. Eisers hebben op zitting toegelicht dat zij pas een beroep op de nadeelcompensatieregeling van het hoogheemraadschap kunnen doen als causaal verband tussen de wateroverlast en de schade is aangetoond. In het kader van dit voorschrift verzoeken eisers ook om de term ‘wateroverlast’ te definiëren zodat zij weten wanneer zij een beroep op dit voorschrift kunnen doen. Ten slotte stellen eisers dat het ook tijd kost om maatregelen te nemen om hun onderbemaling in stand te houden zodat eventuele wateroverlast, en de daarmee voor eisers gepaard gaande schade, al is ontstaan. Het in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift biedt daarmee aan eisers onvoldoende bescherming.
27. De rechtbank overweegt dat uit de omgevingsvergunning volgt dat de onderbemaling binnen het projectgebied komt te vervallen. Voor het projectgebied gaat immers een hoger peil gelden. Het hoogheemraadschap heeft op de zitting benadrukt dat de onderbemaling op de percelen van eisers in stand blijft. De verleende omgevingsvergunning wijzigt de vergunde onderbemaling op de percelen die eisers in gebruik hebben dus niet. Door de realisatie van het natuurgebied is het agrarische areaal in het gebied wel kleiner geworden. Daarom is volgens het hoogheemraadschap uitsluitend een administratieve wijziging van de vergunningen voor de onderbemalingen nodig. Dit zal door het hoogheemraadschap in gang worden gezet. De rechtbank stelt vast dat het met de gegeven toelichting op zitting voor eisers duidelijk is dat de onderbemaling voor hun percelen in stand kan blijven. Uitsluitend voor het projectgebied vervalt de onderbemaling.
28. De rechtbank oordeelt dat het hoogheemraadschap in redelijkheid voorschrift 6.4 aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden en dat dit voldoende verenigbaar is met de belangen van eisers. De rechtbank overweegt dat het voorschrift aan vergunninghouder een verplichting oplegt om maatregelen te nemen ter voorkoming van wateroverlast. Het treffen van deze maatregelen door vergunninghouder is daarmee niet vrijwillig en dient juist om wateroverlast voor eisers te voorkomen. Als eisers bij gebrekkige naleving van dit voorschrift door vergunninghouder problemen ondervinden, dan kunnen zij zich hiervoor tot het hoogheemraadschap wenden en verzoeken om handhaving van het voorschrift. Tegen de besluitvorming van het hoogheemraadschap daarover staat vervolgens rechtsbescherming open. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de bewijslast voor schade als gevolg van wateroverlast bij eisers ligt, geen aanleiding voor het oordeel dat het hoogheemraadschap dit voorschrift niet in redelijkheid aan de omgevingsvergunning kon verbinden. Vergunninghouder kan immers niet aansprakelijk gehouden worden voor schade die is ontstaan door wateroverlast die niet als gevolg van de inrichting van dit project is veroorzaakt. De beroepsgronden gericht tegen voorschrift 6.4 van de omgevingsvergunning slagen niet.
29. Voor zover eisers ook in het kader van voorschrift 6.4 hebben verzocht om de term ‘wateroverlast’ te definiëren verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover in overweging 23. van deze uitspraak heeft geoordeeld.
De peilscheidingen
30. Eisers-1 voeren aan dat de peilscheidingen te laag worden aangelegd. Uit de voorschriften bij de omgevingsvergunning volgt dat de peilscheidingen 10 centimeter hoger worden aangelegd dan het aangrenzend maaiveld. Volgens eisers zijn de peilscheidingen daarmee te laag om wateroverlast voor de omliggende percelen te voorkomen. Eisers wijzen erop dat de hoogte van de peilscheidingen ook afwijkt van het advies van [bedrijf] in het rapport ‘Definitief ontwerp inrichting Natuurnetwerk Bodegraven Noord’ (het definitief ontwerp). Volgens eisers adviseert [bedrijf] dat de peilscheidingen tussen de 10 en 40 centimeter boven het hoogste streefpeil moeten komen te liggen. Het definitief ontwerp van [bedrijf] hebben eisers-1 als bijlage bij hun beroepschrift gevoegd.
31. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de peilscheidingen te laag worden aangelegd en overweegt daarover het volgende. Het definitief ontwerp van [bedrijf] dat eisers als bijlage bij hun beroepschrift hebben overgelegd is een versie van 30 november 2023. Het hoogheemraadschap heeft bij de processtukken het definitief ontwerp van [bedrijf] van 26 september 2024 gevoegd. De rechtbank stelt vast dat eisers hun beroepsgronden gericht tegen de hoogte van de peilscheidingen onderbouwen met een oudere versie van het definitief ontwerp van [bedrijf] . Desondanks leest de rechtbank ook in de oudere versie van het definitief ontwerp niet het door eisers benoemde advies dat de peilscheidingen volgens [bedrijf] op 10 tot 40 centimeter boven streefpeil moeten worden aangelegd. De rechtbank overweegt dat zowel in het definitief ontwerp uit 2023, als in de versie uit 2024 door [bedrijf] wordt beschreven dat de peilscheidingen met een ophoging van 10 centimeter boven op het bestaande maaiveld worden aangelegd om de waterkering te kunnen waarborgen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het hoogheemraadschap in voorschrift 7.3 van de omgevingsvergunning in overeenstemming met het definitief ontwerp heeft gehandeld door de hoogte van de peilscheidingen vast te stellen op 10 centimeter hoger dan het maaiveld. Bovendien is in voorschrift 7.5 van de omgevingsvergunning voor vergunninghouder de verplichting opgenomen om de peilscheidingen in goede staat en op de vereiste hoogte te onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap deze voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen verbinden om daarmee eventuele wateroverlast voor eisers zoveel mogelijk te voorkomen. De beroepsgrond dat de peilscheidingen te laag of in afwijking van het definitief ontwerp worden aangelegd slaagt niet.
32. Eisers-1 voeren verder aan dat in de voorschriften ten onrechte geen herstelplicht voor de peilscheiding is opgenomen. Uit het rapport van [bedrijf] volgt dat er twijfels zijn over uitvoerbaarheid en naleefbaarheid van de voorschriften over monitoring en onderhoud van de peilscheiding. Bovendien staat het voorschrift op grond waarvan de hoogte van de peilscheidingen eens in de tien jaar moet worden gemonitord en daarover een rapport moet worden overgelegd, op gespannen voet met de te verwachten snelheid waarin zetting en oxidatie van de peilscheidingen zal plaatsvinden. Eisers hebben ook aangevoerd dat ten onrechte niet in de omgevingsvergunning is geborgd van welk materiaal de peilscheidingen moeten worden uitgevoerd.
33. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eisers gericht tegen het ontbreken van een herstelplicht voor de peilscheidingen, de te ruime termijn voor het monitoren van de peilscheidingen en het materiaal waarin de peilscheidingen worden uitgevoerd, niet slagen. In de voorschriften 7.3 tot en met 7.5 van de omgevingsvergunning zijn waarborgen opgenomen om te zorgen dat de aangelegde peilscheidingen in goede staat en op de voorgeschreven hoogte blijven. Het hoogheemraadschap heeft bij het opstellen van deze voorschriften rekening gehouden met de omstandigheid dat de peilscheidingen kunnen inklinken. Dit volgt uit het feit dat de verplichting voor vergunninghouder om de peilscheidingen op de voorgeschreven hoogte te houden, een voortdurende werking heeft. Zodra de peilscheidingen ook na verloop van tijd lager worden, is het aan vergunninghouder om deze weer op hoogte te brengen. Dit volgt uit voorschrift 7.5 van de omgevingsvergunning. Gelet op het voorgaande heeft het hoogheemraadschap naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voor vergunninghouder een termijn van tien jaar opgenomen om de hoogte van de peilscheidingen te monitoren. Als vergunninghouder zich niet aan de voorschriften houdt kunnen eisers bij het hoogheemraadschap een handhavingsverzoek indienen. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het hoogheemraadschap in redelijkheid geen voorschriften in de omgevingsvergunning heeft opgenomen over het materiaal waarmee de peilscheidingen worden uitgevoerd. De voorschriften over de hoogte van de peilscheidingen en de onderhoudsverplichting voor vergunninghouder bieden voldoende waarborgen voor het realiseren van een effectieve en doelmatige peilscheiding. Eisers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de waterkerende functie van de peilscheidingen onvoldoende zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
34. De rechtbank overweegt over de waterkerende functie van de peilscheidingen ten overvloede nog het volgende. Het hoogheemraadschap heeft tijdens de zitting toegelicht dat de peilscheidingen worden aangelegd met ontgraven grond elders uit het gebied. Hierbij is recent meer klei aangetroffen dan verwacht. De peilscheidingen worden daarmee voor een groter deel aangelegd met kleigrond en voor een kleiner deel met veengrond. Het hoogheemraadschap heeft toegelicht dat het gebruik van kleigrond de waterkerende functie van de peilscheidingen ten goede komt en dat daarmee de kans op inklinking van de peilscheidingen kleiner wordt.
