ECLI:NL:RBMNE:2026:4025

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/4402
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om de AOW-uitkering van een overledene te beëindigen en een bedrag terug te vorderen. Na afwijzing van het bezwaar stelde verzoekster beroep in, maar de Svb kwam haar tegemoet door de terugvordering te laten vallen nadat verzoekster de nalatenschap had verworpen.

Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling van de Svb. De Svb stelde dat zij niet gehouden was tot vergoeding omdat verzoekster zelf nalatig was geweest in het tijdig melden van de verwerping van de nalatenschap. De rechtbank oordeelde echter dat de noodzaak tot beroep niet uitsluitend aan verzoekster te wijten was, mede omdat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe voor de beroepsfase, maar niet voor de bezwaarfase, omdat het primaire besluit niet onrechtmatig was. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van € 934,- aan proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4402

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb,

(gemachtigde: W. van den Berg).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de Svb in de proceskosten. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen. Zij legt dat oordeel hierna uit.

Het verloop van de procedure

2. De Svb heeft met het besluit van 29 november 2023 de uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (Aow) van [overledene] (de overledene) beëindigd per
7 oktober 2021. Tevens heeft de Svb een bedrag van € 14.369,43 aan teveel betaalde Aow teruggevorderd. Dit besluit is gericht aan de erven van de overledene en verzonden naar het adres van verzoekster. In dit besluit staat dat als verzoekster de nalatenschap van de overledene verwerpt, dat zij die dan niet krijgt. In dat geval zal zij ook niet aansprakelijk zijn voor schulden.
2.1.
Verzoekster heeft tegen het besluit van 29 november 2023 bezwaar gemaakt. Met het besluit van 16 mei 2024 heeft de Svb dit bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het besluit van 16 mei 2024 beroep ingesteld. Vervolgens heeft de Svb met het besluit van 15 november 2024 het besluit van 16 mei 2024 vervangen. Met het besluit van
15 november 2024 heeft de Svb bepaald dat verzoekster de genoemde terugvordering niet hoeft te betalen, omdat zij op 9 september 2024 de nalatenschap heeft verworpen.
2.2.
Verzoekster heeft vervolgens haar beroep ingetrokken, met het verzoek om een veroordeling van de Svb in de proceskosten. De rechtbank heeft de Svb in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat de Svb niet gehouden is om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
2.3.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank beslist dat een zitting achterwege blijft en sluit het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling voor de beroepsprocedure toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [1]
5. Duidelijk is dat de Svb met het besluit van 15 november 2024 aan verzoekster tegemoet is gekomen. Immers, verzoekster hoeft de genoemde terugvordering niet meer te betalen.
6. De Svb heeft aangevoerd dat het niet aan de Svb te wijten is dat het besluit van
16 mei 2024 naderhand onjuist is gebleken. De Svb heeft namelijk pas op 22 juli 2024 voor het eerst via de rechtbank een document ontvangen, waaruit bleek dat verzoekster bezig was met het verwerpen van de nalatenschap van de overledene. Volgens de Svb had verzoekster al in de bezwaarprocedure kunnen aangeven dat zij deze nalatenschap ging verwerpen en dat zij hiertoe al concrete stappen had ondernomen. Als zij dit had gemeld, dan had de Svb direct al tot een juiste besluitvorming kunnen overgaan, aldus de Svb. Om die reden is de Svb van mening dat de Svb niet gehouden is tot vergoeding van de proceskosten.
7. Bij de beoordeling van het verzoek om een veroordeling in de proceskosten neemt de rechtbank het volgende in overweging. Volgens vaste rechtspraak dient zo’n verzoek als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Het gegeven dat onverplicht en bij wijze van coulance is tegemoetgekomen, levert in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. Als de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, kan wel gesproken worden van een bijzondere omstandigheid. [2]
8. De rechtbank oordeelt dat de noodzaak om beroep in te stellen niet uitsluitend te wijten is geweest aan de handelwijze van verzoekster. Immers, al vóór het nemen van het besluit van 16 mei 2024 wist de Svb dat verzoekster de betreffende nalatenschap wilde verwerpen. Dit is namelijk tijdens de hoorzitting op 11 januari 2024 aan de orde geweest. Ook in een telefoongesprek op 29 januari 2024 tussen een medewerker van de Svb, verzoekster en haar juridisch adviseur mw. [A] , heeft verzoekster kenbaar gemaakt dat zij zich aan het oriënteren was om stappen te ondernemen om zulks te doen.
