ECLI:NL:RBMNE:2026:3991

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTER 25/4334
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtAwbBesluit Compensatieregeling CAF 11
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over nader onderzoek causaal verband arbeidsongeschiktheid door toeslagenaffaire

Eiser en zijn gezin zijn gedupeerden van de toeslagenaffaire en ontvingen compensatie op grond van de Catshuisregeling. Eiser vordert een aanvullende schadevergoeding vanwege de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote, die hij toeschrijft aan het vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen wees dit verzoek af, stellende dat het causaal verband ontbreekt en dat de psychische klachten van de echtgenote al vóór de stopbrief bestonden.

De rechtbank constateert dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS) en de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) het causaal verband te beperkt hebben beoordeeld, met name door zich te richten op de datum van de stopbrief en niet op de bredere context van institutionele vooringenomenheid. De rechtbank oordeelt dat de CWS niet de voorgeschreven ruimhartige werkwijze heeft toegepast en dat het onderzoek niet deugdelijk en zorgvuldig is geweest.

Daarom geeft de rechtbank eiser de gelegenheid om binnen zes weken aanvullende (medische) stukken te overleggen ter onderbouwing van het causaal verband tussen het handelen van de Dienst Toeslagen en de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote. De Dienst Toeslagen krijgt vervolgens de mogelijkheid om hierop te reageren. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en zal einduitspraak doen na nadere onderbouwing en reactie.

Uitkomst: De rechtbank wijst eiser toe om zijn beroep nader te onderbouwen met medische stukken en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4334
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] (Turkije), eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. van der Baan)
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] )

Kern van de zaak

1. Eiser en zijn echtgenote zijn gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire. Op grond van de zogenoemde Catshuisregeling hebben zij compensatie ontvangen. Maar omdat eiser meent dat de geleden schade hoger is, heeft hij een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade. Het gaat daarbij voornamelijk om de arbeidsongeschiktheid van de echtgenote van eiser, die volgens eiser is veroorzaakt door de toeslagenaffaire. De rechtbank kan nog niet beoordelen of dit zo is. Wel is op de zitting gebleken dat er meer stukken zijn dan die op basis waarvan de Dienst Toeslagen het verzoek heeft afgewezen. De rechtbank geeft eiser daarom gelegenheid die stukken over te leggen.