De waterkwaliteit
35. Eisers-1 voeren aan dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een afname van de waterkwaliteit bij de omliggende agrarische percelen. Dit heeft nadelige gevolgen voor het vee van eisers omdat dit water drinkt uit de sloten van het agrarisch gebied rondom het projectgebied. Eisers-1 hebben erop gewezen dat het water in de bestaande situatie wordt aangevoerd vanaf de Molentocht en de Oude Rijn. De wijzigingen in de waterhuishouding die als gevolg van de omgevingsvergunning worden uitgevoerd hebben tot gevolg dat het water wordt ingelaten vanuit Zegveld. Dit water is minder schoon, onder andere vanwege de aanwezigheid van riool overstorten en een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Bovendien worden door de wijzigingen in de waterhuishouding bestaande circulatieroutes van het water doorbroken. Hierdoor bestaat risico op stilstand en verminderde doorstroming met als gevolg een afname van de waterkwaliteit. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat de waterkwaliteit ook negatief wordt beïnvloed als de veengrond in de peilscheidingen oxideert.
36. De rechtbank oordeelt dat het hoogheemraadschap voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verlenen van de omgevingsvergunning verenigbaar is met het beschermen van het belang van de waterkwaliteit. In de geohydrologische analyse heeft het hoogheemraadschap een schematische weergave opgenomen van het toekomstige watersysteem in het projectgebied. Daarbij heeft het hoogheemraadschap toegelicht dat alle watergangen aan minimaal één zijde een vrije doorstroom of doorstroming door een duikerbuis zullen hebben. De buffersloot die om het projectgebied ligt, wordt aangesloten op de bestaande watergangen om daarmee de doorstroming op de landbouwpercelen te kunnen waarborgen. Volgens het hoogheemraadschap zorgen de wijzigingen in de waterhuishouding in het gebied daarom niet voor een verandering in de doorstroming en ontstaat geen verslechtering van de waterkwaliteit. Het hoogheemraadschap heeft op de zitting nog toegelicht dat oxidatie van veen invloed kan hebben op de waterkwaliteit. Het oxideren van de veenbodem ontstaat echter wanneer de veenbodem, door een lager peil, droger wordt en in aanraking komt met zuurstof. Het projectgebied krijgt juist een hoger peil dan de omliggende agrarische gronden en is daarmee natter. De kans dat in het projectgebied oxidatie ontstaat die de waterkwaliteit negatief zal beïnvloeden is daarom zeer gering. De rechtbank kan de onderbouwing in de geohydrologische analyse en de toelichting op zitting volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap hiermee voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de wijzigingen in de waterhuishouding niet leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit. De beroepsgronden over de waterkwaliteit slagen niet.
37. Eisers-1 hebben tijdens de zitting verder nog toegelicht dat de natuurbeheertypen die vergunninghouder in het projectgebied wil realiseren daar niet passen. Deze natuurbeheertypen, waaronder blauw grasland, zullen zich daarom in dit gebied niet kunnen ontwikkelen. Het doel waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend, namelijk het realiseren van een nieuw natuurgebied, kan daarom niet worden behaald. De rechtbank begrijpt dat eisers, die al zeer lang in dit gebied wonen en werken, de veranderingen die de inrichting van het projectgebied met zich brengen met bezorgdheid tegemoet zien. De kans van slagen van de ontwikkeling van de natuurbeheertypen in het projectgebied valt echter buiten de beoordeling van de omgevingsvergunning over de waterhuishouding waar deze procedure op ziet. De rechtbank betrekt deze beroepsgrond dan ook niet bij haar beoordeling.
De buffersloot
38. Eisers-1 en eisers-2 voeren aan dat de buffersloot volledig binnen het projectgebied aangelegd had moeten worden. Voor eisers-1 is daarbij van belang dat zij, doordat de buffersloot buiten het projectgebied wordt gehouden, verantwoordelijk worden voor het beheer en onderhoud van de delen van de buffersloot die aan hun percelen grenzen. Eisers-1 zijn het daar niet mee eens omdat zij daarmee ook aangesproken kunnen worden op het beheer en onderhoud van de buffersloot op grond van voorschrift 18 van de omgevingsvergunning. Uit dit voorschrift volgt dat op grond van de vergunning aanwezige werken doelmatig moeten functioneren en in goede staat van onderhoud moeten verkeren. Dit vinden eisers-1 onwenselijk.
39. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond van eisers-1 zo dat zij zich zorgen maken over de onderhoudsverplichting die gaat gelden voor de oevers van de nieuw aan te leggen delen van de buffersloot. De rechtbank overweegt dat de buffersloot wordt gevormd door al bestaande sloten en voor een beperkt deel uit nieuw aan te leggen sloten. Voor de bestaande delen van de buffersloot wordt de geldende onderhoudsverplichting voortgezet. Dit betekent dat eisers verantwoordelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de oever van de sloot die aan hun percelen grenst. Voor de nieuw aan te leggen delen van de buffersloot geldt dat eisers ook verantwoordelijk worden voor het beheer en onderhoud van de oever die aan hun percelen grenst. Natuurmonumenten wordt verantwoordelijk voor het onderhoud van de oever die grenst aan het projectgebied.
40. De rechtbank oordeelt dat eisers niet op grond van voorschrift 18 van de omgevingsvergunning aangesproken kunnen worden op het beheer en onderhoud van de oever van de buffersloot. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het hoogheemraadschap heeft toegelicht dat het aanleggen van de nieuwe delen van de buffersloot het aanleggen van zogenaamd tertiair oppervlaktewater betreft. Dit is vergunningvrij. Hiervoor geldt alleen de zorgplicht uit de Verordening. Verder is van belang dat de voorschriften in de omgevingsvergunning alleen gelden voor waterstaatskundige werken die binnen de omgevingsvergunning vallen. De buffersloot valt daar juist buiten. Eisers kunnen daarom niet op basis van voorschriften uit de omgevingsvergunning worden aangesproken op het beheer en onderhoud van de oever van de buffersloot. De verdeling van de onderhoudsverplichting en de wijze waarop deze wordt uitgevoerd is daarmee een civielrechtelijke kwestie. De rechtbank betrekt deze grond van eisers-1 dan ook niet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. De beroepsgrond treft geen doel.
41. Overigens heeft Natuurmonumenten op de zitting aangeboden om het beheer en onderhoud van de oevers van de nieuw aan te leggen delen van de buffersloot de eerste twee jaar na de inrichting van het projectgebied op zich te nemen. Dit geldt dan ook voor de oevers van de buffersloot die grenzen aan de percelen van eisers. Natuurmonumenten heeft erop gewezen dat zij dit aanbod alleen kunnen uitvoeren als de agrariërs ook toegang geven tot hun percelen.
42. Eisers-1 hebben verder aangevoerd dat het aanleggen van de buffersloot kan leiden tot veranderingen in de stroomsnelheden. In het projectplan is daar bij de berekeningen of de ontwerpwaarden geen rekening mee gehouden. Daarmee is onvoldoende onderzocht welke gevolgen het aanleggen van de buffersloot heeft voor de oeverstabiliteit en of de watergangen binnen het projectgebied voldoende duurzaam en veilig functioneren.
43. De rechtbank overweegt dat het hoogheemraadschap heeft toegelicht dat de buffersloot grotendeels bestaat uit bestaande structuren in het watersysteem. Dit betekent dat de buffersloot grotendeels wordt gevormd door bestaande watergangen. Er ontstaat daardoor geen verandering in de doorstroming of een verslechtering van de waterkwaliteit. De rechtbank verwijst voor deze grond ook naar hetgeen onder overweging 36. van deze uitspraak is overwogen en daarin opgenomen toelichting uit de geohydrologische analyse van het hoogheemraadschap. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap voldoende deugdelijk gemotiveerd dat het aanleggen van de buffersloot geen nadelige effecten heeft op de doorstroming en de stroomsnelheden in het gebied. De beroepsgrond slaagt niet.
44. Eisers-2 hebben erop gewezen dat voor hun percelen een bijzondere situatie geldt. De percelen van eisers-2 liggen op het laagste punt van de polder. In de huidige situatie kost het eisers-2 al een aantal dagen om water na langdurige regenval weg te krijgen en overlast te voorkomen. Als de buffersloot hetzelfde peil krijgt als de omliggende agrarische percelen, dan gaat volgens eisers-2 de grondwaterstand omhoog en zorgt het waterinfiltratiesysteem (WIS) voor vernatting. Als het doel van de buffersloot is om het watersysteem van het natuurgebied te isoleren van dat van de omliggende percelen dan moet de buffersloot binnen het projectgebied worden aangelegd. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers-2 een rapport van [deskundige] van 26 maart 2026 overgelegd. Daaruit volgt dat de buffersloot een onlosmakelijk onderdeel is van het totale plan waar de omgevingsvergunning voor wordt verleend, zodat de initiatiefnemer ook verantwoordelijk is voor de aanleg en het onderhoud daarvan.
45. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eisers-2 tegen het aanleggen van de buffersloot binnen het projectplan niet slagen. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Uit het bestreden besluit volgt dat het hoogheemraadschap bij zijn besluitvorming heeft betrokken dat het perceel van eisers-2 op een relatief laag punt in de polder ligt. Daarbij overweegt het hoogheemraadschap dat in de huidige situatie vanuit een zuidelijk gelegen perceel wordt afgewaterd op het perceel van eisers-2 Hierdoor is het mogelijk dat het perceel van eisers-2 in de huidige situatie relatief natter is dan andere percelen. De situatie van eisers-2 moet daarmee volgens het hoogheemraadschap als een ‘worstcase’ worden beschouwd. Het hoogheemraadschap heeft voor het perceel van eisers-2 een apart onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf] . In het rapport van 30 juni 2025 heeft [bedrijf] de effecten van de aanpassing van het watersysteem op het perceel van eisers-2 vastgesteld voor een scenario in de winter en in de lente. [bedrijf] concludeert in dat rapport dat in beide situaties een verhoging van de grondwaterstand van maximaal 5 cm op het perceel van eisers-2 zal plaatsvinden. Deze verhoging geldt uitsluitend voor een beperkte strook van het perceel dat direct grenst aan het natuurgebied. De effecten van de wijzigingen zijn daarmee volgens [bedrijf] zeer beperkt. Het hoogheemraadschap heeft dit rapport in zijn besluitvorming betrokken en daarbij nog toegelicht dat in het rapport van [bedrijf] de mitigerende werking van de buffersloot niet is betrokken. Bovendien wordt de hiervoor beschreven afwatering op het perceel van eisers-2 met de inrichting van het projectgebied onmogelijk gemaakt. De conclusie van het hoogheemraadschap luidt daarom dat de toekomstige situatie voor eisers-2 tot een verbetering zal leiden. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap met het rapport van [bedrijf] en de gegeven toelichting voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de wijzigingen in het gebied voor eisers-2 geen onevenredige gevolgen met zich brengen in de vorm van wateroverlast. Uit het hiervoor genoemde rapport van [deskundige] volgt ook geen andere conclusie. Het hoogheemraadschap kon daarmee in redelijkheid tot de conclusie komen dat het verlenen van de omgevingsvergunning verenigbaar is met het doel in de Verordening om wateroverlast te voorkomen.
Wegzijging en kwelvorming
46. Eisers-1 voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de peilverschillen tussen het projectgebied en het omliggend agrarisch gebied zo groot zijn dat dit kan leiden tot ondergrondse waterstromen met wegzijging of kwel tot gevolg. Daarmee kan de verleende omgevingsvergunning tot gevolg hebben dat er wateroverlast optreedt en dat maatschappelijke functies in het geding komen. De omgevingsvergunning had om deze reden geweigerd moeten worden.
47. Eisers-2 voeren aan dat de inrichting van het projectgebied leidt tot een verhoogde waterdruk, waardoor er bij hun laag gelegen perceel kwelvorming zal plaatsvinden. De verhoogde kans op kwel, in combinatie met het waterinfiltratiesysteem van eisers-2 leidt tot vernatting. Eisers hebben dit standpunt onderbouwd met het rapport van [deskundige] . Daaruit volgt dat de peilafwijking door de vergunde maatregelen in de wintermaanden toeneemt. Het aanwezige waterinfiltratiesysteem versterkt de effecten op de kwelstroom. Met de aanwezigheid van het waterinfiltratiesysteem is in het rapport van [bedrijf] van 30 juni 2025 geen rekening gehouden. Eisers-2 hebben tijdens de zitting benadrukt dat een goede werking van het waterinfiltratiesysteem voor hen van belang is om ongewenste daling van de veenbodem te voorkomen.
