Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Het dagelijks bestuur van de RDWI, de RDWI
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
uitstelvan betaling ineens en een betalingsregeling krijgt. Uitstel betekent de opschorting of verschuiving van iets tot een later tijdstip. [4] Eiser had gelet hierop kunnen en moeten weten dat deze regeling niet voor altijd zou zijn. Dat eiser er na deze brief vanuit is gegaan dat dit een onvoorwaardelijke en oneindige regeling zou zijn, komt dan ook voor zijn eigen en risico. De precieze omvang van de erfenis en de vraag of de RDWI hier voorafgaand aan de regeling van op de hoogte was, doet er daarbij niet toe. Er is immers niet gebleken dat de betalingsregeling afhankelijk was gesteld van de hoogte van de erfenis. De RDWI heeft er in dit verband op gewezen dat gebruikelijk is dat tijdens lopende juridische procedures waaraan geen schorsende werking is verbonden, coulant wordt omgegaan met dergelijke terugbetalingsregelingen. Er wordt dan ook niet gekeken naar de exacte omvang van het vermogen. Ook aan de omstandigheid dat de RDWI aan de Raad heeft laten weten content te zijn met de regeling, kan niet die waarde worden toegekend die eiser hieraan gehecht wil zien. Dat iemand op een enig moment tevreden is met een regeling, maakt nog niet dat dit voor altijd het geval zal zijn en evenmin dat daarmee geen sprake meer is van
uitstelvan de betalingsverplichting tot een later moment, maar van een onvoorwaardelijke betalingsregeling. Daarbij heeft de Raad de bestaande betalingsregeling weliswaar betrokken bij haar oordeel maar betreft dit niet de enige of dragende overweging. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
kanafzien van verdere terugvordering als een belanghebbende tenminste 50% van de restsom ineens aflost. Dit betreft echter de specifieke situatie dat er een reële verwachting bestaat dat afkoop van de uitkeringsschuld op deze manier meer oplevert dan wanneer de gebruikelijke incassoprocedures wordt gevolgd. Dit blijkt uit de toelichting op dat artikel [5] . Bij eiser is dit onbetwist niet het geval; het geld stond immers op zijn rekening. De RWDI heeft dan ook in lijn met haar beleid gehandeld door geen toepassing te geven aan dit artikel. Dat de RDWI de Raad in een intake-gesprek heeft gewezen op dit beleid, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat dit voorafgaand aan de zitting bij de Raad als schikkingsvoorstel aan eiser is aangeboden, leidt niet tot het oordeel dat de RDWI hier alsnog aan gehouden is. De door de RDWI beoogde afspraak is namelijk niet tot stand gekomen; eiser heeft zijn juridische procedure voortgezet en is niet op het voorstel ingegaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.