Inleiding

2. Eiser en zijn echtgenote maakten gebruik van kinderopvang voor hun twee kinderen via het gastouderbureau [naam 1] . Eiser ontving over het jaar 2009 een voorschot op de kinderopvangtoeslag van € 13.919,--.
3. Op 24 december 2010 kregen eiser en zijn echtgenote een zogenoemde ‘stopbrief’, met het bericht dat zij geen aanspraak meer konden maken op kinderopvangtoeslag en dat zij het al uitbetaalde voorschot over 2009 moesten terugbetalen. Deze stopbrief was het gevolg van een onderzoek dat door de Dienst Toeslagen werd gedaan naar het gastouderbureau [naam 1] . Vrienden van eiser hadden enkele weken eerder eenzelfde stopbrief ontvangen en eiser en zijn echtgenote daarover verteld. Ook stuurde het gastouderbureau, zonder verdere toelichting, de administratie van de door eiser afgenomen opvang aan eiser. Eiser heeft tegen de ‘stopbrief’ bezwaar gemaakt. In de tussentijd is het voorschot over 2009 door de Dienst Toeslagen niet verrekend of teruggevorderd. Pas ruim drie jaar ná de stopbrief, met het besluit op bezwaar van 27 mei 2014, heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2009 alsnog vastgesteld op € 14.814,--. Het gezin ontving vervolgens een nabetaling van € 991,--.
4. In 2020 heeft eiser zich gemeld als gedupeerde en verzocht om herbeoordeling. Eiser is door de Dienst Toeslagen als gedupeerde aangemerkt, omdat in het onderzoek dat werd gedaan naar het gastouderbureau [naam 1] sprake was van institutionele groepsgewijze vooringenomenheid. Op grond van de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag is aan eiser het compensatiebedrag van € 30.000,-- uitbetaald. Daarna is de integrale beoordeling uitgevoerd. In twee besluiten van 19 mei 2022 is vastgesteld dat de aanspraak van eiser op compensatie lager is dan de uitbetaalde € 30.000,--. Dat wat teveel is betaald, wordt het Catshuis-surplus genoemd. Dat is niet teruggevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Deze bezwaren zijn nog in behandeling bij de Dienst Toeslagen.
5. Omdat eiser vindt dat zijn gezin in werkelijkheid meer schade heeft geleden dan de compensatie die is toegekend na de integrale beoordeling, heeft hij op 5 november 2021 een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Volgens eiser is er in werkelijkheid sprake van € 118.975,-- aan geleden (en nog te lijden) inkomensschade van zijn echtgenote, en van pensioenschade ter hoogte van 2% van dit bedrag. Eiser heeft dit als volgt uitgelegd. De aanloop naar de stopbrief en de stopbrief zelf hebben geleid tot ernstige psychische klachten bij zijn echtgenote. Hierdoor is zij uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt geraakt. Eiser heeft voor zijn echtgenote en gezin gezorgd en daardoor zelf minder kunnen werken. Om te ontkomen aan de spanning en stress en om door de familie van de echtgenote te kunnen worden geholpen, is het gezin naar Turkije geëmigreerd. Eiser heeft ook gevraagd om een immateriële schadevergoeding voor het gezin.
6. De CWS heeft de Dienst Toeslagen op 28 september 2023 geadviseerd om een bedrag van € 5.500,-- aan immateriële schade toe te kennen. Deze vergoeding is voor de ruim drie jaar waarin eiser en zijn gezin in stress en onzekerheid hebben gezeten tussen de stopbrief van 24 december 2010 en het besluit op bezwaar van 27 mei 2014. De CWS ziet geen aanleiding voor een vergoeding van inkomensschade, omdat volgens haar niet is gebleken dat de gezondheidsproblemen van de echtgenote van eiser (waardoor zij niet meer kon werken), het gevolg zijn geweest van de stopbrief. De echtgenote was immers al op 10 april 2010 uitgevallen voor haar werk, ruim vóór de stopbrief van 24 december 2010. Vanwege dit tijdsverloop ziet de CWS ook geen reden voor nader medisch onderzoek.
7. Voor het vergoeden van immateriële (gevolg)schade voor de kinderen, ziet de CWS vanwege het ontbreken van een verband tussen het handelen van de Dienst Toeslagen enerzijds en het gebrek aan financiële middelen in het gezin anderzijds, ook geen aanleiding.
8. Omdat het bedrag aan immateriële schade van € 5.500,-- niet boven het Catshuis-surplus komt, heeft de CWS de Dienst Toeslagen geadviseerd om het schadeverzoek af te wijzen. Met het besluit van 19 oktober 2023 (hierna: het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen dat gedaan. Het advies van de CWS is aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.
9. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft hij ook verzocht om vergoeding van € 83.149,-- aan geleden inkomensschade van hemzelf over de jaren 2009 tot en met 2020, omdat hij grotendeels niet heeft kunnen werken vanwege de zorg voor zijn echtgenote. Verder heeft hij verzocht om vergoeding van de verhuiskosten naar Turkije van € 10.000,-- en specifiek om een immateriële schadevergoeding voor zijn kinderen van € 8.000,--.