48. De rechtbank overweegt dat het hoogheemraadschap in het bestreden besluit heeft toegelicht dat het verschil tussen het gehanteerde peil in het natuurgebied en het vergunde peil in de gebieden met onderbemaling relatief zeer beperkt is. Desondanks is het volgens het hoogheemraadschap niet mogelijk om categorisch uit te sluiten dat kwelvorming ontstaat in het gebied. Mocht er kwelvorming optreden dan kan dit worden opgevangen binnen het aanwezige watersysteem en de nog aan te leggen buffersloot. Het hoogheemraadschap heeft in zijn bestreden besluit nagelaten om deze stelling te onderbouwen. De rechtbank oordeelt daarom dat het bestreden besluit van het hoogheemraadschap op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is genomen met het bepaalde in artikel 3:46 en Pro artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit is daarom gebrekkig en de beroepsgronden slagen op dit punt.
49. De rechtbank overweegt dat het hoogheemraadschap in beroep de geohydrologische analyse heeft overgelegd. Daarin is wel uitgebreid ingegaan op de grondwaterstromen in het gebied en de kans op wegzijging en kwel. Tijdens de zitting is door het hoogheemraadschap toegelicht dat de waterinfiltratiesystemen ook zijn betrokken in de geohydrologische analyse en dat het hoogheemraadschap ook belang heeft bij het behoud en de goede werking van de aanwezige waterinfiltratiesystemen. Uit de geohydrologische analyse volgt, kort samengevat en voor zover van belang, dat de grondwaterstand in het gehele gebied is afgezet tegen het landelijk hydrologisch model en het veenweide Azure grondwatermodel. Een vergelijking met beide modellen laat zien dat de grondwaterstanden in het gebied dicht bij het maaiveld liggen op de lage delen van het gebied. Verder wordt in de geohydrologische analyse inzicht gegeven in de diepe grondwaterstromingen door middel van relevante peilbuizen. In de geohydrologische analyse is alleen rekening gehouden met de veranderingen in zomer- en winterpeil binnen de peilvakken van het projectgebied. Daarbij is geen rekening gehouden met de nieuwe inrichting van watergangen, de kade om het projectgebied en de tertiaire sloten die eventuele kwel ook afvangen. Hierdoor wordt in de geohydrologische analyse uitgegaan van een zogenaamd ‘worst-case’-scenario. Zelfs zonder het betrekken van de waterstaatskundige wijziging in het gebied is de conclusie in de geohydrologische analyse dat het effect op de grondwater(stromingen) zeer beperkt zal zijn en dat eventuele effecten veelal uitsluitend binnen het projectgebied zullen optreden.
50. De rechtbank overweegt dat de geohydrologische analyse inzicht geeft in de uitgevoerde metingen en de uitkomsten daarvan. Bovendien is toegelicht hoe de uitkomsten van de metingen in het gebied zijn afgezet tegen landelijke modellen. De rechtbank kan de toelichting in de geohydrologische analyse volgen. Eisers-1 hebben hier tegen ingebracht dat de gebruikte gegevens en uitgangspunten in de geohydrologische analyse niet controleerbaar zijn. Het hoogheemraadschap heeft daar tegenover gesteld dat de geohydrologische analyse grotendeels is gebaseerd op openbare gegevens die voor iedereen beschikbaar en raadpleegbaar zijn. Eisers hebben verder geen inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen de juistheid van de geohydrologische analyse en de daarin gegeven toelichting op de waterdruk en grondwaterstromingen in het gebied. De rechtbank oordeelt dat het hoogheemraadschap met de toelichting in de geohydrologische analyse voldoende deugdelijk heeft onderbouwd dat de inrichting van het projectgebied slechts zeer beperkte effecten zal hebben op de grondwaterstromingen in het gebied. Dit betekent dat het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit tijdens de beroepsprocedure door het hoogheemraadschap is hersteld. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft voor de besluitvorming van het hoogheemraadschap.
Afwijken van de peilbegrenzing
51. Eisers-2 voeren aan dat voorschrift 5.4 van de omgevingsvergunning ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de voorgeschreven peilbegrenzing. Voorschrift 5.4 luidt als volgt:
“Afwijken van bovengenoemd voorschrift mag alleen in overleg met het waterschap. In ieder geval mag een tijdelijke verdere peilverlaging geen onomkeerbare bodemdaling tot gevolg hebben.”. Eisers wijzen er daarbij op dat de verwijzing in voorschrift 5.4 naar ‘bovengenoemd voorschrift’ onduidelijk is. Voor zover daarmee wordt verwezen naar de in voorschrift 5.1 opgenomen peilbegrenzingen stellen eisers dat ten onrechte geen toetsingskader is opgenomen op basis waarvan een afwijking van de peilbegrenzing moet worden beoordeeld. Het voorgeschreven overleg met het hoogheemraadschap over de afwijking van het peil is bovendien onvoldoende. De belangen van eisers-2 zijn daarbij onvoldoende betrokken.
