ECLI:NL:RBMNE:2026:4085

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6314
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor splitsing woning niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbende

Eiseres maakte bezwaar tegen de op 10 maart 2025 verleende omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning in Leersum. De vergunninghouder is mede-eigenaar van de woning, terwijl eiseres investeerder was en na een relatiebreuk elders is gaan wonen. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de vergunning.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiseres belanghebbende was in de zin van artikel 1:2 Awb Pro. Eiseres voerde belangen aan van haar dochter en schoonzoon, verkeersveiligheid, parkeerproblematiek en het verdwijnen van groen. Ook stelde zij een financieel belang te hebben vanwege haar investering.

De rechtbank oordeelde dat de belangen van haar dochter en schoonzoon geen persoonlijk belang van eiseres zijn en dat haar financiële vordering en woonwens niet rechtstreeks bij het besluit betrokken zijn. Ook haar zorgen over verkeersveiligheid, parkeren en groen betroffen geen persoonlijk belang. Daarom is eiseres geen belanghebbende en was haar bezwaar niet-ontvankelijk.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waarbij de omgevingsvergunning in stand bleef. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard omdat eiseres geen belanghebbende is, waardoor haar bezwaar niet-ontvankelijk is en de omgevingsvergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6314

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug

(gemachtigde: mr. W. van der Wel).

Inleiding

1. Deze zaak gaat over de op 10 maart 2025 aan [vergunningouder] (vergunninghouder) verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (bouwen, wijzigen gemeentelijk monument en (buitenplans) afwijken) en een technische bouwactiviteit. Deze vergunning is nodig voor de splitsing van de woning aan de Middelweg 50 in Leersum (de woning) in twee woningen.
1.1.
De woning is in 2017 aangekocht door vergunninghouder (1/3 eigenaar), [A] (1/3 eigenaar) en [B] (1/3 eigenaar). Eiseres was investeerder. Zij was in die tijd de partner van vergunninghouder. Daarnaast is eiseres de moeder van [B] en de schoonmoeder van [A] . Voor aankoop van de woning bewoonden zij allen al gezamenlijk een andere woning. Doel van de aankoop van de woning was om ook daar met zijn allen te gaan wonen. Na de relatiebreuk tussen eiseres en vergunninghouder is eiseres gaan wonen aan de [adres] in [plaats] .
1.2.
Eiseres is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 24 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door mr. C.J. Kuijpers, specialist bouwrecht en [A] , schoonzoon van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door [C] , casemanager omgevingsvergunningen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
2. Voordat de rechtbank het beroep van eiseres inhoudelijk kan beoordelen, moet zij ambtshalve beoordelen of eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als eiseres geen belanghebbende is bij het besluit, kan zij geen bezwaar maken tegen dat besluit en had het college haar bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren [1] .
3. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. [2]
4. Eiseres heeft in bezwaar met name gronden aangevoerd die betrekking hebben op de belangen van haar dochter en schoonzoon bij het niet splitsen van de woning. Daarnaast heeft zij gewezen op de gevolgen van de te realiseren uitrit op de verkeersveiligheid ter plekke en op de reeds aanwezige verkeersproblematiek en het tekort aan openbare parkeerplaatsen. Verder heeft zij aangevoerd dat het aanleggen van een extra uitrit en parkeerplaatsen nadelig is voor de verkeersveiligheid, met name doordat op de op straat spelende (jonge) kinderen geen goed zicht meer is. Tot slot vindt zij het bezwaarlijk als er groen verdwijnt voor parkeerplaatsen en een uitrit.
4.1.
In beroep heeft eiseres desgevraagd haar belang als volgt nader toegelicht. In de eerste plaats stelt zij een financieel belang te hebben, omdat zij heeft meebetaald aan de aankoop van de woning en zij die investering van vergunninghouder terug wil hebben. Daarnaast wil zij de woning samen met haar dochter en schoonzoon als meergeneratiewoning gaan bewonen, zoals bij de aanschaf van de woning al het plan was.
5. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de dochter en schoonzoon van eiseres geen persoonlijk belang van eiseres zijn. Verder zijn de door eiseres op de zitting aangevoerde belangen niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. De omgevingsvergunning heeft immers geen gevolgen voor de gestelde geldvordering op vergunninghouder. Ook de de wens van eiseres om de woning zelf met haar dochter en schoonzoon te kunnen bewonen, is geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Eiseres is op geen enkele manier gerechtigd ten aanzien van de woning. Haar wens staat dan ook in een te ver verwijderd verband met de verleende vergunning.
5.1.
Dat eiseres in bezwaar zorgen heeft geuit over de verkeersveiligheid, het parkeren en het verdwijnen van groen in de straat maakt haar naar het oordeel van de rechtbank evenmin belanghebbende. Ten aanzien van de verkeersveiligheid heeft eiseres geen persoonlijk belang, nu het haar gaat om de verkeersveiligheid van derden. Ten aanzien van eventuele parkeerproblemen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiseres van de omgevingsvergunning feitelijke gevolgen zal ondervinden. De in verband met de woningsplitsing te realiseren uitrit zal weliswaar ten koste gaan van een parkeerplaats, maar in plaats daarvan komt vlakbij een nieuwe parkeerplaats. Bij het verdwijnen van groen heeft eiseres geen eigen en persoonlijk belang. Zij heeft niet of nauwelijks zicht op het stukje groen. Dat zij, zoals zij op de zitting heeft gezegd, wel steeds de woning passeert bij het verlaten van de straat, is onvoldoende. Zij onderscheidt zich in zoverre niet genoeg van anderen die de woning passeren.
6. Nu eiseres geen belanghebbende is, kon zij geen bezwaar maken tegen de omgevingsvergunning. Het college had haar bezwaar dus niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Conclusie en gevolgen

7. Op grond van het voorgaande is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De omgevingsvergunning blijft dus in stand.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet het college aan eiseres het griffierecht vergoeden. Van voor vergoedbare proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 10 maart 2025 niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat het college aan eiseres het griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:1 Awb Pro in combinatie met artikel 7:1 Awb Pro.
2.Zie bijv. de uitspraak van 23 juli 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:3379.