10. De CWS heeft op 26 april 2024 aanvullend geadviseerd. De CWS stelt vast dat de echtgenote toen zij op 10 april 2010 uitviel voor haar werk, alleen fysieke klachten had. Omdat uit de stukken niet blijkt wanneer haar psychische klachten precies zijn ontstaan en omdat zij vanwege die klachten al op 13 december 2010 (dus vóór de stopbrief van 24 december 2010) is doorverwezen voor behandeling, ontbreekt volgens de CWS het causaal verband tussen de stopbrief en de psychische klachten. Om die reden ziet de CWS geen aanleiding voor vergoeding van de schade die het gevolg is van de arbeidsongeschiktheid van de echtgenote. De CWS blijft daarom bij de € 5.500,-- aan immateriële schadevergoeding uit haar eerste advies.
11. Naast de CWS heeft ook de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (BAC) over het bezwaar van eiser geadviseerd. Daarbij heeft de BAC het nieuwe schadekader van de CWS, dat geldt vanaf 1 juli 2024, toegepast. Volgens de BAC heeft het gezin gelet op het nieuwe schadekader recht op een aanvullende schadevergoeding van € 500,--. Dit bedrag bestaat uit € 300,-- voor de tijd die eiser en zijn echtgenote in 2009 kwijt zijn geweest aan regelzaken rondom de kinderopvangtoeslagenproblematiek en € 200,-- aan verlet- en reiskosten in het kader van hun bezwaarprocedure tegen de stopbrief van 24 december 2010. Verder bestaat er volgens de BAC ook aanspraak op een vergoeding van € 1.500,-- aan immateriële schade per minderjarig kind dat is geboren vóór de integrale beoordeling van 19 mei 2022, in geval van eiser en zijn gezin dus € 3.000,-- in totaal. Voor het overige is de BAC aangesloten bij de adviezen van de CWS.
12. Met het besluit op bezwaar van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het advies van de BAC gevolgd en het primaire besluit gewijzigd. Omdat het bedrag van € 500,-- niet boven het nog beschikbare Catshuis-surplus uitkomt, vindt geen uitbetaling van een aanvullende vergoeding plaats. De Dienst Toeslagen heeft eiser wel een vaste vergoeding van € 500,-- inclusief wettelijke rente toegekend voor de tijd en kosten die hij kwijt is aan deze procedure over de werkelijke schade. Omdat dit bedrag niet wordt verrekend, is dit aan eiser uitbetaald.
13. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen een verweerschrift ingediend. De zaak is op 10 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Dienst Toeslagen heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Beoordelingskader
14. Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) in werking getreden. Deze wet voorziet in een bestuursrechtelijke procedure voor de afhandeling van schade, die omkleed is met alle waarborgen die de Awb biedt.
15. Een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde compensatie als hij schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem vóór 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van ‘institutionele vooringenomenheid’ van de Dienst Toeslagen. In het geval van eiser en zijn echtgenote is vastgesteld dat er sprake was van institutionele vooringenomenheid bij de Dienst Toeslagen op groepsniveau. In onderdeel 2.2.2. van het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken [1] is gastouderbureau [naam 1] namelijk als ‘vergelijkbaar met CAF 11’ geclassificeerd. Het CAF 11-onderzoek is het eerste (omstreden) fraudeonderzoek geweest van het Combiteam Aanpak Facilitators van de Belastingdienst. [2] Omdat sprake is geweest van institutionele groepsgewijze vooringenomenheid, is eiser als gedupeerde aangemerkt en is aan eiser compensatie toegekend.
16. Als de werkelijke schade die is geleden hoger is dan de ontvangen compensatie, kan worden verzocht om vergoeding van die werkelijke schade. Eiser heeft om deze vergoeding gevraagd. Eiser hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door zijn gezin werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt, heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende vergoeding voor de werkelijke schade. De Dienst Toeslagen moet bij zijn besluit op het verzoek van eiser aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen de partijen in geschil is. [3]
Het beroep
17. Eiser voert aan dat zijn verzoek om vergoeding van de werkelijke schade ten onrechte is afgewezen op de grondslag dat er geen causaal verband zou bestaan tussen de geclaimde schade en het vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over 2009.
