ECLI:NL:RBMNE:2026:3945

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
11987486 UM VERZ 25-7722
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 3:1 AwbArt. 6 EVRMArt. 2 WahvArt. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling evenredigheid en rechtmatigheid verhoging Wahv-boete 2024

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €300 opgelegd voor het gebruik van een puntstuk als bestuurder op 19 november 2024. De boete was verhoogd per het Besluit van 20 december 2023, waarbij Wahv-boetes gemiddeld met 10% werden verhoogd. Betrokkene stelde dat deze verhoging in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

De kantonrechter overwoog dat het Besluit een algemene maatregel van bestuur is en dat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel terughoudend moet zijn, mede vanwege de ruime beslissingsruimte van de ministers en de politieke afwegingen die aan de verhoging ten grondslag liggen. De verhoging is geschikt, noodzakelijk en evenwichtig om de verkeersveiligheid te bevorderen en verkeersovertredingen te ontmoedigen.

De kantonrechter verwierp het beroep en oordeelde dat de boete van €300 in redelijke verhouding staat tot de ernst van de gedraging. Ook de kritiek op de verhouding tussen Wahv-boetes en strafrechtelijke boetes leidt niet tot een andere conclusie. Het verzoek tot proceskostenvergoeding werd afgewezen. De kantonrechter sluit zich niet aan bij een eerdere uitspraak die de verhoging onverbindend verklaarde.

Uitkomst: Het beroep tegen de verhoging van de Wahv-boete van €300 wordt ongegrond verklaard en de boete blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11987486 UM VERZ 25-7722
CJIB-nummer: 270418436
beslissing van de kantonrechter van 3 juli 2026 en proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2026
inzake
[betrokkene], te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.

Procesverloop

Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 300,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 19 november 2024 om 9:42 uur te Bunnik, Rijksweg A12 met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder een puntstuk gebruiken.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 25 juni 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Gemachtigde is verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en acht dagen later uitspraak gedaan.

