ECLI:NL:RBMNE:2026:4040

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6706
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • S. Keurentjes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 AwbArt. 10 Nadere regeling uitstallingen
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor uitstalling fietsenzaak in Utrecht

Eiseres, handelend onder de handelsnaam van een vennootschap onder firma, maakte bezwaar tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Utrecht had opgelegd wegens overtreding van de Nadere regeling uitstallingen. Het college handhaafde de last onder dwangsom na bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep op 30 juni 2026 en deed direct uitspraak.

De rechtbank oordeelde dat eiseres belanghebbende is omdat zij als onderdeel van de v.o.f. direct belang heeft bij het besluit. De rechtbank stelde vast dat een last onder dwangsom een herstelsanctie is die ook kan worden opgelegd ter voorkoming van herhaling, waardoor geen actuele overtreding vereist is. De dwangsom van € 500 per dag tot maximaal € 5.000 werd niet als onevenredig beschouwd, mede vanwege het financiële voordeel dat eiseres behaalt door het gebruik van het trottoir als extra bedrijfsruimte.

Verder oordeelde de rechtbank dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handhavend optreedt, omdat vergelijkbare gevallen van andere fietsenzaken wel worden aangepakt en de voorbeelden van eiseres niet vergelijkbaar zijn. Ten slotte wees de rechtbank erop dat de vraag naar maatwerk en vergunningverlening niet in deze procedure aan de orde is en dat daarvoor een aparte aanvraag moet worden ingediend. Het beroep werd ongegrond verklaard, de last onder dwangsom blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de last onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6706
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M.T. Smits).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de last onder dwangsom die door het college is opgelegd aan de v.o.f. [bedrijf] wegens overtreding van de Nadere regel uitstallingen gemeente Utrecht.
1.1.
Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de last onder dwangsom gehandhaafd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid een last onder dwangsom mocht opleggen aan [bedrijf] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is eiseres belanghebbende?
4. Allereerst moet de rechtbank beoordelen of eiseres belanghebbende is in deze procedure. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De handelsnaam [eiseres] waaronder eiseres procedeert maakt deel uit van de v.o.f. [bedrijf] , waaraan de last onder dwangsom is opgelegd. Gemachtigde is bestuurder van de v.o.f. Feitelijk gaat het hier dus om één en dezelfde entiteit, en heeft [eiseres] als onderdeel van [bedrijf] dus direct belang bij het bestreden besluit.
Was er voldoende grondslag voor het opleggen van een last onder dwangsom?
5. Eiseres voert aan dat er geen sprake meer is van een overtreding, waardoor er geen grondslag meer bestaat voor een last onder dwangsom.
6. De beroepsgrond slaagt niet. De last onder dwangsom is een herstelsanctie. De rechtbank overweegt dat in artikel 5:2, eerste lid onder b van de Algemene wet bestuursrecht staat dat een herstelsanctie onder andere kan worden opgelegd ter voorkoming van herhaling van een overtreding. Dat betekent dat als eerder een overtreding is geconstateerd, het college kan overgaan tot opleggen van een herstelsanctie. Er hoeft op het moment van het opleggen van de last onder dwangsom dus geen sprake te zijn van een actuele overtreding. Voor het opleggen van de last onder dwangsom is voldoende dat in het recente verleden twee keer een overtreding is geconstateerd door het college. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de opgelegde last onder dwangsom in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
7. Eiseres voert aan dat de dwangsom van € 500,- per dag onevenredig is, gelet op de beperkte aard van de overtreding en de beperkte ruimte van het bedrijfspand. Eiseres heeft een uitstalling buiten staan maar die is heel beperkt. Eiseres moet bedrijfsaanpassingen maken om het bedrijf te kunnen runnen nu zij geen fietsen meer buiten kan stallen. Eiseres heeft op zitting aangegeven dat dit eigenlijk onmogelijk is. Het college houdt daar volgens eiseres onvoldoende rekening mee.
8. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat een dwangsom van € 500,- per dag, tot een maximum van € 5000,-, voor eiseres onevenredige gevolgen heeft. Het college mocht het verwachte financiële voordeel bij niet-naleving en de prikkelwerking van de boete meewegen bij het vaststellen van de hoogte van de last onder dwangsom. Het college heeft deze elementen gewogen en heeft toegelicht dat eiseres bij gebruik van het trottoir in feite extra bedrijfsruimte realiseert, wat een aanzienlijk financieel voordeel oplevert. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat € 500,- per dag een passende financiële prikkel is. Daarnaast volgt uit vaste uitspraken van de hoogste bestuursrechter dat het feit dat handhavend optreden financiële gevolgen heeft niet betekent dat handhaving daardoor onevenredig zou zijn. [1] De rechtbank is dus van oordeel dat het college in redelijkheid tot dit dwangsombedrag mocht komen.
Heeft het college in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel?
9. Eiseres beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres geeft aan dat het college niet handhavend optreedt tegen andere fietsenzaken in de binnenstad. Daarnaast heeft eiseres op zitting enkele aanvullende voorbeelden gegeven waarbij niet handhavend wordt opgetreden door het college, waaronder horecazaken met terrasvoorzieningen en een uitstalling voor deelfietsen.
10. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit het verweerschrift van het college blijkt dat nader onderzoek is gedaan naar de door eiseres in het beroepschrift genoemde voorbeelden van andere fietsenzaken. Daaruit blijkt dat consequent en op dezelfde manier door het college handhavend wordt opgetreden bij andere fietsenzaken die regelmatig fietsen of objecten op het trottoir hebben staan. Met betrekking tot de voorbeelden die eiseres op zitting heeft genoemd overweegt de rechtbank dat het daar niet gaat om gelijke gevallen. Zo geldt voor terrasvoorzieningen andere regelgeving dan voor uitstallingen. De rechtbank is dus van oordeel dat er geen sprake is van ongelijke behandeling van eiseres ten opzichte van anderen.
Had het college maatwerk moeten toepassen?
11. De laatste beroepsgrond van eiseres gaat over de mogelijkheid van maatwerk. Eiseres voert aan dat het college de mogelijkheden tot maatwerk op grond van artikel 10 van Pro de Nadere regeling uitstallingen had moeten onderzoeken, zodat eiseres toch een vergunning voor een uitstalling zou kunnen verkrijgen.
11. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het in deze procedure enkel gaat over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom. Dat betekent dat de rechtbank zich niet kan buigen over de vraag of eiseres een vergunning kan krijgen en of het college een uitzondering op het beleid had moeten maken voor eiseres. Daarvoor zal eiseres een aparte aanvraag moeten indienen bij het college.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. mr. E.S. Dorsman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1175.