ECLI:NL:RBMNE:2026:3923

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/3391
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens uitblijven beslissing op bezwaar gemeente Almere

Eiseres maakte op 5 november 2025 bezwaar tegen besluiten van de gemeente Almere van 26 september 2025. De gemeente stelde een bezwaarschriftcommissie in, waardoor de beslistermijn verlengd werd tot twaalf weken. Ondanks verlenging en opschorting van de termijn, nam de gemeente niet tijdig een besluit op het bezwaar.

Eiseres stelde meerdere keren ingebrekestellingen, waarvan de laatste op 12 mei 2026 tijdig was. Hoewel zij op 13 mei 2026 te vroeg beroep instelde, verklaarde de rechtbank het beroep toch ontvankelijk omdat de beslistermijn inmiddels was verstreken. De gemeente trok op 22 mei 2026 de eerdere besluiten in en nam een vervangend besluit, maar dit betrof geen beslissing op het bezwaar.

De rechtbank legt de gemeente op uiterlijk 21 augustus 2026 alsnog een besluit te nemen en stelt een dwangsom vast van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. Tevens wordt een reeds verschuldigde dwangsom van €947 vastgesteld. Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. De gemeente moet het griffierecht van €54 aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de gemeente Almere op binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op het bezwaar, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 5 november 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiseres heeft op 5 november 2025 bezwaar gemaakt tegen twee besluiten van verweerder van 26 september 2025. Op grond van de wet moet verweerder beslissen op een bezwaar binnen zes weken of - als een bezwaarschriftcommissie is ingesteld - twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. [2] In dit geval heeft verweerder een bezwaarschriftcommissie ingesteld. Voor het verstrijken van de beslistermijn heeft verweerder (op 22 januari 2026) de beslistermijn verdaagd met zes weken. [3] Vervolgens zijn partijen op 10 februari 2026 overeengekomen dat de beslistermijn wordt opgeschort totdat het medisch advies, ten behoeve van de bezwaarprocedure, aan eiseres bekend is gemaakt. [4] Op 10 mei 2026 is het advies aan eiseres bekend gemaakt.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn eindige op 10 mei 2026. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij stelt dat verweerder op 19 december 2025 had moeten beslissen, omdat verweerder niet tijdig heeft meegedeeld dat er een bezwaarschriftcommissie is ingeschakeld én dus een langere beslistermijn gold. De rechtbank ziet dit anders. Uit de wet vloeit niet voort dat de termijn van twaalf weken niet van toepassing is als de mededeling over het instellen van een bezwaarschriftcommissie niet is gedaan óf pas is gedaan na het verstrijken van zes weken na het indienen van het bezwaarschrift. Als een bezwaarschriftcommissie is ingesteld, vloeit de twaalfwekentermijn direct voort uit de wet. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. [5]
4. Eiseres heeft verweerder drie keer in gebreke gesteld. Te weten op 29 december 2025, 23 april 2026 en 12 mei 2026. De ingebrekestelling van 29 december 2025 en 23 april 2026 zijn te vroeg ingediend. Toen was immers de beslistermijn nog niet verstreken. De ingebrekestelling van 12 mei 2026 is wel tijdig ingediend. Met die ingebrekestelling wordt verweerder verzocht om binnen drie werkdagen te beslissen op het bezwaarschrift van 5 november 2025.
5. Eiseres heeft op 13 mei 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Eiseres is hiermee te vroeg in beroep gegaan. De termijn waarbinnen verweerder moest beslissen, was namelijk nog niet voorbij toen eiseres het beroep indiende. [6] De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval vindt de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn inmiddels wel is verstreken.
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen op het bezwaar van eiseres. Op 22 mei 2026 heeft verweerder de besluiten van 26 september 2026 ingetrokken en een vervangend besluit genomen. In dit besluit staat het volgende:
[…] veronderstellen wij dat u het niet eens bent met dit besluit. Wij hebben daarom het secretariaat van de bezwaarschriftencommissie verzocht een hoorzitting in te plannen voor de behandeling van uw bezwaren. Wij zullen uw sommatiebrief en dit besluit ook in handen van de commissie stellen. […]
Hieruit concludeert de rechtbank dat verweerder met het besluit van 22 mei 2026 nog geen beslissing heeft genomen op het bezwaar van eiseres. Verder stelt de rechtbank vast dat inmiddels meer dan twee weken voorbij zijn gegaan sinds verweerder de ingebrekestelling van 12 mei 2026 van eiseres heeft ontvangen. [7]
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen acht weken na het verzenden van deze uitspraak. De ziet aanleiding voor een langere beslistermijn, omdat de hoorzitting bij de bezwaarschriftcommissie eind juli 2026 is gepland. Uiterlijk 21 augustus 2026 moet verweerder een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
9. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [8]
9.1.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag van de ingebrekestelling. [9] De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 27 mei 2026 tot en met de datum van deze uitspraak, 18 juni 2026, en bedraagt € 947,-. (veertien dagen € 23,-, veertien dagen € 35,- en drie dagen € 45,-).
9.2.
Eiseres vraagt om wettelijke rente. Verweerder heeft nog zes weken de tijd om de dwangsom aan eiseres te betalen. Omdat deze termijn nog niet voorbij is, is verweerder niet in verzuim en hoeft hij nog geen wettelijke rente aan eiseres te betalen. [10]
Is er schade die voor vergoeding in aanmerking komt?
10. Eiser vraagt ook om een schadevergoeding. Enerzijds een vergoeding voor de periode dat zij ten onrechte geen persoonsgebonden budget kreeg. En anderzijds vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek wijst de rechtbank af. Allereerst is niet nader geconcretiseerd welke schade eiseres heeft geleden door het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Verder is niet gebleken dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 7. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen, bij gebreke waarvan aan verweerder de onder 8. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door verweerder al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 9.1. berekend.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk 21 augustus 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door verweerder te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 947,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 7:10, eerste lid van de Awb.
3.Op grond van artikel 7:10, derde lid van de Awb.
4.Op grond van artikel 7:10, vierde lid van de Awb.
5.De rechtbank verwijst naar ro. 4.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1146).
6.Zie artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b van de Awb.
7.De termijn van twee weken uit artikel 4:17, derde lid van de Awb begint op de dag na die waarop de ingebrekestelling door verweerder is ontvangen.
8.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
9.Artikel 4:17, derde lid van de Awb.
10.Zie artikel 4:87, eerste lid van de Awb.