Standpunten

De gemachtigde van de betrokkene bestrijdt de gedraging niet, maar voert aan dat het boetebedrag van € 300,- onevenredig hoog is. De Wahv-boetes zijn vanaf 1 maart 2024 met gemiddeld 10% verhoogd. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat het onderliggende besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is en dat er geen ruimte bestaat om af te wijken van de sanctietarieven zoals vastgesteld door de minister.
Beoordeling
De kantonrechter overweegt over het beroep van gemachtigde op het evenredigheidsbeginsel het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn bij Besluit van de Minister van 20 december 2023 (hierna: het Besluit) [1] de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, met gemiddeld 10% verhoogd.
Vanuit verschillende hoeken, zoals de Raad van State [2] , de Tweede Kamer [3] , het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie [4] en het WODC [5] , is kritiek op deze verhoging gekomen. De kritiek ziet in de kern op het feit dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit blijkt dat 5,7% van de verhoging in verband staat met de inflatie, maar dat een aanvullende verhoging van 4,3% verband houdt met de financiële taakstelling van de overheid en de door verhoging veroorzaakte disbalans tussen de administratieve (Wahv) boetes en strafrechtelijke boetes.
Deze kritiek ligt ook ten grondslag aan het onderhavige beroep.
De kantonrechter stelt voorop dat het Besluit dat aan deze verhoging ten grondslag ligt, een algemene maatregel van bestuur is, die in materiële zin getoetst kan worden aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding met het beoogde doel van dat besluit. De dubbele negatieve formulering duidt erop dat de rechter alleen mag ingrijpen, wanneer voor hem vaststaat dat de gevolgen voor een belanghebbende in verhouding tot de te dienen doelen onevenredig zijn. Er moet sprake zijn van een evenredige doel- en middelverhouding. (zie art. 3:4, tweede lid, juncto 3:1, eerste lid, onderdeel b, Algemene wet bestuursrecht) Bij toetsing van een besluit aan art. 3:4, tweede lid, Awb, kan de Unierechtelijke evenredigheidstoets van geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol spelen (ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, ‘Harderwijk-uitspraak’) genoemde elementen van geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol spelen.
Algemeen verbindende voorschriften, zoals het Besluit, worden vastgesteld door de wetgever (in dit geval: de ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat, ter uitvoering van een wettelijke bevoegdheid). Het is bij uitstek de taak van de wetgever om alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. Er is geen plaats voor een eigen, “volle” afweging door de (bestuurs)rechter. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die een vaststellend orgaan heeft.
Als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden gemaakt of zijn gemaakt, dient de beoordeling materieel terughoudend te zijn. De (bestuurs)rechter heeft, vanuit het oogpunt van de scheiding der machten, niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. Bij bestraffende sancties (
criminal charge), zoals een bestuurlijke boete, wordt doorgaans indringender getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
Het is vaste jurisprudentie van het hof Arnhem-Leeuwarden - in navolging van de Hoge Raad - dat het opleggen van een administratieve sanctie op grond van de Wahv, een
criminal chargeis als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9806, rov. 3). Het Besluit waarbij de boetebedragen zijn verhoogd is op zichzelf geen
criminal charge, maar dat laat onverlet dat de verhoging van de bedragen in het kader van het gefixeerde boetestelsel over het algemeen kritisch moeten worden beschouwd in het licht van het evenredigheidsbeginsel.
De intensiteit waarmee het Besluit waarbij de Wahv boetebedragen met gemiddeld 10% zijn verhoogd mag worden getoetst, is niettemin - zo oordeelde het hof Arnhem-Leeuwarden vorig jaar - gering. Dat baseerde het hof ten eerste op de ruime beslissingsruimte waarover de regelgever, gelet op de inhoud van artikel 2, eerste, derde en vijfde lid, van de Wahv, beschikt. Ten tweede op de politiek-bestuurlijke afwegingen die een rol kunnen spelen en hebben gespeeld bij de verhoging van de sanctiebedragen. Ten derde op het feit dat de sanctiebedragen, ook na de verhoging, niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in de levens van de betrokkenen.
Terughoudende drietrapstoets
Bij de toetsing van de verhoging van de Wahv-boetes aan het evenredigheidsbeginsel zal de kantonrechter de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van die verhogingen beoordelen. Zoals hiervoor is overwogen, dient de kantonrechter daarbij terughoudendheid te betrachten (“geringe intensiteit”).

Geschiktheid verhoging boetes
De eerste vraag is of het besluit geschikt is om het doel te bereiken. Het besluit moet bijdragen aan de verwezenlijking van het doel.
De Wahv strekt (in het bijzonder) tot het vergroten van de verkeersveiligheid en het ontmoedigen van verkeersovertredingen. Met de verkeersboetes worden verkeersovertredingen gesanctioneerd en wordt beoogd de verkeersveiligheid te vergroten. De verhoging van de boetebedragen is een geschikt middel om in het bijzonder de sanctionering van verkeersovertredingen te bereiken. De geschiktheid van de verhoging is daarmee gegeven.

Noodzakelijkheid verhoging boetes
De tweede vraag is of het besluit noodzakelijk is om het doel te bereiken.
Met de onderhavige verhoging van de boetebedragen met gemiddeld 10% is, zo blijkt uit de toelichting op het besluit, beoogd (i) de boetebedragen aan te passen aan de consumentenprijsindex en (ii) de begroting rond te krijgen (de financiële taakstelling).
De kantonrechter stelt voorop dat de ministers bij het vaststellen van de hoogte van de boetebedragen een ruime beslissingsruimte hebben, waarin politieke en bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WAHV kan worden afgeleid dat bij de bepaling van de hoogte van het sanctiebedrag de ernst van de gedraging een factor is die van belang is. [6] Uit de tekst of de totstandkomingsgeschiedenis van de WAHV kan evenwel niet worden afgeleid dat andere factoren daarbij geen rol mogen spelen. In het bijzonder kan niet worden vastgesteld dat de wetgever heeft beoogd de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijzigingen van de hoogte van het sanctiebedrag te beperken tot een periodieke aanpassing aan de consumentenprijsindex en de afstemming van het boetebedrag aan de hand van de ernst van de gedraging in vergelijking tot soortgelijke feiten. Bij de vaststelling van de sancties mag naast de indexatie (en het bevorderen van de verkeersveiligheid en het ontmoedigen van verkeersovertredingen) ook de financiële taakstelling van de overheid worden betrokken. (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4986; Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719, rov. 9)
De vraag of de verhoging (mede) met het oog op de financiële taakstelling noodzakelijk is, is - gelet ook op de geringe intensiteit waarmee de kantonrechter het besluit in deze uitspraak toetst - bij uitstek een vraag die moet worden beantwoord aan de hand van politiek-bestuurlijke afwegingen. De kantonrechter ziet daarin voor zichzelf geen ruimte.