18. Volgens eiser had de Dienst Toeslagen een onafhankelijk medisch adviesbureau onderzoek moeten laten doen naar het gestelde causaal verband. Daar is ten onrechte van afgezien.
19. En ook zonder een dergelijk onderzoek kan volgens eiser worden vastgesteld dat het causaal verband bestaat. Op de zitting heeft eiser uitgelegd dat niet alleen de stopbrief zelf, maar ook de aanloop daarnaartoe en de vrees voor terugvordering, hebben geleid tot de psychische klachten bij zijn echtgenote. Toen zij op 12 april 2010 uitviel voor haar werk was enkel sprake van fysieke klachten. Eind 2010 was zij zelfs aan het re-integreren op arbeidstherapeutische basis. De re-integratie verliep voorspoedig. Eind november 2010 kreeg het gezin echter bezoek van naaste vrienden die hen vertelden dat zij een stopbrief hadden ontvangen. Omdat deze vrienden ook gebruikmaakten van gastouderbureau [naam 1] leidde dit tot veel stress, angst en spanning, voornamelijk bij de echtgenote van eiser. [naam 1] was op geen enkele manier bereikbaar en op 6 december 2024 kregen eiser en zijn echtgenote onverwacht door [naam 1] een envelop toegestuurd met daarin hun dossier en alle uren aan opvang die zij bij het gastouderbureau hadden afgenomen. [naam 1] was nog steeds niet bereikbaar en de spanning liep hoog op. In de tweede week van december 2010 viel de echtgenote van eiser flauw op haar werk als gevolg van een paniekaanval. Op 13 december 2010 is zij daarom doorverwezen naar Stichting [naam 2] , Interculturele Geestelijke Gezondheidszorg. Na de stopbrief van 24 december 2010 zijn de psychische klachten van de echtgenote verder verergerd en kon zij helemaal niet meer werken. Uiteindelijk is zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard.
20. Ter onderbouwing wijst eiser op het overzicht van 22 december 2011 van de bedrijfsarts van Achmea Vitale waar het journaal van de huisarts in is opgenomen, en de verzekeringsgeneeskundige rapportages van het Uwv van 1 maart 2012 en 13 maart 2018. Op de zitting heeft eiser nog een brief van het [zorginstelling] van 20 december 2010 meegebracht, waaruit zou blijken dat zijn echtgenote bij het medisch onderzoek aldaar op 19 november 2010 enkel nog met fysieke klachten kampte.
21. Verder heeft eiser erop gewezen dat de intake bij [naam 2] pas op 16 februari 2011 heeft plaatsgevonden en dat zijn echtgenote ook pas tijdens die afspraak de vragenlijsten van [naam 2] heeft ingevuld (niet eerder). De vermelding in het overzicht van de bedrijfsarts van Achmea Vitale alsof dit op 13 december 2010 zou zijn gebeurd, is volgens eiser onjuist.
22. Kort na ontvangst van de stopbrief is eiser met zijn gezin geëmigreerd naar Turkije. Veel van zijn documenten heeft hij bij zijn broer in Nederland achtergelaten. In verband met de zitting verblijft eiser in Nederland bij zijn broer en daar heeft hij deze documenten weer aangetroffen. Volgens eiser liggen er bij zijn broer waarschijnlijk nog meer (medische) stukken waarmee hij dit tijdsverloop verder zou kunnen onderbouwen.
23. Omdat de zorg voor de kinderen maar ook voor zijn echtgenote volledig op eiser neerkwamen, heeft ook hij nadien nauwelijks meer kunnen werken. De armoede waar het gezin hierdoor in terecht is gekomen, heeft niet alleen geleid tot psychisch lijden bij eiser en zijn echtgenote maar ook bij hun kinderen. Zij zijn veel tekortgekomen. Het gezin kon niet op vakantie, niet uit eten, geen verjaardagsfeestjes vieren en geen cadeaus, speelgoed, sportspullen en kleding kopen. Dit alles is daarmee ook een gevolg van het handelen van de Dienst Toeslagen.
Standpunt vande Dienst Toeslagen
24. De Dienst Toeslagen is in beroep bij het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag gelegen adviezen van de CWS en de BAC gebleven. Volgens de Dienst Toeslagen is het om twee redenen niet aannemelijk dat de psychische klachten van de echtgenote van eiser en de daaruit voortvloeiende inkomensschade (en andere gevolgschade) verband houden met het vooringenomen handelen. Ten eerste niet, omdat het alleen bij een stopbrief is gebleven en niet tot verrekening of terugvordering is gekomen. Eiser en zijn echtgenote zijn daarom niet (rechtstreeks) in hun vermogen geraakt. Omdat de stopbrief geen daadwerkelijke materiële gevolgen heeft gehad, vindt de Dienst Toeslagen het onwaarschijnlijk dat deze brief wel zodanige psychische klachten heeft veroorzaakt dat de echtgenote van eiser arbeidsongeschikt is geraakt. Ten tweede blijkt volgens de Dienst Toeslagen uit de stukken niet wanneer de psychische klachten van de echtgenote van eiser precies zijn ontstaan, maar staat wel vast dat zij voor die klachten al op 13 december 2010 is doorverwezen voor behandeling. Omdat dit vóór de stopbrief van 24 december 2010 is geweest, kan volgens de Dienst Toeslagen geen sprake zijn van een causaal verband tussen beide.
