Appellante diende een aanvraag voor bijzondere bijstand in voor kosten van rechtsbijstand, welke door het college buiten behandeling werd gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van benodigde gegevens. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep kwam het college appellante tegemoet door alsnog een bedrag toe te kennen, voortvloeiend uit gewijzigde rechtspraak van de Raad.
De Raad oordeelt dat appellante geen zelfstandig procesbelang meer heeft bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk wordt verklaard. Desondanks is het college gehouden de proceskosten van appellante te vergoeden, omdat het tegemoetkomen het oorspronkelijke besluit naar rechtsgevolg heeft gewijzigd en daarmee onrechtmatig is geworden. De omstandigheid dat de gewijzigde rechtspraak na de besluitvorming plaatsvond, sluit verwijtbaarheid van het college niet uit.
De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van de kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht. De totale kostenvergoeding bedraagt €2.998,- plus €185,- griffierecht. De uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom, met M. Zwart als griffier, op 15 oktober 2024.