Evenwichtigheid van de verhogingen
Ten derde moet worden beoordeeld of het Besluit evenwichtig is. De vraag die moet worden beantwoord is of het (op zichzelf geschikte en noodzakelijke) Besluit in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is voor de belanghebbenden.
De kantonrechter is van oordeel dat de eventuele (interne of externe) disbalans tussen Wahv boetes en strafrechtelijke boetes niet meebrengt dat sprake is van de hier bedoelde onevenwichtigheid. Voor zover de hoogte van bepaalde strafrechtelijke boetes (in de toekomst) niet langer in verhouding staan tot de hoogte van verkeersboetes, geldt dat de hoogte van die strafrechtelijke boetes die wordt bedoeld, is gebaseerd op interne afspraken van strafrechters. In de gevallen waarin sprake is van een interne disbalans (bijvoorbeeld waar het gaat om snelheidsovertredingen, waarbij zich in de toekomst de situatie kan gaan voordoen dat vanaf bepaalde snelheden nóg harder rijden niet meer zwaarder wordt bestraft), ligt het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van de rechterlijke macht om die ‘interne balans’ te herstellen door de landelijke afspraken over die straffen aan te passen. Wat de ‘externe balans’ betreft, is de kantonrechter van oordeel dat de vergelijking van boetes voor verkeersovertredingen met strafrechtelijke boetes voor overtredingen en misdrijven niet gerelateerd aan het verkeer, ingewikkeld is. De (veel gemaakte) vergelijking tussen de boete die op het parkeren op een gehandicaptenplaats staat en de boete die doorgaans wordt opgelegd voor het geven van een droge klap, heeft naar het oordeel van de kantonrechter veel weg heeft het vergelijken van appels met peren. Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats kan de personen voor wie de parkeerplaats is bedoeld, op nodeloze en belastende wijze duperen. De kantonrechter acht het feit dat daarop een hoge boete staat, om te voorkomen dat verkeersdeelnemers hiertoe lichtvaardig overgaan, niet onevenredig. De kantonrechter ziet geen aanleiding om die boete in het kader van de evenredigheidstoets af te zetten tegen de straffen die op bijvoorbeeld mishandeling staan.
Noch de bedoelde interne, noch de bedoelde externe disbalans (voor zover daarvan al sprake is) maakt dat de verhoging onevenwichtig is.
De kantonrechter is van oordeel, met het Hof Arnhem-Leeuwarden, dat sanctiebedragen, ook na de verhoging, ook niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in de levens van de betrokkenen. De negatieve gevolgen (van de aanvullende verhoging met het oog op de financiële taakstelling) zijn zo beperkt, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die verhoging te dienen doelen.
Dat geldt temeer nu artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Wahv de rechter de mogelijkheid geeft om een Wahv-boete in individuele gevallen te matigen op grond van de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. Dat maakt naar het oordeel van de kantonrechter reeds dat de verhoging van de boetebedragen niet onredelijk bezwarend is.
Ook overigens is de kantonrechter niet van enige onevenwichtigheid gebleken.
Ander oordeel
De kantonrechter is bekend met het oordeel van een collega kantonrechter in deze rechtbank van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) inhoudende dat de verhoging wél onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zoals uit het voorgaande blijkt sluit deze kantonrechter zich niet bij dat oordeel aan. Dat doet de kantonrechter niet lichtvaardig. De kantonrechter ziet voor strijd met het evenredigheidsbeginsel geen reden en ook geen ruimte, onder meer gelet op het hiervoor besproken arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719. De kantonrechter is van oordeel dat de verhoging een politiek-bestuurlijke keuze is, waarbij slechts ruimte is voor een terughoudende toets. De kantonrechter is van oordeel dat het Besluit die toets kan doorstaan.
