ECLI:NL:RBMNE:2026:4089

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/3848, UTR 25/3902, UTR 25/3906, UTR 25/3909, UTR 25/3910 en UTR 25/3912
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens vernietiging naheffingsaanslagen parkeerbelasting

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen zes naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Verweerder, de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, heeft op 6 mei 2025 beslissingen op bezwaar genomen en op 22 juli 2025 alle aanslagen vernietigd. Hierop heeft verzoekster haar beroep op 23 juli 2025 ingetrokken en een vergoeding van haar proceskosten gevraagd.

De rechtbank beoordeelt de proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verzoekster stelt dat extra procesinspanningen zijn geleverd vanwege de niet-samenhangende aard van de zaken en het herstel van een verzuim door verweerder. Verweerder stelt een vergoeding van €340,13 voor, gebaseerd op een forfaitaire formule met een wegingsfactor van 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken.

De rechtbank stelt vast dat de zes beroepen samenhangend zijn omdat ze gelijktijdig zijn behandeld en de gemachtigde in alle zaken vrijwel identieke werkzaamheden heeft verricht. Daarom wordt een wegingsfactor van 0,5 voor het gewicht van de zaken toegepast, vermenigvuldigd met 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €700,50, inclusief het griffierecht van €53,- dat ook door verweerder moet worden betaald.

De rechtbank wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding toe en veroordeelt verweerder tot betaling van €700,50 aan verzoekster.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €700,50 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3848, UTR 25/3902, UTR 25/3906, UTR 25/3909, UTR 25/3910 en UTR 25/3912

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaken tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.H.P. Groenland),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de verzoeken van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 6 mei 2025 beslissingen op bezwaar genomen, inzake de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen (BghU kenmerken: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 22 juli 2025 heeft verweerder medegedeeld dat alle zes in geschil zijnde naheffingsaanslagen parkeerbelastingen zijn vernietigd. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 23 juli 2025 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij het toepassen van de forfaitaire formule rekening moet houden met het feit dat de rechtbank van oordeel was dat geen sprake was van samenhangende zaken en dat verweerder eerst een verzuim moest herstellen. Deze omstandigheden zorgen volgens verzoekster voor extra procesinspanningen.
5. Verweerder heeft in de brief van 22 juli 2025 gereageerd op de verzoeken om proceskostenvergoeding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 340,13 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak, vermenigvuldigd met de wegingsfactor 1,5, omdat het gaat om meer dan vier samenhangende zaken).
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaken van 0,5, vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 1,5). Gelet op het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 kent de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 toe. [1] De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere wegingsfactor voor het gewicht van deze zaken toe te passen. De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van samenhangende zaken die voor de proceskostenvergoeding als één zaak worden aangemerkt, omdat de beroepen gelijktijdig zijn behandeld, de gemachtigde van verzoekster in alle zaken rechtsbijstand heeft verleend en zijn werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. [2] Bij de berekening van de proceskostenvergoeding geldt dus een wegingsfactor van 1,5, omdat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken. [3] Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in deze zaken slechts één keer het griffierecht is geheven.
7. Verweerder moet ook het griffierecht van € 53,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 700,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onderdeel 1.3.c, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
2.Artikel 3 van Pro het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht.
3.Bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).