ECLI:NL:RBMNE:2026:4078

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/608007 / JL RK 26-150
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265f BWArt. 1:264 BWArt. 1:3 AwbArt. 3:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing beperking contact tussen moeder en minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de moeder om een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) te vervallen te verklaren. Deze aanwijzing beperkte het contact tussen de moeder en haar minderjarige kind, die in pleegzorg bij een tante woont. De moeder betoogt dat de aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid en disproportioneel is, mede omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze te geven en de beperking voor onbepaalde tijd geldt.

De GI erkent dat de e-mail van 20 februari 2026 als schriftelijke aanwijzing moet worden aangemerkt, maar stelt dat de situatie te acuut was voor een langdurige voorbereiding vanwege zorgen over het middelengebruik van de moeder en de veiligheid van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt de GI in haar standpunt.

De kinderrechter oordeelt dat de e-mail inderdaad een schriftelijke aanwijzing is en dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. De aanwijzing is echter onvoldoende zorgvuldig voorbereid, omdat de GI geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Ook is de beperking van het contact disproportioneel, gezien de grote inperking en de onbepaalde duur, terwijl er mogelijkheden zijn voor een veiligheidsplan. Daarom wordt de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing die het contact tussen moeder en minderjarige beperkte, wordt vervallen verklaard wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en disproportionaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/608007 / JL RK 26-150
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd in Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
De kinderrechter merkt als informant aan:
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026;
  • de brief met bijlagen van de moeder, ontvangen op 30 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door mr. M.S. Krol (waarnemend advocaat voor
mr. F. Pool);
- [A] en [B] namens de GI;
- [C] namens de Raad.
1.3.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen (zaaknummer: C/16/604161 / JL RK 25-877).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont in een voorziening voor pleegzorg. Hij woont namelijk bij zijn tante van moederszijde (hierna: de tante).
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 februari 2027.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 mei 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin (namelijk: bij de tante) tot 20 augustus 2026.
2.5.
Tijdens het omgangsweekend van 1 februari 2026 heeft de moeder [minderjarige] later dan afgesproken bij de tante teruggebracht. Over de reden daarvoor en de precieze omstandigheden waaronder dat gebeurde, verschillende de moeder en de GI van mening, maar dat (i) [minderjarige] te laat bij zijn tante terug was, en (ii) de camera’s in het huis van de moeder enige tijd uit hebben gestaan, is door de moeder erkend.
2.6.
De GI heeft op 20 februari 2026 in een e-mail de contacten tussen de moeder en [minderjarige] beperkt. In die e-mail is het volgende opgenomen:

De omgangen zijn teruggebracht naar 2 x 4 uur, te weten op woensdag middag van 15.00 uur tot 19.00 uur en zaterdag van 11.00 uur tot 15.00 uur. Hierbij is rekening gehouden met de activiteiten van [minderjarige] . Tijdens deze omgangen zijn de eerder gemaakte
veiligheidsafspraken van kracht.”