25. De Dienst Toeslagen ziet verder niet dat psychische gezondheidsproblemen ook kunnen zijn veroorzaakt doordat eiser en zijn echtgenote hoorden van de stopbrief die vrienden hadden ontvangen, door de informatieverzoeken van de Dienst Toeslagen in aanloop naar de stopbrief en doordat [naam 1] , naar aanleiding van het onderzoek dat daar werd uitgevoerd, het dossier zonder toelichting aan eiser zond. Het sturen van informatieverzoeken door de Dienst Toeslagen aan [naam 1] en haar klanten, waaronder eiser en zijn echtgenote, valt volgens de Dienst Toeslagen niet onder het vooringenomen handelen. Of er in de omgeving van eiser en zijn echtgenote werd gesproken over stopzetting en/of terugvordering van kinderopvangtoeslag kan de Dienst Toeslagen naar eigen zeggen niet nagaan.
Beoordeling door de rechtbank
26. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat eiser en zijn echtgenote zijn gedupeerd door institutioneel groepsgewijs vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, waarbij het meer specifiek gaat om het onderzoek dat werd gedaan naar gastouderbureau [naam 1] .
27. De rechtbank ziet dat eiser in deze zaak consequent heeft betoogd dat de psychische klachten van zijn echtgenote veroorzaakt zijn door het vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen rondom de kinderopvangtoeslag over 2009. Eiser heeft op de zitting, ook al is het inmiddels lang geleden, gedetailleerd uitgelegd hoe hij en zijn echtgenote in de aanloop naar de stopbrief van 24 december 2010 al werd geconfronteerd met het onderzoek naar gastouderbureau [naam 1] . Op dat moment ontstond bij hen dus al een vrees voor terugvordering van de kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen, wat zich bij zijn echtgenote manifesteerde in psychische klachten.
28. Dat eiser en zijn echtgenote alleen een stopbrief hebben gekregen en niet rechtstreeks in hun financiën zijn geraakt omdat de kinderopvangtoeslag niet is verrekend of teruggevorderd, betekent nog niet dat er geen sprake kan zijn van materiële schade, zoals inkomensschade. In het schadekader van de CWS staat duidelijk dat het regelmatig voorkomt dat een ouder aangeeft dat hij of zij als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag ziek is geworden of dat de al bestaande medische klachten zijn verergerd, waardoor de ouder arbeidsongeschikt is geraakt, met alle gevolgen van dien.
29. Voor vergoeding van deze schade is wel vereist dat er een causaal verband bestaat tussen het handelen van de Dienst Toeslagen en de arbeidsongeschiktheid. Het schadekader schrijft echter voor, dat bij de vaststelling van dat causale verband
zo ruimhartig mogelijkte werk moet worden gaan. De CWS heeft dit in het schadekader zelf als volgt omschreven: “De CWS gaat bij de vaststelling van het causale verband zo ruimhartig mogelijk te werk. De CWS adviseert op basis van het (aannemelijke) verhaal van de ouder, de stukken die de ouder aanlevert, alsmede op de informatie afkomstig van UHT en andere overheidsinstanties.” [4]
30. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CWS, door strikt vast te houden aan de datum van de stopbrief, deze werkwijze niet toegepast. Daarmee is de CWS ook uitgegaan van een te beperkte opvatting van wat het schadeveroorzakende handelen is geweest in dit geval. Dat betreft om de institutionele groepsgewijze vooringenomenheid op basis waarvan het onderzoek naar gastouderbureau [naam 1] werd verricht en waarin de klanten van [naam 1] , inclusief eiser en zijn echtgenote, zijn betrokken, dat uiteindelijk tot de stopbrief heeft geleid. Het gaat dus niet alleen om de stopbrief zelf. Op die meeromvattende aanduiding van het schadeveroorzakende handelen moet de in het schadekader voorgeschreven werkwijze voor de vaststelling van het causaal verband worden toegepast.
31. Dit betekent dat de CWS meer onderzoek had moeten doen naar het verhaal van de ouders dat ook ziet op de gebeurtenissen voorafgaand aan de stopbrief en gevolgen daarvan. Omdat de CWS in de advisering niet is uitgegaan van het eigen schadekader en een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd voor de vaststelling van het causaal verband, is geen sprake van een onderzoek dat op deugdelijke en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Dienst Toeslagen kon het bestreden besluit hier daarom niet zonder meer op baseren. Het bestreden besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd.