52. De rechtbank oordeelt dat voorschrift 5.4 van de omgevingsvergunning onvoldoende duidelijk is. In het verweerschrift en op de zitting heeft het hoogheemraadschap toegelicht dat de in voorschrift 5.4 opgenomen afwijkingsmogelijkheid niet ziet op de in voorschrift 5.1 opgenomen peilbegrenzing, maar uitsluitend op voorschrift 5.3 dat ziet op de realisatiefase. Dit betekent dat de verwijzing naar ‘bovenstaand voorschrift’ in voorschrift 5.4 uitsluitend ziet op de mogelijkheid om af te wijken van voorschrift 5.3 in het geval in de realisatiefase om welke reden dan ook het waterpeil tijdelijk moet worden verlaagd. Dit betekent dat de beroepsgrond van eisers-2 gericht tegen voorschrift 5.4 slaagt omdat daarin onvoldoende duidelijk is weergegeven dat met het voorschrift slechts is beoogd om een afwijking in de vorm van een tijdelijke verlaging van het waterpeil toe te staan. De rechtbank zal uit het oogpunt van finale geschilbeslechting met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door voorschrift 5.4 te herroepen en daar een nieuw aangescherpt voorschrift voor in de plaats te stellen waarin beter tot uitdrukking wordt gebracht dat slechts een afwijking in de vorm van een tijdelijke verlaging van het waterpeil kan worden toegestaan tijdens de realisatiefase. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak opnemen hoe het aangescherpte voorschrift 5.4 luidt en zal daar bespreken welke consequenties dit heeft voor de besluitvorming van het hoogheemraadschap.
Strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
53. Eisers-1 hebben aangevoerd dat het besluit van het hoogheemraadschap in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Volgens eisers is het hoogheemraadschap in het bestreden besluit ongemotiveerd afgeweken van het advies van de bezwarencommissie. Bovendien is in het bestreden besluit overwegend ingegaan op de wijzigingen in het projectgebied, maar zijn de effecten hiervan op de percelen van eisers onvoldoende betrokken. Aan het bestreden besluit ligt ten onrechte geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag.
54. De rechtbank overweegt dat het een bestuursorgaan is toegestaan om af te wijken van het advies van de bezwarencommissie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap in het bestreden besluit deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd op welke onderdelen en met welke redenen hij afwijkt van het advies van de bezwarencommissie. Deze toelichting, aangevuld met de in de beroepsfase ingebrachte geohydrologische analyse en de op zitting gegeven toelichting, kan de rechtbank volgen. De rechtbank overweegt dat uit de besluitvorming van het hoogheemraadschap ook volgt dat de belangen van eisers zijn betrokken. Dit volgt ook uit de hiervoor besproken beroepsgronden en de door het hoogheemraadschap gegeven toelichting. Bovendien volgt uit het toetsingskader, zoals besproken in overweging 10. tot en met 13. van deze uitspraak, dat het hoogheemraadschap moet beoordelen of het verlenen van de omgevingsvergunning verenigbaar is met de in de Verordening opgenomen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hoogheemraadschap in zijn besluitvorming de doelen van de Verordening concreet en inzichtelijk afgewogen tegen de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Dat de belangenafweging niet heeft geleid tot de door eisers gewenste uitkomst, betekent niet dat deze belangenafweging onjuist of onvolledig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
55. Eisers-1 hebben ten slotte in hun beroepschrift beschreven welke voorzieningen er voor een groot aantal van hen noodzakelijk zijn in verband met de waterhuishouding. Het gaat daarbij om voorzieningen die volgens deze eisers wateroverlast en problemen in de voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering moeten voorkomen. Eisers-1 betrekken daarbij de specifieke ligging van hun perceel, de bedrijfsvoering en de gevolgen die de wijzigingen in de waterhuishouding hebben voor hun specifieke situatie.