3.Het verzoek

3.1.
De moeder vindt dat de e-mail van 20 februari 2026 moet worden gezien als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren.
De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De moeder
4.1.
Namens en door de moeder is het verzoek op de zitting gehandhaafd. De moeder stelt zich op het standpunt dat de e-mail van de GI van 20 februari 2026 als schriftelijke aanwijzing in de zin van de wet moet worden aangemerkt. Daarbij is de moeder van mening dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid, omdat de moeder niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken. Daarnaast is de schriftelijke aanwijzing onvoldoende gemotiveerd, dan wel zijn de belangen van de moeder onvoldoende meegenomen in de besluitvorming. De moeder is namelijk van mening dat het stopzetten van het contact tussen haar en [minderjarige] te vergaand is, helemaal gezien het feit dat er toegewerkt werd naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder heeft verteld dat zij op
1 februari 2026 problemen had met de auto en dat [minderjarige] daardoor te laat terug was; op dat moment was er geen sprake van lachgasgebruik. Zij erkent dat zij op andere momenten wel ‘uitglijders’ in haar lachgasgebruik heeft gehad, maar zij is hier eerlijk over geweest en haar behandelaren van Jellinek geven aan dat zulke ‘uitglijders’ ook niet ongebruikelijk zijn. Het is, zo zegt de moeder, mogelijk om met een veiligheidsplan de contactmomenten vorm te geven, in plaats van deze momenten te beperken. Daar komt bij dat deze beperking voor onbepaalde tijd geldt. Om deze redenen verzoekt de moeder de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
De GI
4.2.
De GI heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij zich er niet tegen verzet dat de e-mail van 20 februari 2026 als een schriftelijke aanwijzing wordt aangemerkt. Tegelijkertijd heeft de GI gesteld dat de situatie in februari 2026 – door de mogelijke terugval in het lachgasgebruik en de veiligheid van [minderjarige] die de GI moet waarborgen – te acuut was voor een langdurige voorbereiding voor het geven van de schriftelijke aanwijzing. Ook is het niet in het belang van [minderjarige] om het contact met de moeder uit te breiden, nu er zorgen zijn over de veiligheid bij en de voorspelbaarheid van de moeder door (de terugvallen in) haar middelengebruik. De GI geeft daarnaast aan dat traumabehandeling voor de moeder ook nodig is.
De Raad
4.3.
De Raad heeft op de zitting achter de GI te staan. Het geven van de schriftelijke aanwijzing was, zo vindt de Raad, een logisch gevolg van dat wat voorafgaand is gebeurd. Voor [minderjarige] is het namelijk belangrijk dat hij opgroeit in een omgeving met stabiliteit, continuïteit en voorspelbaarheid.