9. De Svb heeft vervolgens pas op 16 mei 2024 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoekster. Bij die besluitvorming heeft de Svb nagelaten om zich te informeren over de stand van zaken met betrekking tot die voorgenomen verwerping van de nalatenschap. Het had zeker op de weg van de Svb gelegen om dit wel te doen. Dit vooral omdat de Svb zelf de beslistermijn had verlengd in verband met een nader onderzoek en een uitstaand verzoek bij de Republic Bank van Suriname dat betrekking had op het Aow-pensioen van de overledene. Op dit verzoek heeft de Svb op 9 april 2024 een terugkoppeling ontvangen. Vanaf dát moment had de Svb aanleiding kunnen zien om contact op te nemen met verzoekster om zich te laten informeren over de stand van zaken met betrekking tot de verwerping van de nalatenschap. Zo heeft verzoekster in de beroepsfase aangevoerd dat zij al op 28 maart 2024 een akte van overlijden heeft aangevraagd bij de Surinaamse ambassade en dat in juli 2024 namens haar een advocaat naar Suriname zou gaan om de nalatenschap te verwerpen.
10. Naast het oordeel dat de noodzaak om beroep in te stellen niet uitsluitend te wijten is aan de handelwijze van verzoekster, geldt nog het volgende. Het valt niet uit te sluiten dat als de rechtbank was toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, het besluit van 16 mei 2024 om andere redenen onrechtmatig zou zijn geacht. Verzoekster heeft zich namelijk in bezwaar en beroep primair op het standpunt gesteld dat het niet vaststaat of zij – wettelijk gezien – erfgenaam is van de overledene. Dit met name niet, omdat het niet duidelijk is of de overledene een testament had opgesteld.
11. In wat de Svb verder heeft aangevoerd, is evenmin een bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij een tegemoetkomen door het bestuursorgaan in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.
12. Eén en ander leidt ertoe dat de rechtbank voor de beroepsprocedure een proceskostenveroordeling zal uitspreken.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase. Immers, bij een verzoek om een proceskostenveroordeling geldt ook ten aanzien van de kosten in de bezwaarfase als regel dat het enkele feit van het tegemoetkomen voldoende is om de gevraagde veroordeling uit te spreken. Een andere benadering zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat, vanwege de intrekking van het beroep, de rechter niet meer treedt in een beoordeling van de zaak ten gronde. Het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb brengt evenwel met zich dat een kostenveroordeling achterwege moet blijven, indien het bestuursorgaan anderszins aantoont dat van verwijtbare onrechtmatigheid van het in bezwaar bestreden primaire besluit geen sprake is. [3]
14. Vastgesteld moet worden dat de Svb het besluit van 29 november 2023 niet heeft herroepen, maar in stand laat. De rechtbank oordeelt dat van een verwijtbare
onrechtmatigheid van dit besluit geen sprake is. Pas tijdens de bezwaarprocedure, dus ná het besluit van 29 november 2023, is duidelijk geworden dat verzoekster de nalatenschap wilde verwerpen en welke concrete stappen zij hiervoor aan het nemen was. Gelet hierop is een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase op grond van artikel 7:15 van Pro de Awb niet aan de orde.

Conclusie

15. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De Svb moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Het tarief van € 934,- geldt vanaf 1 januari 2026. Deze nieuwe waarde per punt geldt direct, zonder overgangsrecht. De rechtbank hanteert dus in iedere uitspraak vanaf 1 januari 2026 dit nieuwe tarief. De rechtbank past op deze waarde een factor van 1,0 toe. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
16. Ook moet de Svb het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden. [4]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de Svb in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
2.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252 en 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:14.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 7 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9764 en de uitspraak van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2033.
4.Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.