ECLI:NL:RBMNE:2026:4061

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
16/013399-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor illegale handel in geneesmiddelen en witwassen met overschrijding redelijke termijn

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van het zonder vergunning in voorraad hebben en verhandelen van geneesmiddelen en het witwassen van een groot contant geldbedrag. De zaak betrof feiten gepleegd tussen 2013 en 2017 in Almere. De officier van justitie en de verdachte hadden procesafspraken gemaakt, waarbij de verdachte afstand deed van bepaalde rechten en het Openbaar Ministerie een strafoplegging vorderde.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van het drijven van een groothandel in geneesmiddelen zonder vergunning, omdat niet kon worden bewezen dat de verdachte een groothandel dreef. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte zonder handelsvergunning geneesmiddelen in voorraad had en verhandelde, en dat hij een contant geldbedrag van €106.245,- had witgewassen. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 7 jaar.

De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 180 uur, met aftrek van voorarrest. De rechtbank legde ook beslissingen over beslag en onttrekking aan het verkeer van geneesmiddelen en poststukken. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten. De rechtbank concludeerde dat de straf recht doet aan de zaak en dat de verdachte een eerlijk proces heeft gehad.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 180 uur taakstraf wegens illegale handel in geneesmiddelen en witwassen met een overschrijding van de redelijke termijn van circa 7 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/013399-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van economische strafzaken van 6 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1981] in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] , [postcode 1] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 22 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. B.C. Niks;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S.B.M.A. Engelen (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair:in de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 juli 2017 in Almere , samen met een ander, opzettelijk zonder vergunning geneesmiddelen in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht of een groothandel heeft gedreven;
subsidiair:in de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 juli 2017 in Almere , samen met een ander, opzettelijk geneesmiddelen waar geen handelsvergunning voor geldt in voorraad heeft gehad, heeft afgeleverd, ter hand heeft gesteld, heeft ingevoerd en uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht heeft verkocht of te koop aangeboden;
meer subsidiair:in de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 juli 2017 in Almere , samen met een ander een of meer UR geneesmiddel(en) en UA geneesmiddelen te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, ter hand heeft gesteld, terwijl hij en zijn mededader daartoe niet bevoegd waren.
feit 2
primair:op 11 juli 2017 in Almere , samen met een ander, opzettelijk geneesmiddelen waar geen handelsvergunning voor geldt in voorraad heeft gehad;
subsidiair:op 11 juli 2017 in Almere , samen met een meer ander, opzettelijk UR-geneesmiddelen en UA-geneesmiddelen te koop heeft aangeboden en ter hand heeft gesteld, terwijl hij en zijn mededader daartoe niet bevoegd waren;
feit 3op 11 juli 2017 in Almere, samen met een ander, een contant geldbedrag van € 106.245,- eenvoudig heeft witgewassen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Procesafspraken

In deze zaak hebben het Openbaar Ministerie en de verdachte (via zijn advocaat)
procesafspraken gemaakt. De afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 6 november 2025 door de verdachte en de officier van justitie is ondertekend.