5.De beoordeling

Beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren. Hierna legt zij uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij wordt eerst ingegaan op het toetsingskader, en daarna wordt uitgelegd waarom dat bij toepassing in deze zaak leidt tot een vervallenverklaring.
Toetsingskader schriftelijke aanwijzing over het beperken van het contact
5.2.
De GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Op grond van artikel 1:265f BW kan de GI de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken, als dat noodzakelijk is in verband met de uithuisplaatsing. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing.
5.3.
Op grond van artikel 1:264 BW Pro kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Dit verzoek moet binnen veertien dagen nadat de aanwijzing is gegeven bij de rechtbank worden ingediend.
5.4.
Omdat een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de kinderrechter ook beoordelen of de aanwijzing voldoet aan de zogenoemde ‘beginselen van behoorlijk bestuur’. Voorbeelden zijn de vragen of de aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
Ontvankelijkheid
5.5.
Voordat de kinderrechter het verzoek inhoudelijk kan beoordelen, moet eerst getoetst worden of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Dat betekent dat er eerst moet worden beoordeeld of er aan de voorwaarden is voldaan om een verzoek te behandelen. In deze zaak moet de kinderrechter dus beoordelen of de e-mail van de GI van
20 februari 2026 een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:265f BW is, en daarmee een besluit in de zin van de Awb. De kinderrechter vindt dat dat zo is en legt hierna uit waarom.
5.6.
Een e-mail van een GI kan als schriftelijke aanwijzing worden aangemerkt. [1] Een e-mail van een GI is namelijk een schriftelijk bericht van een bestuursorgaan. Tegelijkertijd betekent dit niet dan alle e-mails van een GI als schriftelijke aanwijzing moeten worden aangemerkt. [2] Een schriftelijke aanwijzing moet namelijk wel gericht zijn op rechtsgevolg. De inhoud van de e-mail is dus bepalend voor de vraag of het een schriftelijke aanwijzing is. Dat geldt zelfs als, zoals hier, de moeder en de GI het er op zichzelf over eens zijn dat de e-mail een schriftelijke aanwijzing is: ook dan moet de kinderrechter alsnog bezien of dit inderdaad het geval is. In de e-mail van 20 februari 2026 is er sprake van een dwingende inperking van de contactmomenten van de moeder met [minderjarige] . Dit heeft dus gevolgen voor haar recht op contact met haar zoon. De kinderrechter is daarom van oordeel dat er sprake is van een schriftelijke aanwijzing, en sluit zich daarmee dus aan bij de visie van de moeder en de GI op de e-mail.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is voorbereid. Op grond van artikel 3:15 Awb Pro moeten belanghebbenden namelijk een vooraankondiging krijgen, zodat zij hun mening over het besluit naar voren kunnen brengen. Deze mening moet dan worden meegewogen in de belangenafweging van de GI. De GI heeft tijdens de zitting verteld dat de situatie, door de mogelijke terugval van de moeder in haar middelengebruik en de veiligheid van [minderjarige] die de GI moet waarborgen, te acuut was om een vooraankondiging te sturen. Tegelijkertijd heeft de GI aangegeven dat de zorgen hierover al langer bestonden. Naar het oordeel van de kinderrechter had de GI voorafgaand aan sturen van de mail op zijn minst kortdurend contact met de moeder kunnen hebben. Op die manier zou de visie van de moeder over dat wat gebeurd zou zijn en over het beperken van de contactmomenten meegenomen kunnen worden in de belangenafweging die de GI moest maken. De GI heeft dit niet gedaan. Weliswaar heeft er op 18 februari 2026 wel een bespreking plaatsgevonden, maar toen was het inhoudelijke besluit al door de GI genomen. De omgang is namelijk al op 2 februari 2026 door de GI stopgezet. Hierdoor is niet voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. De kinderrechter acht dit in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.
5.8.
De kinderrechter overweegt daarnaast dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd dat de genomen beslissing proportioneel is in het licht van de gebeurtenissen. Vóór het beperken van de omgang en het vervolgens geven van de schriftelijke aanwijzing was juist sprake van opbouw van het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder. De moeder had elke woensdag van 8.00 uur tot en met 20.00 uur en van zaterdagochtend 8.00 uur tot en met zondagavond 20.00 uur contact met [minderjarige] bij haar thuis. Door de schriftelijke aanwijzing is dit teruggebracht naar elke woensdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en elke zaterdag van 11.00 uur tot 15.00 uur. Op deze momenten gaat [minderjarige] naar zwemles en rijdt hij paard. Er is dus geen contact meer waarbij [minderjarige] bij de moeder thuis is. Dit is een grote inperking van het contact. Bovendien is met de schriftelijke aanwijzing de contactregeling voor onbepaalde termijn gewijzigd, zonder zicht op verdere (her)opbouw. Dit heeft mogelijke grote gevolgen voor de (timing van de) thuisplaatsing van [minderjarige] , wat op dit moment nog steeds het einddoel is. Deze combinatie van een grote inperking van de contactregeling en een onbepaalde duur, maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de gegeven schriftelijke aanwijzing niet proportioneel is. Daarbij speelt ook een rol dat er binnen de ondertoezichtstelling een veiligheidsplan kan worden gemaakt om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen, waar de moeder aan wil meewerken.
5.9.
Op de zitting heeft de advocaat van de moeder nog naar voren gebracht dat de kinderrechter ambtshalve, dus uit zichzelf, een contactregeling kan vaststellen die zij wenselijk vindt in het belang van [minderjarige] . [3] De kinderrechter zal van deze bevoegdheid geen gebruikmaken. Zij is van oordeel dat zij daarmee teveel zou ingrijpen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI heeft het beste en meest actuele zicht op hoe het met [minderjarige] en de moeder gaat, en heeft op dat vlak ook de expertise. Daarom vindt de kinderrechter dat het primair aan de GI is om de regie te voeren over het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Wel verwijst de kinderrechter hierbij voor de volledigheid naar de beschikking van 19 mei 2026 over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . [4] De moeder heeft het idee dat het ‘doel beweegt’ voor een thuisplaatsing van [minderjarige] en wil weten wat de GI van haar verwacht in het kader van een thuisplaatsing. De kinderrechter heeft daarom de GI een opdracht gegeven om een concreet stappenplan te maken met voorwaarden waar de moeder aan moet voldoen voor een thuisplaatsing. De uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] en zijn moeder zal onderdeel zijn van dit plan. De GI zal dus met alle partijen om de tafel moeten gaan zitten hoe dit verder vormgegeven kan worden in het belang van [minderjarige] . Op die manier weet de moeder welke stappen zij moet zetten, weet de GI waar zij de moeder aan kan houden, en weet de kinderrechter waaraan zij te zijner tijd moet toetsen.
5.10.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 20 februari 2026 vervallen;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van
mr. J. Mather als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

3.Artikel 1:265f lid 2 BW.
4.Zaaknummer: C/16/604161 / JL RK 25-877, onder 4.3.