ECLI:NL:RBMNE:2026:4034

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/2190
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College komt tegemoet aan bezwaar en rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Na een tussenuitspraak van de rechtbank op 31 maart 2026, waarin het college werd verzocht een passend bedrag vast te stellen voor de kosten van werkzaamheden, nam het college op 29 april 2026 een nieuw besluit. In dit besluit kende het college een bedrag van €9.265,- inclusief BTW toe, waarmee het tegemoet kwam aan de bezwaren van eiseres.

Eiseres reageerde op 31 mei 2026 en gaf aan zich te kunnen vinden in het nieuwe besluit, maar verzocht tevens om een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelde vast dat het beroep van eiseres van rechtswege niet meer betrekking had op het besluit van 29 april 2026, omdat partijen onvoldoende belang hadden. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten van €1.868,- en het betaalde griffierecht van €53,-. Hiermee kon eiseres de situatie met brede ondersteuning afsluiten. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.A. Braeken op 1 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het college aan het bezwaar tegemoet is gekomen; het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2190

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Yüksel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E. Chahid).

Procesverloop

1. Op 31 maart 2026 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van die uitspraak (al dan niet op basis van een offerte) een passend bedrag vast te stellen voor de kosten van de werkzaamheden van de stukadoor, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
1.2.
Het college heeft op 29 april 2026 een nieuw besluit genomen. Eiseres heeft op 31 mei 2026 gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft op 8 juni 2026 het college gevraagd om te reageren op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Het college heeft op 26 juni 2026 aangegeven ten aanzien van de gemaakte proceskosten geen aanvullende opmerkingen te hebben.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
3. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 29 april 2026 een nieuw besluit genomen waarbij het college heeft besloten aan het bezwaar van eiseres tegemoet te komen. Het college kent een bedrag van € 9.265,- (inclusief BTW) toe. Dit bedrag is inclusief de € 410,- voor het herstellen en sauzen van het plafond, aldus het college.
4. Eiseres heeft op 31 mei 2026 gereageerd en aangegeven dat zij zich kan vinden in het nieuwe besluit. Wel verzoekt eiseres de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Daarnaast staat in deze reactie dat eiseres de gemeente Utrecht heeft verzocht het in de beslissing van 29 april 2026 vastgestelde bedrag naar de derdengeldenrekening van het kantoor van de raadsvrouw over te maken. Eiseres verzoekt de rechtbank om dit in de uitspraak op te nemen zodat eiseres de gehele situatie met de brede ondersteuning zo spoedig mogelijk achter zich kan laten.
5. De rechtbank stelt vast dat het college met het besluit van 29 april 2026 tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres. Eiseres heeft in haar reactie van 31 mei 2026 ook aangegeven dat zij zich kan vinden in dit besluit. Het beroep heeft daarom van rechtswege niet mede betrekking op het besluit van 29 april 2026 omdat partijen daarbij onvoldoende belang hebben. [1]
6. Omdat het college met het besluit van 29 april 2026 alsnog aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen heeft eiseres geen belang meer bij haar beroep. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
7. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten in beroep. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
8. Ook draagt de rechtbank het college op om het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. [2]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1401.
2.Artikel 8:74, tweede lid, van de Awb.