De procesafspraken die aan de rechtbank zijn voorgelegd houden - kort gezegd - in dat:
  • de verdachte geen onderzoekswensen indient en geen bewijsverweren voert, waarbij de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • de verdachte afstand doet van het volgende (conservatoire) beslag ter voorkoming van een ontnemingsprocedure:
o €5.093.041,28,- (totale opbrengst vervreemding cryptovaluta in euro);
o €115.241,- (totaal in beslag genomen contant geldbedrag);
o €7.300,- (opbrengst vervreemding/verkoop personenauto merk Toyota, type Auris, kenteken [kenteken] );
o Garagebox (+/- €25.000,- (onroerende zaak, [adres 2] , boxnummer [boxnummer] , [postcode 2] [plaats] );
  • het Openbaar Ministerie op de zitting de rechtbank zal vragen om een bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3, zoals overeengekomen en een strafoplegging zal vorderen van 240 uur taakstraf onvoorwaardelijk en 8 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met aftrek van voorarrest;
  • het Openbaar Ministerie de direct opeisbare belastingschuld van de verdachte en de rente hierover verrekent met het beslag dat het Openbaar Ministerie onder de verdachte heeft gelegd, door het in beslag genomen geld ter hoogte van het bedrag dat in de (later vast te stellen) vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en de Belastingdienst wordt opgenomen vrij te geven ten gunste van de Belastingdienst. Dit bedrag bedraagt naar verwachting ongeveer € 1.200.000,-;
  • het Openbaar Ministerie het conservatoire beslag op de woning aan de [adres 1] , [postcode 1] [plaats] van de verdachte op zal heffen en rekwireert tot teruggave van de woning aan de verdachte;
  • het Openbaar Ministerie en de verdachte afzien van hoger beroep als de strafoplegging door de rechtbank conform de afspraken plaatsvindt.
De officier van justitie heeft ter zitting, en daarmee na totstandkoming van de procesafspraken, de beschuldiging gewijzigd. Deze wijziging hield onder andere in dat in feit 1 subsidiair de handelingen ‘verkopen’ en ‘te koop aanbieden’ zijn toegevoegd, in feit 2 primair de handelingen zijn beperkt tot het ‘in voorraad hebben’ en in feit 3 het witwassen van een personenauto is komen te vervallen.
Toetsing door de rechtbank
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
De procesafspraken en de totstandkoming daarvan zijn tijdens de inhoudelijke behandeling uitgebreid besproken. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft doorgesproken, dat hij begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen van de procesafspraken voor zijn procespositie zijn.
Op basis van het gesprek met de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De conclusie van de rechtbank is dat is gewaarborgd dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Door de rechtbank is op zitting besproken of de wijziging van de beschuldiging gevolgen heeft voor de gemaakte procesafspraken. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben verklaard dat dit geen invloed heeft op de inhoud van de tussen hen gemaakte procesafspraken.
Uit het voornoemde arrest van de Hoge Raad blijkt dat de rechter ook in het geval van procesafspraken een zaak met inachtneming van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering moet beoordelen, waarbij de procesafspraken wel worden betrokken. De rechtbank zal hierna de vragen van artikel 350 Sv Pro beantwoorden.

4.Bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
Anders dan overeengekomen in de procesafspraken, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 3 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (het handelen in geneesmiddelen zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 3
De rechtbank oordeelt dat feit 1 subsidiair (het handelen in geneesmiddelen zonder handelsvergunning), feit 2 primair (het in voorraad hebben van geneesmiddelen zonder handelsvergunning) en feit 3 (eenvoudig witwassen) zijn bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
4.3.3.
Bewijsoverwegingen
Vrijspraak feit 1 primair – groothandel geneesmiddelen
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. De beschuldiging van feit 1 primair betreft een overtreding van artikel 18 lid 1 van Pro de Geneesmiddelenwet. Onder dit artikel is het strafbaar gesteld om zonder fabrikantenvergunning of groothandelsvergunning geneesmiddelen te bereiden, in- of uit te voeren, af te leveren dan wel een groothandel te drijven. Deze genoemde activiteiten kwalificeren alleen als (een vorm van) het drijven van een groothandel als de activiteiten niet zijn gericht op het verstrekken van geneesmiddelen rechtstreeks aan het publiek. [1] Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de activiteiten van de verdachte er juist op waren gericht om, zonder vergunning, geneesmiddelen aan het publiek te verstrekken. Daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte een groothandel in geneesmiddelen heeft gedreven. [2] De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de beschuldiging onder feit 1 primair.