56. De rechtbank ziet geen aanleiding om de per individuele eiser aangevoerde beroepsgronden en gewenste voorzieningen in deze uitspraak apart te bespreken. De rechtbank overweegt in dat kader dat deze beroepsgronden per eiser nagenoeg volledige overlap vertonen met de hiervoor besproken beroepsgronden. De rechtbank oordeelt verder dat met de voorschriften die door het hoogheemraadschap aan de omgevingsvergunning zijn verbonden in voldoende mate tegemoet is gekomen aan de door eisers gewenste voorzieningen. De beroepsgronden die per eiser zijn ingediend treffen daarom geen doel.

Conclusie en gevolgen

57. De rechtbank heeft in overweging 48. van deze uitspraak geoordeeld dat in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat de verleende omgevingsvergunning zeer beperkte effecten heeft op de grondwaterstromingen en op het ontstaan van kwel. De rechtbank heeft in overwegingen 49. en 50. geoordeeld dat de door het hoogheemraadschap in de beroepsprocedure overgelegde nadere toelichting in de vorm van de geohydrologische analyse dit geconstateerde gebrek heeft hersteld.
58. De rechtbank heeft in overweging 52. van deze uitspraak geoordeeld dat voorschrift 5.4 bij het bestreden besluit onduidelijk is. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de tekst van voorschrift 5.4 als volgt aan te scherpen:
“In afwijking van bovengenoemd voorschrift 5.3 mag in overleg met het waterschap het peil worden verlaagd, mits dit geen onomkeerbare bodemdaling tot gevolg heeft.”.
59. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beroepen gegrond zijn en het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover dat ziet op de onderbouwing van de effecten van de omgevingsvergunning voor grondwaterstromingen en het ontstaan van kwel. Omdat het geconstateerde motiveringsgebrek door het hoogheemraadschap tijdens de beroepsprocedure is hersteld met een aanvullende rapport ziet de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten voor zover die geen betrekking hebben op voorschrift 5.4 van de omgevingsvergunning. Zoals eerder al vermeld zal de rechtbank uit een oogpunt van finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door voorschrift 5.4 te herroepen en daar een nieuw verduidelijkt voorschrift voor in de plaats te stellen. Dit betekent dat de omgevingsvergunning, met het vernieuwde voorschrift 5.4, in stand blijft en dat het hoogheemraadschap geen nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers hoeft te nemen.
Vergoeding van griffierecht en proceskosten
60. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het hoogheemraadschap het door eisers-1 en door eisers-2 betaalde griffierecht vergoeden en krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluitproceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Aan eisers-1 en aan eisers-2 wordt daarmee afzonderlijk een vergoeding toegekend van € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van het motiveringsgebrek zoals is geoordeeld in de overwegingen 48. en 52. van deze uitspraak en ten aanzien van het voorschrift 5.4;
- herroept het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 5.4 en stelt daar een nieuw voorschrift 5.4 voor in de plaats dat als volgt luidt:
“In afwijking van bovengenoemd voorschrift 5.3 mag in overleg met het waterschap het peil tijdelijk worden verlaagd, mits dit geen onomkeerbare bodemdaling tot gevolg heeft.”;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit voor zover dat ziet op het motiveringsgebrek in stand blijven;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het hoogheemraadschap het griffierecht van € 385,- aan eisers-1 en aan eisers-2 moet vergoeden;
- draagt het hoogheemraadschap op om de proceskosten van eisers-1 en eisers-2 te vergoeden tot een bedrag van € 1.868,- per partij.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. V.E.H.G. Visser en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE 1 – Eisers-1

  • De Vennootschap Onder Firma [eisers-1] en haar vennoot [eiser-1] en overige vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De Maatschap [eisers-1] en haar maten [eiser-1] , [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De maatschap Stille Maatschap [eisers-1] en haar maten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De Vennootschap Onder Firma [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De eenmanszaak [eisers-1] en [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma [eisers-1] en diens vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De Maatschap [eisers-1] en haar maten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De maatschap Stille Maatschap [eisers-1] handelend onder de naam [handelsnaam] en haar maat [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma Firma [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De commanditaire vennootschap [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] , [eiser-1] en [eisers-1] B.V. en diens enig aandeelhouder en bestuurder [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma [eisers-1] en diens vennoten [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] , [eiser-1] en [eiser-1] ;
  • De vennootschap onder firma [eisers-1] en haar vennoten [eiser-1] , [eiser-1] en de besloten vennootschap [eisers-1] B.V.

Voetnoten

1.Een volledig overzicht van alle overige eisers-1 is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
2.Uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1765.
3.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:188.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:887, r.o. 23.1 en 23.2
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3014.