ECLI:NL:RBMNE:2026:4023

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5747
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47, eerste lid, AWRArt. 52a, eerste lid, AWRArt. 52a, derde lid, AWR
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen informatiebeschikking WOZ-waarde na vervallen beschikking

Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een object en werd door de heffingsambtenaar verzocht huurinformatie te verstrekken. Na het uitblijven van deze informatie nam de heffingsambtenaar een informatiebeschikking met een omgekeerde en verzwaarde bewijslast. Eiser maakte bezwaar tegen deze informatiebeschikking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.

Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de informatiebeschikking op grond van artikel 52a, derde lid, AWR vervalt zodra de heffingsambtenaar een beschikking neemt voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Op 30 september 2025 werd een uitspraak op bezwaar gedaan over de waardevaststelling, waardoor de informatiebeschikking van rechtswege verviel.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. De uitspraak werd mondeling gedaan op 1 juni 2026 door rechter J. Wolbrink in aanwezigheid van griffier A. Kasi. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking is niet-ontvankelijk verklaard omdat de beschikking is vervallen door een latere uitspraak op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5747
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE)
en

de heffingsambtenaar van gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: C.R.M. van Unen).

Procesverloop

Eiser heeft op 10 maart 2025 tegen de vaststelling van de WOZ-waarde van het object aan de [adres] in Huizen bezwaar gemaakt.
In het kader van de afhandeling van het bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij berichten van 15 mei 2025 en 3 juni 2025 op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) eiser verzocht huurinformatie te verstrekken.
Vanwege het uitblijven van de gevraagde informatie heeft de heffingsambtenaar op 17 juni 2025 een informatiebeschikking genomen op grond van artikel 52a, eerste lid, van de AWR. Daarbij is vermeld dat dit inhoudt dat er een omgekeerde en verzwaarde bewijslast van kracht is inzake de gevraagde gegevens.
Eiser heeft op 20 juni 2025 tegen de informatiebeschikking bezwaar gemaakt.
In de uitspraak op bezwaar van 9 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2025 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] , taxateur van de heffingsambtenaar.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 52a, derde lid, Awr vervalt de informatiebeschikking als de heffingsambtenaar een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.
2. Op 30 september 2025 heeft verweerder een uitspraak op bezwaar gedaan ten aanzien van de waardevaststelling van het object aan de [adres] te [plaats] . Met die uitspraak op bezwaar is de informatiebeschikking op 30 september 2025 van rechtswege komen te vervallen. Om die reden is het beroep van eiser niet-ontvankelijk. [1]
3. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Den Haag 12 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3696 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4081.