Partiële vrijspraak van het in voorraad hebben van Tamoxifen – feit 2 primair
Uit het dossier blijkt dat er in de loods van de verdachte aan de [adres 2] in [plaats] tabletten Tamoxifen zijn aangetroffen. Voor het geneesmiddel Tamoxifen Ebewe geldt in Nederland geen handelsvergunning. Voor het geneesmiddel Tamoxifen Sandoz geldt in Nederland wel een handelsvergunning. Welke vorm Tamoxifen in de loods van de verdachte is aangetroffen, volgt niet uit het dossier. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat voor het geneesmiddel dat de verdachte in voorraad heeft gehad geen handelsvergunning geldt. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit deel van de beschuldiging van feit 2 primair.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 subsidiair
in de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 juli 2017 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten (onder andere)
- lida en
- clenbuterol en
- pregnyl en
- t4 en
- testobolin en
- trenol-200 en
- stanox en
- clenox en
- metanabol en
- oxandroline en
- efedrin
in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft verkocht en/of heeft
afgeleverd en/of ter hand gesteld en/of heeft ingevoerd en/of uitgevoerd;
feit 2 primair
op 11 juli 2017 in [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten (onder andere)
- Deca-Durabolin 1 ml (Gpharm) en
- Susteron 1 ml (NAS Pharma) en
- BP testosteron 1 ml (Balkan Pharmaceuticals) en
- Anastrozole en
- Tiromel ( [.] ) en
- Metaxon en
- Proviron en
- Xanodrol en
- Sildenafil
in voorraad heeft gehad;
feit 3
op 11 juli 2017, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een contant geldbedrag van EUR 106.245,- terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig
was uit enig eigen misdrijf, voorhanden heeft gehad;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 subsidiair
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd;
feit 2 primair
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;
feit 3
het medeplegen van eenvoudig witwassen.
5.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft na overleg met de advocaat tijdens een korte onderbreking van de zitting een andere straf geëist dan oorspronkelijk overeen was gekomen in de procesafspraken. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bestaat er teveel twijfel dat de eerder overeengekomen taakstraf van 240 uur uitvoerbaar is.
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 8 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar;
  • een taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 90 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de taakstraf van 240 uur zoals opgenomen in de procesafspraken door de veranderde persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet meer uitvoerbaar is. Dat is ook de reden dat in afwijking van de procesafspraken een andere strafeis met de officier van justitie is overeengekomen. De advocaat verzoekt de rechtbank om de eis van de officier van justitie op zitting te volgen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 1 jaar op. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met een ander gedurende een periode van ongeveer vier jaar in geneesmiddelen gehandeld waar geen handelsvergunning voor was verleend. Via meerdere websites werden verschillende soorten geneesmiddelen verkocht. Ook heeft de verdachte diverse medicijnen in voorraad gehad. De handel in geneesmiddelen is verbonden aan allerlei voorschriften en vergunningen juist omdat op het voorschrijven en gebruik van geneesmiddelen controle nodig is in het belang van de volksgezondheid. Geneesmiddelen kunnen heftige bijwerkingen hebben en ook verslavend zijn. Het verkeerd gebruik hiervan kan zelfs fatale gevolgen hebben. Door deze geneesmiddelen in voorraad te hebben en hierin te handelen, zonder dat hij over de juiste papieren beschikte, heeft de verdachte de volksgezondheid in gevaar gebracht. Daarnaast heeft de verdachte een groot contant geldbedrag witgewassen wat hij met de handel in geneesmiddelen heeft verdiend. Door het witwassen van uit eigen criminele activiteiten ontvangen gelden heeft verdachte geld met een criminele herkomst aan het zicht van justitie onttrokken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 19 juni 2026. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit neemt de rechtbank niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.
De verdachte verklaart dat hij momenteel fulltime als ZZP’er rijles geeft aan mensen met autisme. Hij is kostwinner. Zijn thuiswonende dochter heeft ongeneeslijke kanker en de verdachte gaat elke week met haar naar het ziekenhuis. Zijn vrouw heeft onlangs de diagnose longfibrose gekregen. Er is nog veel onduidelijk over het ziektebeeld en het ziekteverloop van zijn vrouw en wat dit voor gevolgen gaat hebben voor zijn gezin. De zorg voor zijn vrouw en dochter draagt hij alleen.