De kantonrechter begrijpt dat er geen wettelijke basis is om prejudiciële vragen te stellen in Wahv-zaken als deze (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5158, rov. 3). Dat betreurt de kantonrechter, nu het antwoord op de rechtsvraag die voorligt niet alleen van belang is voor de onderhavige zaak (en de hiervoor bedoelde zaak van de collega kantonrechter), maar ook van wezenlijk belang is voor de beslechting (of voorkoming) van tal van andere Wahv-zaken. De kantonrechter hoopt dat het hof Arnhem-Leeuwarden in het kader van hoger beroep en/of de Hoge Raad in het kader van een cassatie in het belang van de wet op dit punt op korte termijn duidelijkheid kunnen verschaffen.
Conclusie evenredigheidstoets
Naar het oordeel van de kantonrechter in deze zaak brengt het (enkele) feit dat de financiële taakstelling van de overheid bij de onderhavige verhoging van het sanctietarief een rol heeft gespeeld, gelet op wat het hof in voormeld arrest heeft overwogen, niet mee dat de verhoging in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Gelet op de ruime beslissingsruimte die de ministers hebben bij het vaststellen van de boetebedragen op grond van politieke en bestuurlijke afwegingen, het feit dat (de verhoging van) de boetebedragen passen bij de doelen die worden nagestreefd met de sanctionering van verkeersovertredingen en het feit dat de boetebedragen ook na de verhoging niet als ingrijpend in de levens van de betrokkenen kunnen worden beschouwd, kan niet gezegd worden dat de nadelige gevolgen daarvan voor verkeersovertreders onevenredig zijn in verhouding tot de belangen van het verzekeren van de verkeersveiligheid en het voorkomen van verkeersovertredingen.
Evenredigheid boete in dit concrete geval
Het hof heeft in Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719, rov. 14 geoordeeld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit niet blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het (uiteindelijk) vastgestelde sanctiebedrag, waarin meegenomen de verhoging in verband met de financiële taakstelling van de overheid, nog evenredig is. Daarom is het aan de kantonrechter te beoordelen of het bedrag van de hier opgelegde sanctie voor de onderhavige gedraging niet onevenredig is.
Naar het oordeel van het kantonrechter is een sanctiebedrag van € 300,- voor het als bestuurder van een voertuig gebruiken van een puntstuk niet onevenredig. Vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid is het gebruik maken van een puntstuk ongewenst. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. [7]
Het bij het Besluit voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief is dan ook niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en mag worden toegepast. De betrokkene heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, het bedrag van de opgelegde sanctie lager moet worden vastgesteld. De bezwaren van de betrokkene tegen de hoogte van de opgelegde sanctie treffen derhalve geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Deze beslissing is genomen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. M.A.L. Hagenouw mr. I.G.C. bij de Vaate
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal:

Voetnoten

1.Besluit van 20 december 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven.
2.Staatscourant 2024, nr. 186, p. 5-7.
3.Kamerstukken II 2025/26, 29 279, nr. 990.
4.Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 398, nr. 1076.
5.Bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 29 398, nr. 1200.
6.Kamerstukken II, 1987-1988, 20 329, nr. 3, blz. 37.
7.Nota van toelichting bij de wijziging van artikel 77, eerste lid van het RVV 1990 (Staatsblad 2008, 90).