Conclusie

32. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank tussenuitspraak doen in deze zaak. Zoals gezegd heeft eiser op de zitting een brief van het [zorginstelling] van 20 december 2010 laten zien en toegelicht dat er vanwege de verhuizing van het gezin naar Turkije, bij zijn broer thuis nog meer relevante (medische) stukken zouden kunnen liggen. Om te voorkomen dat eiser deze stukken pas in een eventuele hoger beroepsprocedure kan presenteren, zal de rechtbank eiser eerst in de gelegenheid stellen om het door hem gestelde causaal verband nader te onderbouwen. Eiser wordt verzocht om de genoemde brief van het [zorginstelling] over te leggen. Daarnaast kan eiser ook andere stukken overleggen, zoals bijvoorbeeld informatie van [naam 2] en andere stukken van een arts of medisch behandelaar waaruit kan worden afgeleid wanneer en hoe de psychische klachten bij zijn echtgenote zijn ontstaan. In aanvulling hierop, kunnen ook niet-medische stukken worden overgelegd, zoals correspondentie of verklaringen over de gebeurtenissen in november en december 2010 die relevant zijn voor het door eiser gestelde causaal verband.
33. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen eiser deze stukken kan overleggen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Eiser wordt verzocht om uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om zijn beroep nader te onderbouwen.
34. Na ontvangst van de stukken, zal de rechtbank de Dienst Toeslagen in de gelegenheid stellen om te reageren. De rechtbank wijst in verband wederom op het schadekader van de CWS waaruit volgt dat er, indien het verhaal van de ouder ondersteuning vindt in stukken van een arts of medisch behandelaar, zo nodig een externe medisch deskundige moet worden ingeschakeld voor onderzoek en een externe financieel deskundige voor de begroting van de schade.
35. Als eiser gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn beroep nader te onderbouwen, wordt de Dienst Toeslagen verzocht om uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan te laten weten of de onderbouwing aanleiding geeft voor nader onderzoek of mogelijk het nemen van een nieuw besluit, en hoeveel tijd de Dienst Toeslagen daarvoor nodig heeft.
36. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Dat betekent dat zij over overige beroepsgronden, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
37. In beginsel ook in de situatie dat eiser de termijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting einduitspraak doen in de zaak. Vanwege de goede procesorde zal de rechtbank het partijen in beginsel niet toestaan om na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten of beroepsgronden aan de orde te stellen.

Beslissing

De rechtbank:
 draagt eiser op om binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om zijn beroep met stukken nader te onderbouwen;
 stelt eiser, indien hij heeft laten weten daar gebruik van te willen maken, in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak zijn beroepsgrond over het causale verband met (medische) stukken nader te onderbouwen;
 draagt de Dienst Toeslagen op om binnen twee weken na ontvangst van de stukken van eiser, aan de rechtbank mee te delen of de stukken aanleiding geven voor nader onderzoek of mogelijk het nemen van een nieuw besluit, en hoeveel tijd de Dienst Toeslagen daarvoor nodig heeft;
 houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is op 9 juni 2026 in het openbaar gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.
(de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen)
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Op 2 februari 2023 vervallen met terugwerkende kracht tot en met de inwerkingtreding van de Wht op 5 november 2022 en sindsdien in de Wht verdisconteerd.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.
4.[internetsite] , pagina 3.