Strafkader
Gelet op de ernst van de feiten en de lange periode waarin de verdachte de feiten heeft gepleegd, is in beginsel een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf. De rechtbank ziet in deze zaak echter aanleiding hiervan af te wijken. Dit heeft (deels) te maken met persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De belangrijkste reden hiervoor ligt echter in de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het uitgangspunt is een termijn van twee jaar waarbinnen een eindvonnis wordt uitgesproken. Deze termijn is in deze zaak gaan lopen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 11 juli 2017. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer 7 jaar is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die deze zeer grote termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Al met al ziet de rechtbank in de voornoemde ernstige overschrijding van de redelijke termijn en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen taakstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de haalbaarheid van de uit te voeren taakstraf binnen de gestelde termijn. Hierbij heeft de rechtbank vooral rekening gehouden met het feit dat de verdachte kostwinner is en dat hij naast zijn werk de zorg draagt voor zijn dochter en vrouw.
De rechtbank is van oordeel dat de in de (op de zitting gewijzigde) procesafspraken genoemde straf recht doet aan deze zaak. De rechtbank legt daarom, conform deze (gewijzigde) procesafspraken, aan de verdachte op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest.
De verdachte heeft ter zitting zijn zorgen geuit dat hij door deze veroordeling zijn Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) zal verliezen. Het behoud hiervan is van belang voor zijn werk als rijinstructeur. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen of de verdachte zijn VOG zal behouden. De rechtbank geeft, op basis van het dossier en onderzoek ter terechtzitting, de voor de afgifte van de VOG bevoegde autoriteit het volgende mee. Het is voor de verdachte en in het bijzonder zijn gezin belangrijk dat de verdachte zijn baan als rijinstructeur kan behouden. Hij heeft inmiddels al een aantal jaren laten zien dat hij ook op een legale wijze aan inkomen kan komen. De rechtbank ziet in deze veroordeling voor de onderhavige oude feiten dan ook geen bezwaren of risico’s voor het kunnen voortzetten van zijn beroep als rijinstructeur.

7.In beslag genomen voorwerpen

7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verwezen naar de procesafspraken, waarin is opgenomen dat de
verdachte afstand doet van al het in beslag genomen geld. Dat betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing hoeft te nemen. De in beslag genomen telefoons en computer worden geretourneerd aan de verdachte. De officier van justitie vordert dat de in beslag genomen medicijnen en poststukken worden onttrokken aan het verkeer.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte de in beslag genomen telefoons en computer graag terug wil.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank neemt geen beslissing over het inbeslaggenomen contante geldbedrag en de (aanzienlijke waarde aan) Bitcoins. In de door de verdachte getekende overeenkomst doet hij afstand van deze voorwerpen. De rechtbank beschouwt dit als een schriftelijke afstandsverklaring ten overstaan van een officier van justitie als bedoeld in artikel 116 Sv Pro, zodat de rechtbank daarop geen beslissing hoeft te nemen. Met betrekking tot de andere in beslag genomen voorwerpen, komt de rechtbank tot het hiernavolgende oordeel.
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten verschillende poststukken (402611, 402612, 402613 en 402615) verbeurd verklaren. Met behulp van deze voorwerpen is het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten verschillende medicijnen (402606, 402607, 402608, 402609, 402610 en 402614) onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot deze voorwerpen is het onder 2 primair bewezen verklaarde feit begaan.
Teruggave aan verdachte
De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- twee telefoons (402547 en 402548);
- een computer (402585);
- een simkaart (402603).

