ECLI:NL:RBMNE:2026:4083

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6195
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking bezwaar door UWV in Wajong-zaak

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV heeft later de beslissing op bezwaar ingetrokken en aangegeven het bezwaar alsnog inhoudelijk te behandelen, waarmee aan het verzoek van verzoekster werd voldaan.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken en een vergoeding van haar proceskosten gevraagd. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting uitspraak gedaan over het verzoek om proceskostenveroordeling. Het UWV heeft geen bezwaar gemaakt tegen het betalen van de proceskosten.

De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op € 467,-, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor vanwege het lichte gewicht van de zaak. Daarnaast moet het UWV het griffierecht van € 53,- aan verzoekster vergoeden. De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van deze kosten aan verzoekster.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten en € 53,- griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Steenbergen- van Straten),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV heeft op 3 februari 2026 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Het UWV heeft op 18 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV heeft het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 26 januari 2026 heeft het UWV besloten om terug te komen op de beslissing op bezwaar van 18 september 2025. Het UWV heeft de beslissing op bezwaar ingetrokken en heeft aangegeven het bezwaar alsnog inhoudelijk te behandelen. Het UWV heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast.
6. Het UWV moet ook het griffierecht van € 53,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Het UWV moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.