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 420bis1 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet;
  • artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 1 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 8 maanden;
- bepaalt dat de
gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 1 (één) jaarvast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
beslag – feit 1 subsidiair, feit 2 primair
- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
 verschillende poststukken (402611, 402612, 402613 en 402615);
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
 verschillende medicijnen (402606, 402607, 402608, 402609, 402610 en 402614)
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
  • twee telefoons (402547 en 402548);
  • een computer (402585);
  • een simkaart (402603).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. van Balkom als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en
met 10 juli 2017 te Almere en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
het (telkens) opzettelijk handelen tegen het verbod om zonder vergunning van de
Minister van Volksgezondheid, welzijn en sport
(een) geneesmiddel(en) in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden
en/of heeft afgeleverd en/of heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten
Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of een groothandel heeft gedreven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 juli 2017 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk geneesmiddelen waarvoor geen handelvergunning geldt, te weten (onder
andere) (pagina 1481-189 p-v bevindingen resultaat onderzoek LG telefoon en pagina 1490-1512
bijlagen)
- lida en/of
- clenbuterol en/of
- pregnyl en/of
- t4 en/of
- testobolin en/of
- trenol-200 en/of
- stanox en/of
- clenox en/of
- metabol en/of
- oxandroline en/of
- efedrin
in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft verkocht en/of heeft
afgeleverd en/of ter hand gesteld en/of heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of anderszins
binnen of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot
en met 10 juli 2017 te Almere en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens)
een of meer UR geneesmiddel(en) en/of UA geneesmiddelen
te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben verkocht en/of ter hand
heeft/hebben gesteld,
zijnde hij, verdachte en/of diens mededaders
- geen apotheker in de uitoefening van het apothekersberoep en/of
- geen huisarts in het bezit zijnde van een vergunning als bedoeld in lid 10 of lid 11
bij dit wetsartikel en/of
- niet daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon of instantie in de in de
regeling -welke regeling behoort bij de Geneesmiddelenwet- bedoelde
omstandigheden;
feit 2
op of omstreeks 11 juli 2017 in Almere althans in Nederland, tezamen en in vereniging
met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk geneesmiddelen waarvoor geen
handelvergunning geldt, te weten (onder andere) (pagina 1703 t/m 1704, 2981 t/m 2997
dossier)
- Deca-Durabolin 1 ml (Gpharm) en/of
- Susteron 1 ml (NAS Pharma) en/of
- BP testosteron 1 ml (Balkan Pharmaceuticals) en/of
- Anastrozole en/of
- Tiromel ( [.] ) en/of
- Metaxon en/of
- Tamoxifen en/of
- Proviron en/of
- Xanodrol en/of
- Sildenafil
in voorraad heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 juli 2017 te Almere en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzwettelijk heeft gehandeld tegen het verbod om UR-geneesmiddelen en/of
UA-geneesmiddelen waaronder Deca -Durabolin ampullen 1 ml (Gpharm) en/of
Susteron ampullen 1 ml (NAS Pharma) en/of BP testosteron ampullen 1 ml (Balkan
Pharmaceuticals) en/of Tiromel 25 mcg tabletten ( [.] )
te koop aan te bieden en/of ter hand te stellen,
zijnde verdachte en/of zijn mededader(s)
- geen apotheker in de uitoefening van het apothekersberoep en/of
- geen huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in lid 10 of lid 11 van dit
wetsartikel en/of
- niet daartoe bij minsteriële regeling aangewezen persoon of instantie in de in de
regeleing -welke regeling behoort bij de Geneesmiddelenwet- bedoelde
omstandigheden;
feit 3
op of omstreeks 11 juli 2017, te Almere, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(een) voorwerp(en) een contant geldbedrag van (ongeveer) EUR 106.245,-
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig
was/waren uit enig eigen misdrijf,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 29359, nr 3, p. 38; Artikel 1, lid 17 van de Richtlijn 2001/83/EG.
2.Zie in gelijke zin gerechtshof Den Haag 27 mei 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1575.